Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Christus’ paasboodschap aan Maria van Magdala (1)

Jaargang: 
3
Datum: 
15 apr. 2009
Nummer: 
14
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
501

Jezus zeide tot haar: Houd mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren, maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God. Joh. 20:17

Jezus in je hart

“Jezus in je hart”, doet het als slogan uit evangelische kring ook bij velen die zich gereformeerd noemen. Meestal moet het aangeven dat Jezus er speciaal voor jou is. Jij draagt Hem bij je en zo geeft Hij jou een vrij en blij gevoel. Hij is je beste vriend en bemoedigt je als je in de put zit. Er zit iets aantrekkelijks in die gedachte. Vooral voor de jeugd die op zoek is naar warmte en steun. En bovendien: rust die gedachte ook niet op Gods Woord? De Here Jezus wil toch in ons wonen met Zijn Geest? Dat is toch voluit Bijbels? Maar we moeten er dan wel bij zeggen laat dan ook de Bijbel als het Woord van God àlles over die inwoning zeggen.
Door Jezus je beste vriend te noemen, kan je zomaar vergeten dat Hij jouw Eigenaar is die je heeft gekocht en die jij eerbiedig moet gehoorzamen. En ook dat Hij het Hoofd van de kerk is waarheen Hij alle gelovigen roept. En dat Hij de Koning is Die aan de rechterhand van God is gezeten, die alles tot volheid zal brengen. Als je dat alles niet beseft, dan vermink je het evangelie. Dan heb je een gesneden beeld gemaakt van Jezus, en dan dien je dat gesneden beeld, in plaats van de Here Christus zelf. In onze tijd, waarin het gevoel en de persoonlijke beleving een hoge plaats hebben gekregen, zijn ook wij ontvankelijk voor deze gedachten. Maar het zijn geen nieuwe gedachten. De Here Jezus heeft deze gedachten en gevoelens zelf al ontmaskerd en er Zijn onderwijs op gericht. Ook op de eerste dag van Zijn opstanding in Zijn ontmoeting met Maria van Magdala. Dat onderwijs is voor de kerk van alle tijden van heel grote betekenis.

Ongeloof

Wanneer de Here Jezus is gestorven en begraven breekt er voor de discipelen en hen die de Here liefhebben, een onzekere periode aan. Dat komt omdat ze dan nog de zekerheid van het geloof missen. De zekerheid dat Christus gestorven is voor hun zonden en dat Hij ook weer zal opstaan uit de doden. De zekerheid dat Hij Zijn werk in gehoorzaamheid aan God de Vader heeft volbracht als een wonderwerk van genade. Als het werk dat ons voorstellingsvermogen te bovengaat, en dat daarom geloof vraagt om te kunnen worden aanvaard. De Here heeft op Goede Vrijdag en Pasen het doel waarvoor Hij op aarde was gekomen, grotendeels bereikt. Hij heeft de basis gelegd voor Zijn grote herscheppingswerk. Dat werk is nog niet af. Hij gaat dat nu door Zijn Geest verder uitvoeren. Het moet nog Hemelvaart worden en Pinksteren. Het evangelie van genade, verlossing, opstanding en het eeuwige leven moet ook nog over de wereld worden verbreid. Vele uitverkorenen moeten nog tot geloof komen. Daar is de Here op uit, dat hoort tot Zijn vervolgwerk, dat na Pasen moet worden uitgevoerd.

Maar de volgelingen van Christus hebben dit alles nog niet begrepen. Ze hebben het niet kunnen aanvaarden, dat hun Here moest lijden en sterven. En daarom kunnen ze nog niet in geloof bedenken dat Hij ten derde dage zou opstaan uit het graf. Ja, de Here had hen het wel allemaal voorzegd. Nadrukkelijk en herhaaldelijk. Meerdere malen. Maar het was niet tot hen doorgedrongen. Er waren blokkades geweest in hen, om deze onvoorstelbare weg van verlossing te accepteren. Dat ongeloof moet nog bij hen nog worden weggenomen. En daarom is deze periode een onzekere. Ze hebben van Hem gehouden, en ze wilden Zijn lichaam nog vol liefde verzorgen. Maar nu lijkt alles ten einde. Hun hoop is vervlogen. Hun geloof in Hem als de Messias lijkt stuk te zijn gelopen. Dat geldt voor hen allemaal. Voor de vrouwen, maar ook de discipelen.
Maria van Magdala heeft heel veel te danken aan Jezus. Ze was door Hem verlost van zeven boze geesten. Ze was de Here zielsdankbaar geweest en was Hem overal gevolgd. Zij bevond zich ook onder de Galilese vrouwen die Jezus volgden en Hem naar haar vermogen bijstonden. Ze wordt genoemd met andere vrouwen bij het kruis die uit de verte toekeken. De vrouwen die ook bij het graf nog toezagen, hoe de Here daarin gelegd werd. En nu is Maria op de ochtend van Pasen al heel vroeg opgestaan om als één van de eersten weer naar het graf te gaan. Om Zijn dode lichaam te verzorgen.

