Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

De cultuur van kerk en wereld

Jaargang: 
4
Datum: 
20 jan. 2010
Nummer: 
2
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
615
Rubriek: 

In September 2009 heb ik in enkele artikelen besproken het boek van dr. S. Paas Jezus als Heer in een plat land met de ondertitel Op zoek naar een Nederlands evangelie.
Ik heb toen in het vooruitzicht gesteld dat ik later terug zou komen op de vraag wat de cultuur van de wereld en die van de kerk nu inhoudt en hoe die twee ten opzichte van elkaar bezien moeten worden.


De taal van de Schrift

Paas riep in zijn boek de kerk op haar cultuur aan te passen aan de cultuur van de wereld. Dat gaat dan volgens hem vooral om de benadering van de moderne medemens. Om die te bereiken zal de kerk heel wat van haar eigen cultuur moeten opgeven, wil zij die moderne mens zelfs alleen maar verstaanbaar maken wat haar boodschap is, laat staan hem tot bekering brengen.
Daarbij ging hij zo ver dat hij van de kerk vraagt de geloofsovertuiging dat wij uit onszelf ‘onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’ overboord te zetten, omdat deze overtuiging een deel zou zijn van ons meerderwaardigheidsgevoel, van het opgeheven vingertje van vermaan. Een catechisant kan wel zien dat dit rechtstreeks ingaat tegen Schrift en belijdenis!
Ik heb er al op gewezen dat niet alleen door Paas, maar door praktisch allen die zich met deze zaak bezighouden, slordig wordt omgegaan met de inhoud van het woord cultuur.
Vrijwel iedereen gebruikt het woord cultuur in heel algemene zin. Dan bedoelt men er allereerst mee beschaving, ontwikkeling, beeldende kunst en volkscultuur en toonkunst etc. Maar het wordt ook gebruikt om aan te geven wat er in een bepaalde groep van de bevolking leeft aan gewoonten en gebruiken.
Paas gebruikt het met betrekking tot de kerk voor de bijzondere eigenaardigheden, gewoonten en gebruiken in een bepaald kerkverband. Zo kun je volgens hem wel spreken van de christelijke gereformeerde cultuur, van de hervormde cultuur enz.
Het is nodig om eerst duidelijk te maken wat onder het begrip cultuur te verstaan is.
Indertijd heeft prof. dr. K. Schilder in Zijn boek Christus en cultuur uitvoerig de Schrift laten spreken over zowel de cultuur van de wereld, van de antichrist en daartegenover van de leden van de kerk van de Heere Jezus Christus. Daar wil ik mij nauw bij aansluiten. Dat doe ik onder meer door te citeren uit de brochure nr.15 van WOORD EN WERELD onder de titel K.Schilder. Christus en cultuur. Ik heb daarin geprobeerd de inhoud van Schilders studie te vereenvoudigen en zo toegankelijk te maken voor een bredere kring, met name voor de jeugd.

Is cultuur een vrucht van algemene genade?

De inhoud van Christus en Cultuur verscheen voor het eerst in 1932. In 1947 heeft Schilder het opnieuw uitgegeven en de kritiek die er van verschillende kant, met name van de zijde van de Barthianen, op uitgebracht was afgewezen. Maar de inhoud van zijn betoog is gelijk gebleven.
Het is heel interessant om te zien hoe de meest saillante uitspraken van Schilder al in die eerste druk voorkomen. Anders gezegd: het boek is geschreven geruime tijd voor de Vrijmaking; en hij heeft in de tweede uitgave van 1947 op een enkele passage na geen extra’s toegevoegd vanwege de Vrijmaking. De gedachtengang van het boek is onveranderd gebleven.
Het is belangrijk hier goede nota van te nemen, omdat dat ons leert begrijpen dat de Vrijmaking niet anders was dan de doorgang van een reformatorische beweging, die niet anders wilde bewerken dan een terugkeer naar Schrift en belijdenis.
Als we spreken over doorgaande reformatie moeten we weten dat dat beslist niet maar iets nieuws is uit de tijd na de Vrijmaking – de reformatorische beweging is in de tijd van de jaren twintig en begin jaren dertig begonnen. En de Vrijmaking van 1944 heeft de tegenstand tegen die reformatorische beweging doorbroken en ruim baan gemaakt voor die terugkeer naar Schrift en belijdenis.
De nadruk die Schilder legde op de grote betekenis van reformatie voor de cultuurarbeid had hij dus al in 1932 uitgesproken, evenals de centrale plaats van de kerk in alle cultuurarbeid. Het boek geeft ons dan ook een beeld van de reformatorische beweging in de Gereformeerde Kerken van de dertiger jaren, waar Schilder zo'n belangrijke rol in gespeeld heeft.

