Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Discipel zijn

Jaargang: 
4
Datum: 
24 mrt. 2010
Nummer: 
11
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
646
Rubriek: 


Voordat onze Here Jezus Christus naar de hemel voer, gaf Hij Zijn apostelen en daarmee de kerk de volgende overbekende opdracht mee:

    Mij is gegeven alle macht in de hemel en op {de} aarde. Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.(Matt. 28:18-20)

De Here noemt hen die door Zijn Evangeliewoord tot geloof en bekering komen hier: Zijn 'discipelen'. De apostelen krijgen daarbij deze taak voor die discipelen: ze moeten hen dopen, en ook hen leren alles te onderhouden wat Christus hen als apostelen had geboden te doen.
We willen in dit artikel wat nader bezien wat dat discipel zijn inhoudt. Dat is van groot belang, want het heeft betrekking op onze geloofshouding en ons geloofsleven. Het geeft aan wat de Here Zelf van ons op aarde vraagt en blijft vragen. En waartoe Hij ons ook het nodige schenken wil. Het discipel zijn is niet een statisch begrip: we geloven, dus we zijn er. Er mag en moet groei zijn om Christus beter te willen leren kennen. Door te blijven luisteren naar Zijn stem. Hem te willen blijven volgen waar Hij ook gaat.

Leren

Discipel betekent letterlijk leerling, pupil. In de Bijbel heeft dat de betekenis van een leerling die gehecht is aan zijn meester, die hem toegewijd is. In het Hebreeuws staat hiervoor een woord dat afgeleid is van een werkwoord dat leren betekent, maar dan zo dat men zich iets eigen maakt, dat men iets aanhangt. De Israëliet leerde iets om er zijn 'tweede natuur' van te maken. Het ging daarbij ook niet zomaar om verstandelijke kennis, maar om hartelijke kennis die zich liet doorvertalen in de praktijk van het leven. Daarvoor moest ook geoefend worden. Opvallend is dat in het Oude Testament eigenlijk maar één keer van leerlingen wordt gesproken en dat is in Jesaja 8:16. Deze leerlingen zijn daar de gelovigen rond Jesaja, die samen eigenlijk een soort dolerende gemeente vormden. Een kleine gemeente, die het getuigenis, de openbaring van God in haar hart moest sluiten. Dat was dus een bijzondere situatie. Verder komt het woord discipel niet voor. Dat ligt anders in het Nieuwe Testament, waar we het 250 keer tegenkomen, wel alleen in de vier Evangelieën en het boek Handelingen.

Om de betekenis van het discipelschap in het Nieuwe Testament 'mathètès' goed te verstaan geven we ook aandacht aan het bijpassende werkwoord 'manthano' dat met 'leren' wordt vertaald. Drie bekende tekstplaatsen maken, naast andere, de betekenis duidelijk.
Eerst Matt. 11:29:

    Komt tot mij en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op U en leert van mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart.

'Van Christus leren' is hier gelijk aan 'leerling, discipel van Christus zijn/worden' tegenover leerling, discipel zijn/worden van de Farizeeën en Schriftgeleerden. In tegenstelling tot laatstgenoemden is de Here Jezus Christus ook als Leermeester, als hoogste Profeet en Leraar, zachtmoedig en nederig van hart. Dat komt omdat het 'juk' van Christus zijn heilrijk Woord is. Buigen onder dat juk leidt tot zaligheid.

Dan Hebr. 5:8, waaruit blijkt dat Christus Zijn gehoorzaamheid ook door leren bereikt heeft:

    Zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden

Christus heeft lering getrokken uit wat Hij moest lijden en in die weg gehoorzaamheid getoond aan Gods raad en wil.

Tenslotte noemen we nog speciaal Ef. 4:20:

    Gij hebt Christus leren kennen. Gij toch hebt van Hem gehoord en zijt in Hem onderwezen... (vs. 20 v.).