Wenende

Wanneer ze dan met een eerste snelle blik ziet dat de steen is afgewenteld, is ze in verwarring teruggesneld naar Simon Petrus en Johannes. Aan hen geeft ze de mededeling: “ze hebben de Here weggenomen uit het graf en wij weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.” Maria is dan helemaal overstuur. Eerst had ze met haar eigen ogen op afstand haar dierbare Meester zien overlijden. Het heeft haar bijzonder veel pijn gedaan. Haar dierbare meester was haar ontnomen. En daarna wilde ze Hem haast niet alleen laten: tot laat is ze bij het graf gebleven. Om alleen voor de nacht naar huis te gaan. En dan weer ’s morgens vroeg naar Hem toe. Om Hem te balsemen. Dat leek het minste wat ze nu nog kon doen voor haar Meester: bij Zijn lichaam zijn om Hem de laatste eer te bewijzen.
Het handelen van Maria is oprecht en getuigt van ware liefde. Maar wat ook haar ontbreekt is, dat ze geen gelóóf heeft in de woorden die de Here had gesproken. En daarom heeft ze ook geen oog voor Wie de Here werkelijk was en is, en wat Zijn werk werkelijk moet zijn. Ze had teveel voor ogen een intieme relatie met haar Meester. Een relatie die nu ten einde lijkt te zijn gelopen. Met haar hele leven hing ze aan Hem, maar dat geluk is nu geëindigd.
En nu is ze na Petrus en Johannes opnieuw naar het graf gegaan. Benieuwd wat zij ervan vinden. En met de bedoeling om misschien nog te kunnen zoeken waar het lichaam van de Here zou zijn neergelegd. Zo staat ze dan huilend voor het lege graf. En slaat er voor het eerst een blik in. Haar ogen gaan naar de plaats waar zij Hem de avond tevoren nog heeft zien neerleggen.
Maar dan ziet ze daar 2 personen. Eén op de plaats waar Zijn hoofdeinde is geweest en één op de plaats waar Zijn voeteinde is geweest. Het zijn engelen. Engelen die in blinkend wit gekleed zijn. Hemelse boodschappers in heilige kleren. Dat zou voor Maria toch heel verrassend moeten zijn geweest. Maar Maria’s opmerkingsvermogen is omfloerst door haar bittere verdriet. Kennelijk merkt Maria niet op dat de gedaanten die ze ziet, engelen zijn. Ze reageert niet verschrikt. Maar ze reageert ook niet blij verrast op hun verschijning.
De engelen spreken haar dan aan. “Vrouw waarom huilt u?” In die vraag schuilt een licht verwijt. Vrouw, het is nú toch niet meer het moment om bedroefd te zijn! Hoe is dat nou mogelijk bij zo’n groot wonder dat uw Heiland is opgestaan en de dood heeft overwonnen? Daar past toch geen geween bij?

Rabbouni!