Hij nam afstand van de theorieën van dr. A. Kuyper inzake de Gemene Gratie (de algemene genade). Deze legde er de nadruk op dat er toch nog zoveel goeds in de wereld is, ook bij de niet-christenen.
Hij was van oordeel dat het feit dat er nog cultuur bestaat in deze zondige, afvallige wereld, een vrucht is van algemene genade. Bovendien, zo wordt er dan verder bij gezegd, zie je de werking van die algemene genade ook hierin, dat toch ook mensen, die met God niet rekenen, nog zoveel cultuurarbeid verrichten. Wat zijn er niet een prachtige kunstwerken tot stand gekomen op allerlei gebied, en dat door mensen die totaal van God vervreemd Zijn. Trouwens, ook in de cultuur van de heidense volkeren vinden we zoveel dat mooi en waardevol is. Dat alles, zo zei men, is vrucht van de algemene genade.
Wat is de leer van die algemene genade? Zij redeneert als volgt: wij, mensen, hadden vanwege het verschrikkelijk karakter van zonde en schuld verdiend meteen na de zondeval naar de hel te gaan. Dat zou ons 'verdiende loon' geweest Zijn.
Toch zien we dat de HEERE dat niet heeft gedaan. Hij heeft ervoor gezorgd, dat de wereld na de zondeval nog vele duizenden jaren is blijven bestaan en dat de door God in Zijn schepping gelegde mogelijkheden nog tot ontwikkeling gebracht worden. Kijk maar eens naar de ontwikkeling van de cultuur en ook van de techniek. Kortom: God heeft niet alleen het leven van de mensen doen verdergaan, maar er ook voor gezorgd dat de mensen geen beesten geworden zijn in het omgaan met elkaar.
Er is NOG zoveel goeds in de wereld (let op het gebruik van dat woordje 'nog', dat telkens in deze redeneringen weer opduikt). Ook bij de ongelovige mensen, die in zonden leven, is 'nog' zoveel goeds te vinden. Zij zijn 'nog' niet vervallen tot de ergste goddeloosheid, maar ook bij hen vonden we 'nog' zorg voor de naaste. Zij hebben toch ook 'nog' een zekere kennis van wat goed of kwaad is overgehouden. Zij houden zich dikwijls, zonder dat zij zich dat bewust zijn, aan de regels van Gods Woord. Ook kunnen zij 'nog' zoveel mooie dingen tot stand brengen en zoveel aan cultuur doen.
Men zegt dan: wij moeten dat alles zonder meer genade noemen, onverdiende goedheid van God. Men merkte daar wel bij op dat deze genade niet bewerkt, dat mensen daardoor voor eeuwig behouden worden. Daarom noemt men die genade 'algemene genade', in tegenstelling tot de 'bijzondere genade', die God alleen aan Zijn kinderen geeft, waardoor Hij aan hen de eeuwige zaligheid schenkt.
Toch, zo zegt men dan verder, is die algemene genade wel degelijk genáde. Ze geeft ons déze weldaad, dat God de zonden weerhoudt. Als Hij dat niet zou doen, dan zou de zonde uitbreken in de grofste vuiligheid, in een voluit en rechtstreeks satanische uitbarsting van boosheid. Maar God stuit deze boosheid door de 'algemene' werking van Zijn Geest. Ook werkt de HEERE door het 'algemeen' getuigenis van de Geest in de harten van alle mensen; door dit getuigenis weten alle mensen bepaalde hoofdwaarheden en hebben ze een zekere kennis van wat goed en kwaad is. Die kennis is hen om zo te zeggen aangeboren.
De conclusie van deze opvatting: zo trekt over de woestijnvlakte van deze wereld toch de zich steeds weer vernieuwende dauw van de algemene genade, die het leven nog dragelijk maakt en zelfs oasen schept in deze woestijn. Ook cultuur-oasen. Tot zover de theorie van de algemene genade.