Letterlijk staat er: "Gij hebt Christus geleerd." Paulus wil daarmee zeggen dat de lezers leerlingen van Christus zijn, die het evangelie hebben gehoord waarin Hij centraal staat als Degene die het nieuwe leven werkt. Het leren van, het leerling zijn van Christus, zal zijn uitwerking in het leven met en voor Christus moeten krijgen.

Leerling

De twaalf discipelen van Jezus hadden een bijzondere positie: zij waren door Hem heel speciaal geroepen, als het ware opgeëist voor de dienst in Zijn Koninkrijk. Daarvoor was nodig dat zij alles achterlieten, radicaal de Here volgden en Hem onvoorwaardelijk gehoorzaamden. Zij, uitgezonderd Judas, kregen de taak om als discipel èn oog- en oorgetuige, apostel van de Here te worden ten behoeve van het kerkvergaderend werk van de verhoogde Heiland. Zo mochten zij later vele anderen tot discipelen van hun Here Jezus maken.
In Handelingen worden de tot geloof gekomen christenen op veel plaatsen dan ook 'discipelen' genoemd. In Hand. 6 wordt b.v. vermeld dat het getal van de 'discipelen' zeer toe nam. En in Hand. 11 lezen we dat de 'discipelen' het eerst te Antiochië 'christenen' genoemd werden. Het zijn mensen die hebben leren geloven dat de Here Jezus de gekruisigde en opgestane Christus is. Ze hebben zich aan Zijn gezag onderworpen en willen leven in de verwachting van Zijn komst.
Regelmatig lezen we in Handelingen specifiek dat deze 'discipelen' vervuld worden met de Heilige Geest. Discipel zijn als leerling - volgeling mag niet verworden tot het willen zijn van volgeling zonder leerling te willen zijn! Christus wil dat wij Hem steeds meer willen kennen (Ef. 4:18). Daartoe schenkt Hij ons Zijn Woord en Zijn Geest.

Achter Jezus willen komen

Wat is nu het kenmerkende van het discipel zijn, zoals dat ook voor ons geldt? Voor een nadere toelichting daarvan nemen we ons uitgangspunt in Marcus 8: 34 en 35. Daar lezen we:

    En Hij riep de schare, met Zijn discipelen, tot Zich en zeide tot hen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en om des evangelies wil, die zal het behouden.

"Indien iemand achter mij wil komen", beter vertaald, "àl wie achter mij wil komen".
Dat zegt de Here na een actie van Petrus, waar Petrus met zijn menselijke bedenkingen de Here voor de voeten wilde lopen op Zijn noodzakelijke weg van lijden tot verheerlijking. Daarvoor wordt Petrus berispt: Achter mij, satan.
Iedereen die nu achter de Here wil komen en Hem dus niet voor de voeten wil lopen, wordt dan aangesproken. Al wie Hem werkelijk wil volgen als Zijn discipel, leerling/volgeling, Hem wil dienen en zo werkelijk gemeenschap met Hem wil hebben. Het wordt hier aan de schare met de discipelen gezegd. Iedereen wordt zo uitgenodigd. Maar dan volgen er wel een aantal 'voorwaarden', die dan gelden. De Here Jezus somt dan een aantal ingrijpende veranderingen, een aantal diep insnijdende maatregelen op die nodig zijn voor het discipelschap.
Dat blijkt voor alle discipelen, ja zelfs voor de 12 discipelen, een moeilijke zaak, die veel van hen vraagt. Die alles vraagt. Het valt op dat de Here Jezus het onderwijs daarover op minstens vier verschillende gelegenheden geeft:
Bij de uitzending van Zijn discipelen in Israël (Matth. 10); bij de eerste aankondiging van Zijn lijden (Marcus 8); als Hij gaat spreken over de laatste dingen (Lucas 17) en na de intocht in Jeruzalem (Johannes 12: 25).