Maar Maria is helemaal in beslag genomen door wat haar al die tijd bezig houdt:
“ze hebben mijn Here weggenomen, en ik weet niet waar zij Hem neergelegd hebben.” Ze ziet Jezus nog steeds eerbiedig als ‘Here’, als Meester. ‘Mijn’ Here: wat zou ze graag dicht bij het lichaam van haar Here zijn. Dat zou haar tenminste nog wat troost geven in haar grote verdriet.
Als ze zich vervolgens omdraait en de Here Zelf bij zich ziet staan, herkent ze Hem niet. Waarschijnlijk omdat ze door verdriet overweldigd is. Van Hem krijgt ze dan de zelfde vraag: “vrouw, waarom huilt u”? Maar dan vervolgens uitnodigend: “wie zoekt u?”
Nog herkent Maria haar Here Jezus niet. Ze denkt dat het de tuinman is en vraagt Hem of Hij misschien de Here heeft weggedragen. Ze voegt er aan toe, dat ze Hem dan wil wegnemen. Ze is helemaal beheerst door de gedachte om bij het dode lichaam van haar Here te willen zijn. En als de Here haar bij haar naam noemt in het oorspronkelijke Aramees, “Maria”. Dàn, op deze zeer persoonlijke aanspraak die haar in haar hart raakt, dàn pas herkent ze de Here Jezus en keert ze zich naar Hem om. En dan spreekt ze Hem aan met een naam die getuigt van haar bijzonder grote achting: Rabbouni, Meester! Rabbouni lijkt op Rabbi, maar wordt slechts van personen met bijzonder grote eerbiedwaardigheid gebruikt, of ook voor God Zelf. Gróte meester!
Waarom herkende Maria Jezus niet eerder? In ieder geval is duidelijk dat ze Hem totaal niet verwacht. Haar waarneming is als het ware verblind door haar ongeloof. In deze hof verwacht zij zo eerder een tuinman. Het kan ook zijn dat de Here Jezus in Zijn verheerlijkte staat er iets anders uitzag. Maar in ieder geval verschijnt Hij haar wel als mens.

Houd Mij niet vast

Als Maria dan haar Here tenslotte toch herkent, grijpt ze Hem naar de voeten. Dan volgt een uitspraak van de Here met een bijzondere betekenis, die Hij ook verder uitwerkt in vers 17.
“Houdt mij niet vast!” zegt Jezus tot haar. Betekent dat dat Maria Hem niet mag aanraken? Wil dat zeggen dat de Here in Zijn verheerlijkte toestand zó heilig is dat een onheilig mens Hem nu niet meer te na mag komen? Nee, want dat wordt aan anderen wel toegestaan. Denk maar aan Thomas, die Zijn hand in de tekenen van Zijn handen en Zijn zij mag steken. Ze mag Hem wel aanraken. Maar ze mag Hem niet vasthouden, niet tegenhouden op Zijn weg. Ze mag Hem niet voor zichzelf opeisen. Ze mag die oude verhouding tussen Meester Jezus en Maria niet herstellen. Om weer met elkaar op te trekken, waarbij zij Hem weer kon dienen van nabij. Waarom mag dat niet?
De Here Jezus wil bij Zijn opstanding niet terugkeren naar Zijn werkopdracht van vóór Zijn sterven. Die opdracht heeft Hij voltooid. Hij is nu op weg naar de volgende stap in het grote verlossingswerk. En dat is de stap naar de Hemelvaart en Pinksteren. Hij heeft nu de satan en de dood overwonnen. Hij zal nu door Zijn Vader in heerlijkheid verhoogd worden! En daar moet en wil Hij haast mee maken. Ter wille van Zijn Vader. En ter wille van de komst van het rijk van Zijn Vader, dat ook het rijk van Hem zal zijn. Het koninkrijk der hemelen. Daarvan mag Hij nu koning zijn. Priester-koning. Na Zijn opstanding in heerlijkheid, zal Hij daartoe bij Zijn Vader nog meer heerlijkheid ontvangen.
Maria heeft in haar ongeloof niet door gehad, dat de Here Jezus zou opstaan. Maar nu ze Hem gezien heeft, mag ze niet bij haar ongeloof blijven. Ze moet inzien dat de Here als Christus in Zijn koninklijk ambt nu ook verder moet gaan. Ook zij moet beseffen dat de Here Jezus pas goed kan terugkeren als Hij Zijn Geest zal kunnen uitstorten vanuit de hemel. En dat Christus eerst naar Zijn Vader moet gaan om dat te bewerken. Maria mag niet blijven staan bij het oude dat onvolkomen is. Ze moet als discipelin van Christus leren inzien dat Christus Zijn werk moet afmaken. Gehoorzaam aan Zijn Vader en in liefde tot Zijn Vader. Alleen zo kan er echte vreugde en blijdschap zijn over de opstanding van Christus. Ja, eeuwige vreugde en straks volmaakte blijdschap.
(wordt vervolgd)