De leer van de algemene genade afgewezen

Toch moeten we deze redenering afwijzen. Wij zijn van oordeel dat er geen sprake is van 'algemene genade'.
Laten we eerst onze aandacht geven aan de bovengenoemde weerhouding van de vloek van God.
Het is inderdaad waar, dat de vloek van God nog niet ten volle uitgestort is over de wereld. Ongelovigen leven nog niet in de hel.
Maar omgekeerd moeten we zeggen, dat Gods zegen evengoed weerhouden wordt. De mensen leven nog niet in een hel, maar aan de andere kant leven gelovigen nog niet in de hemel.
Als je de weerhouding van de vloek 'genade' noemt, zou je die weerhouding van de zegen 'oordeel' moeten noemen.
Zolang de mens nog niet gekomen is in de eeuwigheid (eeuwig leven of eeuwige dood) leeft hij nog in de tijd. En dat houdt in: hij leeft nog onder Gods weerhouding. Als niets meer weerhouden wordt, leeft een mens òf in het totale bezit van hemelse zaligheid, òf in de totale verworpenheid van de helse angst en pijn.
God weerhoudt Zijn vloek, opdat de schepping ontplooid kan worden. Zowel gelovigen als ongelovigen zijn met die ontplooiing van de schepping bezig. De gelovige doet het tot eer van God. De ongelovige zoekt daarmee zichzelf, en dient alleen zichzelf. God geeft door de weerhouding van Zijn vloek aan beide de mogelijkheid om met Zijn schepping bezig te Zijn. Maar alleen voor de gelovigen is die weerhouding genade.
In de grond van de zaak gaat het hier om de waardering van de 'tijd'.

Dan spreken we vervolgens over het argument, dat de mens verdiend had meteen na de zondeval naar de hel te gaan, en dat het dus 'genade' van God genoemd moet worden, dat de mensheid nog bestaat.
We moeten nuchter redeneren: als meteen na de val de gevallen mens in de poel van vuur geworpen was, zou er geen mensheid gekomen Zijn, en dan waren wij er niet eens geweest. Als God mensen wil straffen, moeten die mensen wel eerst geboren worden. En dus moeten er huwelijken gesloten kunnen worden, en moeten de mensen kunnen leven op de aarde, en moet er een economisch leven mogelijk Zijn; kortom: de schepping moest ook dan ontplooid worden, als God alleen maar had willen komen tot Zijn straf in de hel.
God zij gedankt, dat wij méér weten, dan dat er een hel op komst is. God is ook bezig om Zijn hemel te vullen met zovelen, als Hij ertoe roepen zal. Ook daarvoor is verlenging van de tijd nodig. Ook daarvoor moet de vloek worden weerhouden. Ook daarvoor is het nodig, dat de schepping wordt ontgonnen.
Onze conclusie is dat we niet zonder meer van 'genade' kunnen spreken, wanneer God de tijd doet verder gaan en gelegenheid geeft de schepping te ontsluiten. Het is ook niet zonder meer vloek.
Het is genade, wanneer mensen de mogelijkheid die God geeft, benutten om voor Hem bezig te zijn met hun cultuur. Het is vloek, wanneer mensen de door God gegeven mogelijkheid voor zichzelf alleen gebruiken, en goddeloos bezig zijn met eten en drinken en kinderen verwekken, kortom met hun cultuur.
Weerhouding van de vloek, verlenging van de tijd, mogelijkheid van ontplooiing van de schepping zijn op zichzelf geen 'genade' en geen 'vloek' - ze zijn noodzakelijk, opdat God kan komen tot de volle zegen en de volle vloek. Ze zijn de grondslag voor genade en vloek.

De ambtsopdracht in het paradijs

Met nadruk stelde Schilder dan ook telkens weer: wij moeten niet redeneren vanuit een theorie van gemene gratie (wat ons NOG gelaten zou zijn, en een gemene, gemeenschappelijke genade, waarin alle mensen zouden delen, waardoor de cultuur mogelijk zou zijn). Maar ons uitgangspunt moet zijn het AMBT, vgl. Zondag 12.
De hoofdgedachte van zijn studie is dan ook: cultuur is het gehoorzaam volbrengen van de oude paradijsopdracht van bouwen en bewaren, dat is van ontwikkelen en verdedigen. Alles wat wij doen, moet in dienst van God staan, met het doel de schepping te ontwikkelen.