Zelfverloochening

(1) "Die verloochene zichzelf": Je zult, tegen je eigen natuur in, de oude mens moeten willen opzeggen: alles opgegeven wat niet hoort en wat niet past bij de dienst aan Christus. Op niets je vertrouwen stellen buiten Christus: niet op jezelf, niet op de mensen. Zelfs de band met andere mensen zoals je eigen familie, je vader of moeder, je zoon of dochter, mag niet sterker zijn dan de band aan Christus (Matt. 10: 37). Die band zul je zelfs moeten opgeven ter wille van de gemeenschap met Christus, als die bloedband of die vriendschapsband je aftrekt van de gehoorzaamheid aan Christus, van de onvoorwaardelijke overgave aan Hem.
De zelfverloochening die de Here hier vraagt, is dus totaal en radicaal. Niets en niemand mag daarvan worden uitgezonderd. Wij moeten àlles als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus, zegt Paulus in 2 Kor. 10: 5. En in Fil. 3: 7-11 zegt Paulus in dat verband over zijn verhouding met Christus:

    alles wat mij winst was, heb ik om Christus wil schade geacht

Paulus heeft om Christus’ wil alles prijsgegeven en het voor vuilnis gehouden opdat hij Christus mocht winnen.

Leven verliezen

Volgens 8:35 moet het zelfs onze vaste wil zijn, om ons leven te verliezen. Voor leven staat er in het Grieks psyche, dat duidt op je eigen- ik. Je eigen- ik die gericht is op het bestaan in deze wereld met alle begeerten naar wat deze wereld te bieden heeft, maar dan los van Christus. Het is de oude mens, die zijn genoegens wil vinden in het leven hier op aarde, op deze zondige aarde. Die zichzelf afzonderen wil van God en op zichzelf is gericht. Daarvan zegt de Here: offer die eigen- ik op. Vernietig die aardse genoegens die niet op Mij en Mijn dienst gericht zijn.
"Verlies je leven", dat is dus hetzelfde als: kruisig die oude mens. Wees niet bedacht op de dingen van de mensen, van je-zelf als mens, maar wees bedacht op de dingen van God (vergelijk Marcus 8:33).
De Here Jezus heeft meerdere malen Zijn discipelen ernstig voorgehouden: dat zij zich geen schatten moesten verzamelen op deze aarde. Denk aan de gelijkenis van de rijke dwaas.
Zo staat in 8:36: “want wat baat het een mens de hele wereld te winnen, en aan zijn ziel schade te leiden?".
Het komt er dus op aan dat wij in dit leven afzien van onze eigen- ik, onze eigen lusten, de genietingen van deze wereld. Maar ook eigen eer en zelfzucht. Een moeilijke opdracht. Daarvoor hebben we dagelijks de kracht van Christus' Geest en Zijn Woord nodig.

Kruis dragen

“Hij neme zijn kruis op en volge Mij”. Bij het afzien van jezelf, komt de toewijding aan Christus als Degene die je voorgaat, als degene die je Leidsman ten leven is.
Wat wordt precies bedoeld met je kruis opnemen? Daarmee verwijst de Here Jezus naar een ter dood veroordeelde, die op weg is naar zijn kruisiging, zijn dood. Op weg daarheen moet hij zijn eigen kruis met zich dragen. Nu vraagt de Here Jezus van Zijn discipelen dat zij hun kruis 'op zich némen'. Tijdens hun levensweg zullen zij lijden, moeiten, smaad, spot en verdrukking moeten ondergaan. Ze moeten dat niet maar opvatten als iets onvermijdelijks, waarbij ze zich desnoods zullen moeten neerleggen. Nee, ze zullen deze moeiten vrijwillig op zich moeten nemen. Dàt is nu de consequentie van het discipelschap.

