Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Christus toont zijn kerk de verhoring van haar gebed om Gods wraak

Jaargang: 
6
Datum: 
11 jan. 2012
Nummer: 
1
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
975


    1 En ik hoorde een luide stem uit de tempel zeggen tegen de zeven engelen: Ga en giet de schalen van de toorn van God uit over de aarde.

7 En ik hoorde een ander bij het altaar vandaan zeggen: Ja Heere, almachtige God! Uw oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig.

9 Maar zij lasterden de Naam van God, Die macht heeft over deze plagen, en zij bekeerden zich niet om Hem eer te geven.

15 Zie, Ik kom als een dief. Zalig hij die waakzaam is en op zijn kleren acht geeft, zodat hij niet naakt zal rondlopen en men zijn schaamte niet zal zien.

En er klonk een luide stem uit de tempel in de hemel, vanaf de troon, die zei: Het is geschied.

Openbaring 16 (HSV)

Dit hoofdstuk spreekt er zo uitvoerig over hoe de toorn van God tot haar voleinding komt, dat er wel verschillende Schriftoverdenkingen nodig zouden zijn om alles goed uit te leggen. Ik wil het daarom beknopt houden en verwijs voor het Schriftonderzoek naar de Bijbelverklaringen over het boek Openbaring.
Om enige structuur in de verklaring te krijgen is het belangrijk om op enkele centrale delen te wijzen.

In vers 9 horen wij: en zij bekeerden zich niet. Zelfs in die laatste gerichten, zoals dat was in alle voorgaande eeuwen, klinkt nog de oproep tot bekering.
Dan vers 15: Zie, Ik kom als een dief. Dat is de stem van Christus Die nog steeds aan het woord is. Hij heeft immers het boek van God aangenomen en heeft de zegels ervan verbroken. Hij doet Gods gerichten op de aarde neerdalen.
Die finale uitstorting van de toorn van God wordt uiteengelegd in de zeven plagen.
Zoals in hoofdstuk 15 het lied van de overwinnaars genoemd wordt het lied van Moses en van het Lam, zo wordt ook in de beschrijving van de zeven plagen verband gelegd met de plagen in Egypte. De HEERE zond die gerichten over Farao en Egypte om zo Zijn naam groot te maken, zodat alle volkeren Hem zouden leren kennen en vrezen in Zijn gerichten. Maar hij bewerkte daardoor ook de totale verlossing van Zijn volk door middel van die gerichten en door het bloed van het Lam.
Het gaat om de grote Naam van onze God. En tegelijk komt de HEERE ons troosten: dat wij in alle droefheid en vervolging met een opgeheven hoofd Christus als Rechter uit de hemel verwachten, die al Zijn en mijn vijanden aan de eeuwige ondergang zal overgeven, maar mij en alle uitverkorenen tot Zich zal nemen in de hemelse blijdschap en heerlijkheid, Heidelbergse Catechismus Zondag 19.

Johannes hoorde een luide stem uit de tempel komen. Het is God Zelf Die de opdracht geeft aan Zijn engelen om Zijn toorn uit te gieten. Die is nu onverminderd (de wijn van Gods gramschap,14: 10) en wordt uitgegoten op de aarde.
Het is eigen aan de Openbaring dat wij ook deze beschrijving van de uitwerking van de toorn van God symbolisch moeten uitleggen.
De eerste plaag bewerkt dat de mensen, die het merkteken van het beest hebben en zijn beeld hebben aangebeden, bezocht worden met zweren, vergelijk de zesde plaag in Egypte, Ex. 9: 8-12, waarvan geen genezing mogelijk is, Deut. 28: 35.
De tweede plaag komt over de zee, die verandert in een 'Dode Zee' - bloed als van een dode. Geen enkel leven is er meer in mogelijk.
En ook het water in de rivieren en bronnen wordt totaal verontreinigd en is niet meer te drinken. Het hele leven wordt opgebroken.
Ja, zo wordt dus aan hen die het bloed vergoten hebben van Gods profeten en van de gelovigen hun verdiende loon gegeven: rechtvaardig is de HEERE, de Heilige, Die is en Die was.
Daar komt dan ook de stem van de zielen onder het altaar, van de kerk in de hemel, die geroepen heeft om de komst van de oordelen van God over de vijanden van de kerk:

    En ik hoorde een ander bij het altaar vandaan zeggen: Ja Heere, almachtige God! Uw oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig. .