Om te begrijpen wat volgens de Bijbel onder cultuur moet worden verstaan, gaan we na wat de HEERE daarover gezegd heeft in het paradijs. Het woord cultuur stamt af van het latijnse werkwoord colere. Colere betekent: bebouwen, verzorgen. De boer die zijn akker ploegt, doet aan colere. Dat was de eerste opdracht die God aan de mens gaf, nadat de Here de mens naar zijn beeld geschapen had. Bebouwt de hof, bewoont de wereld, vermenigvuldigt u.
Dit zijn de eerste geboden, die God gaf in een ongerepte wereld, die nog niet af was, die nog in ontwikkeling was om te komen tot haar vervulling, haar volmaking, haar volgroeid-zijn.
Dat is dus het gebod van cultuur, van bebouwen en verzorgen. Dat is het werk van een boer, die zijn akker verzorgt, ploegt en zaait. Maar tegelijk is er naast dat stuk land ook de boer zelf. Hij op zijn beurt is ook een akker van de Geest van God en ook zaad. Hij is zelf ook een schepsel van God.
Om het met een ander beeld te zeggen: alle schepselen, groot en klein, zijn volgens artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis de letters in het prachtige scheppingsboek van God. Maar de mens is niet alleen een letter in Gods boek, hij is tegelijk ook een lezer en voorlezer van dat scheppingsboek van God.
De mens moet dus, zoals een boer zijn akker bewerkt, de wereld bebouwen, als Gods geroepen werkman en als gekroonde onderkoning uit de wereld halen wat er in besloten ligt. Zo moet hij aan cultuur doen.
Maar tegelijkertijd moet hij aan zelf-cultuur, aan zelf-ontplooiing doen. Daarmee mag hij niet zichzelf zoeken, maar het moet hem blijven gaan om God.
Op deze wijze heeft God de wereld geschapen en de mens zijn opdracht tot cultuur gegeven. Het was niet de wil van God om de wereld kant en klaar te scheppen. Hij heeft ze alleen maar goed geschapen. De wereld, zoals ze uit Gods handen voortkwam, was dus een wereld-in-belofte, een wereld-in-hoop. En omdat die wereld goed geschapen was, mocht de mens erop rekenen, dat die belofte en die hoop ook vervuld zouden worden.
In Zijn verbond met de mens stelde God hem aan als Zijn medearbeider. Want de paradijswereld was nog maar een begin. Om deze wereld tot haar voltooiing te laten komen was een geschiedenis nodig, die eeuwen zou voortgaan. God beloofde dat die voltooiing er komen zou.
God heeft in die nuchtere realiteit van het paradijs, van dat historische leven, afgekondigd dat Hij evolutie wilde werken op de bodem van de schepping. Daarom was het eerste gebod: gij zijt Gods medearbeiders.
Nu wij door Christus dat ambt uit het paradijs hebben teruggekregen, is de tekst: 'want Gods medearbeiders zijn wij' (1 Kor.3:9) niet alleen maar te gebruiken als een intreetekst voor een dominee. Het is ook de dagtekst voor elke cultuurarbeider, voor professor èn bouwvakker, voor wie in de keuken werkt en voor degene die een Mondschein-Sonate moet schrijven.

De ambtsgedachte

De eerste mens had dus zijn eigen taak, zijn eigen ambt om zijn Schepper te dienen. Die ambtsgedachte nu is het, die beslissend is voor het goed begrijpen van de betekenis van het begrip cultuur.
Adam is door God gemaakt om ambtsdrager te kunnen zijn, om in Zijn naam over de schepping te regeren en die te bouwen en eruit te halen wat erin zit. God heeft hem ook voor de uitvoering van zijn ambtsopdracht voorzien van voortreffelijke gaven. Zo werd de mens medearbeider van God en is met al zijn werken bezig in de hele schepping.
God had aan die eerste mens de hele schepping gegeven met de uitgesproken opdracht om daarover te regeren en die te ontwikkelen. Dat was een veelomvattende opdracht tot bijzonder verantwoordelijk ambtswerk. God heeft die eerste mens dan ook zó geschapen, en hem zoveel bijzondere eigenschappen gegeven, dat hij de HEERE ook kon dienen in dat grootse werk. Hij wordt mede-arbeider van God, en dat in een zó breed verband, dat het niet alleen gaat om de toekomst van deze aarde, maar ook die van de hemel; niet alleen om de toekomst van mensen, maar ook die van de engelen. Het gaat om de hele schepping van God, hemel en aarde, engelen en mensen. Daarom is het werk van de mens in het paradijs "liturgie' te noemen, dat is dienst in en aan het Koninkrijk der hemelen.

Volgende keer D.V. verder over het christelijke karakter van deze cultuur. Waardoor wordt zij gevoed? Hoe wordt zij aangevochten? Wat is de verhouding met de wereldse ‘cultuur’?