    Een discipel staat niet boven zijn meester, of een slaaf boven zijn heer, Matt. 10:24, vergelijk ook Joh. 15: 20

Net zoals de Here Jezus Zijn lijden gehoorzaam op zich nam als onderdeel van zijn verlossend handelen, op Zijn weg naar de heerlijkheid, zo vraagt de Here Jezus nu van allen die hem willen volgen dat ook zij lijden en verdrukking moeten willen ondergaan.
Bij het gericht zijn op Christus en op Zijn dienst, hoort dus op aarde moeite, pijn, hoon, laster, schande. Dat ziet niet op gewone aardse moeilijkheden zoals ziekten, tegenslagen en armoede die elk mens op aarde kan ontmoeten. Nee, dit lijden om de naam van Christus ziet op lijden, ontbering, haat, tegenwerking, vervolging, verdrukking als gevolg van het geloof in de Here, en als gevolg van de dienst aan Hem.
Het beeld van het kruis, duidt op de meest smadelijke en pijnlijke situaties. De gerichtheid op Christus en de gemeenschap met Hem lijkt zo op het eerste oog, dus beslist geen voordeel op te leveren op aarde: ellende en moeite ter wille van Christus en ter wille van het evangelie.
In Lucas 9:23 staat bij dat kruisdragen nog dat we het dagelijks moeten doen. De Here wil dat het lijden op deze aarde voortduurt voor Zijn discipelen. Nee, we zullen dat niet willen opzoeken. Maar het is de Here Zelf die dit ons te dragen geeft, elke dag. En daarom nemen we dat graag op ons.
En als we dat allemaal niet zozeer ondervinden? Als we eigenlijk wel in deze wereld goed uit de voeten kunnen, en aan onze trekken komen? Dan moeten we ons afvragen of we eigenlijk wel werkelijk de Here Jezus volgen. Of we wel in Zijn voetstappen treden door naar Gods geboden te leven en zo alles willen onderhouden wat Hij bevolen heeft (Matt. 28:19). Of we wel opkomen voor Zijn naam en Zijn Woord in de samenleving: op school, op het werk, in de maatschappij, in de politiek, in andere contacten.
Als we alle vormen van smaad en verdrukking willen ontlopen, dan volgen we toch weer ons eigen leven, onze eigen begeerte. Dan is er onvoldoende zelfverloochening. Dan moeten we ons laten gezeggen door vers 35:

    Want ieder, die zijn léven zal willen behouden, het zal verliezen; maar dat ieder die zijn leven verliezen zou om mijnentwil en om het evangelies wil, het zal behouden!

In Zijn voetstappen

Het lijden in deze wereld hoort bij onze roeping als discipel van Christus. Het hoort bij onze gemeenschap met Christus. Het is daarom genade. Zoals Petrus dat zegt in 1 Petr. 2:19:

    want dit is genade, indien iemand, omdat hij met God rekening houdt, leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt.

en in vers 21:

    want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden.

Maar het einde is niet het lijden, maar onze verheerlijking. Rom 8:17:

    immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.

Ook dàt mogen wij nu als discipelen leren van onze Heiland, onze Leidsman ten leven, uit Zijn Woord. Als we Zijn stem, Zijn Woord blijven volgen waar Hij ook gaat (Openb. 14: 4), zullen we eens als vrijgekochten van het Lam de eeuwige gemeenschap met Christus mogen ingaan in volmaaktheid. Daar zullen we als discipelen onze definitieve volwassenheid mogen bereiken in de volmaakte lof aan de Here. Door het zingen van het nieuwe gezang dat ons dan op de lippen wordt gelegd (Openb.14:3).
Die toekomst heeft betekenis voor al onze keuzes in onze levens nu in de samenleving. Dat heeft ook betekenis voor keuzes nu in onze kerkgang en ons kerkelijk leven. Want bij alle moeiten betekent dat troost en hoop.
“Een ieder die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en om des evangelies wil, die zal het behouden.” Die zal het behouden: wat een geweldige belofte!
Laten we daarom steeds bidden om de inwoning, de kracht en de werking van de Heilige Geest, en zo gehoorzaam achter Christus aangaan als Zijn discipelen, in Zijn voetstappen.