De hele kosmos wordt aangegrepen. Was het eerst maar een kwart van de aarde,6: 8, later een derde, 8: 7, 12 - en nu de hele schepping: aarde en zee en ook de zon.
Dat staat te lezen over de vierde plaag. De zon die verkwikt en die onmisbaar is voor het leven op aarde wordt door de HEERE veranderd in een vijand: zij verschroeit met verzengende hitte!
Vanaf de schepping van de zon heeft zij altijd haar stralen uitgezonden naar de aarde. Dat was Gods eeuwige kracht waardoor Hij het leven droeg. De meeste mensen namen het als vanzelfsprekend aan dat ze elke morgen het zonlicht weer mochten begroeten, zonder eraan te denken dat wij dat te danken hebben aan de HEERE, Die Zijn zon doet opgaan over bozen en goeden.

Dan valt er een Egyptische duisternis over de samenleving. Maar nog steeds is er geen bekering, integendeel, de mensen belasteren de God van de hemel. Ze hebben begrepen dat al deze rampen niet maar toevallig zijn of verklaard kunnen worden uit natuurlijke ontwikkelingen maar zij lasterden God. Zij zijn gaan beseffen dat Hij het is Die bezig is en Die komt met Zijn toorn.

Vervolgens hoorden wij van het opdrogen van de grensrivier de Eufraat, zodat de vijand niet wordt tegengehouden.
Wie is die vijand? Drie koningen die uit het oosten komen. Alle antichristelijke machten samen, verenigd tot de laatste beslissende strijd.
Onder al die rampen is de vijandschap tegen het volk van God niet alleen gebleven, maar uitgegroeid tot de uiterste wanhoopsstrijd tegen Gods kerk, tegen de twee getuigen uit Openbaring 11. De draak, de grote tegenstander van Christus, organiseert die aanval door de koningen te vervullen met duivelse haat en hen te verleiden tot de laatste aanval.
Dat wordt getekend door het beeld van kikvorsen, onreine geesten, die uit de mond van de valse profeet komen.

Maar ze hebben buiten de rechtvaardigheid van God en de macht van zijn Christus gerekend. Want het is de HEERE Zelf die hen samenbrengt op één plaats, zodat Hij in één slag voorgoed met hen kan afrekenen. Die plaats wordt genoemd Armageddon, dat is het oudtestamentische Megiddo. Daar zijn in het verleden dikwijls beslissende veldslagen geleverd tegen Israël en tegen zijn vijanden. De strijd tegen Sisera, Ri. 5: 19; Ahazia, 2 Kon. 9: 27; Josia tegen Necho, 2 Kron. 35: 22.
Daarom klinkt dan ook de stem van Christus, Die geruststelt en kracht geeft: zalig .... die knecht die steeds bezig was voor zijn Heer en naar Zijn terugkomst uitzag en verlangde, Lucas 12: 43.

Zalig, als we Hem verwachten! Zalig als we ons bekleed hebben met de goede werken, de klederen van het heil, het feestkleed!
Het is geschied. Gods boek is bijna uitgelezen door het Lam.
Het laatste komt nog: grote hagelstenen van 40 kg! En het eind van Babylon, dat verder in de hoofdstukken 17 en 18 beschreven wordt.
Zo worden wij toch getroost door deze opsomming van de uitbarsting van Gods toorn. En dus zijn wij niet bang voor die eindgerichten - we hebben er immers zelf toch steeds om gebeden, Openb. 8.

    En er kwamen stemmen, donderslagen en bliksemstralen. En er kwam een grote aardbeving, zo een als er niet is geweest sinds er mensen op de aarde geweest zijn: zo'n aardbeving, zo groot!

Dan zullen wij niet vrezen, ook al worden de bergen verzet in het hart van de zee.
Integendeel, we zien met groot verlangen uit naar die dag, wanneer we mogen zien, onze Heere Jezus Christus met heerlijkheid en eer gekroond.