Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Christelijk feestvieren

Jaargang: 
1
Datum: 
14 nov. 2007
Nummer: 
40
Schrijver: 
Ad.J. Koekkoek
ID:
179
Rubriek: 

Kunt gij soms de bruiloftsgasten laten vasten terwijl de bruidegom bij hen is? Doch er zullen (andere) dagen komen, en wanneer de bruidegom van hen weggenomen is, dan zullen zij vasten. Luc. 5:34


In de evangelien wordt enkele keren verteld over de aanwezigheid van Jezus bij feestelijke gelegenheden. Daarbij denken we niet aan de godsdienstige feesten, zoals het Pascha, maar aan bijzondere dagen in het leven van gewone mensen. De bruiloft in Kana (Joh. 2:1-11) is daarvan een goed voorbeeld, maar ook de feestelijke maaltijd die Levi organiseerde ter gelegenheid van zijn opname in Jezus kring van leerlingen (Luc. 5:29).
Verder had onze Here er geen moeite mee, te eten met tollenaars en zondaars. Die zochten Hem op en luisterden graag naar Hem (Luc. 15:1, 2). Wanneer Hij op hun uitnodiging inging, bood Hem dat een goede gelegenheid om het evangelie te verkondigen.
De Farizeeen en Schriftgeleerden hadden daar moeite mee. In Luc. 15 lezen we, hoe de Heiland hen een drietal gelijkenissen voorhoudt, die telkens uitlopen op de grote blijdschap die het vinden van het verlorene geeft, of dat nu is een zoekgeraakte munt, een verdwaald schaap, of een ontspoord kind.
De leerlingen van Johannes vormden een speciale groep bezwaarden. Hun leermeester had Israel opgeroepen tot boete en bekering, en dat had bij hen geleid tot een sobere levensstijl, waarbij de praktijk van het vasten een ruime plaats innam, net als bij de Farizeeen. Voor feestelijk samenzijn bleef daarbij weinig of geen ruimte over.
Maar daar bleven velen blijkbaar in steken. Ze dachten dat het dààr nu alleen maar om ging: om boete en berouw en om strenge wetsvervulling en wetsbetrachting, en ook om vasten en soberheid en diepe levensernst. Ze waren een apart groepje gaan vormen. Dat ging zover dat ze uiteindelijk tegenover de Messias kwamen te staan, om zijn in hun ogen losse manier van leven. Want waar bleef bij Jezus nu de nodige soberheid? Het oordeel was toch aanstaande? Lag de bijl niet aan de wortel van de bomen? Zou de dorsvloer niet van alle kaf gezuiverd worden?
Maar ook in dit geval staat in het antwoord van Jezus de blijdschap centraal. De bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten, als de bruidegom nog bij hen is?
Jezus typeert zichzelf met deze woorden als de Bruidegom, die tot de bruid, zijn kerk is gekomen om met haar de bruiloft van liefde en genade te vieren. Op zo n feest praten we toch niet over vasten? Dat past niet bij elkaar.
De levensinstelling van de leerlingen van Johannes en ook van de Farizeeen is hiermee veroordeeld. Want de gedachte die er achter ligt, is die van eigen verdienste en gerechtigheid door het strikt onderhouden van wel vroom bedoelde maar zelf gevonden regels. Maar met Jezus komst is een andere, een nieuwe tijd aangebroken. De manier waarop de Joden hadden geleerd met de wet om te gaan, is volledig achterhaald. Kenmerkend voor de nieuwe tijd is dat de wet in ons verstand wordt gelegd en in ons hart wordt geschreven (Hebr. 8). En om aan die nieuwe bedeling deel te krijgen, is alleen maar nodig geloof in de genade en verlossing om niet, die Jezus en zijn apostelen prediken. Maar dan ook niets meer. Ook niets minder trouwens. Daarom is het feest. Dat onderstreept Jezus door zijn tegenwoordigheid bij bijzondere en feestelijke gelegenheden. Blijdschap om elke zondaar die zich bekeert. Geestelijke vreugde in de verlossing, die zijn neerslag vindt in blij en feestelijk samenzijn.


De reformatie van het feest


Nu voegt Jezus hier nog iets aan toe: Doch er zullen (andere) dagen komen, en wanneer de bruidegom van hen weggenomen is, dan zullen zij vasten.
Het is niet nodig, lang te discussieren over de betekenis van deze woorden. We kunnen bij dit weggenomen worden van de bruidegom wel denken aan de gevangenneming van de Here, zijn kruisiging en begrafenis, gebeurtenissen die de discipelen in diepe rouw dompelden. Maar de Here moet hier wel speciaal gedacht hebben aan zijn heengaan naar de Vader, aan zijn hemelvaart. Toen moesten zijn discipelen Hem voortaan missen. Dat gemis blijft voelbaar en maakt dat de gemeente voortdurend uitkijkt naar zijn terugkomst.
En wat wordt dan met dit vasten bedoeld?
We sluiten ons graag aan bij de verklaring die S. Greydanus hiervan geeft in de Korte Verklaring


    Het wezen van het vasten zit niet in onthouding van spijs en drank, maar in leed en droefenis over het missen van s Heeren nabijheid, en het verlangen des harten naar Zijne verschijning.


Toch stuiten we hier op een moeilijkheid. Terecht valt te wijzen op het verdriet van de discipelen bij het heengaan van hun Meester. Toch is dit verdriet maar tijdelijk. We denken aan de vreugde na de opstanding, aan de blijdschap waarmee de discipelen na de hemelvaart terugkeerden naar Jeruzalem, aan de komst van de Heilige Geest, de beloofde Trooster. En we horen de apostel Paulus in zijn brieven geregeld oproepen tot blijdschap. De brief aan de Philippenzen staat er als het ware vol mee. Ook valt te wijzen op de positieve houding van deze apostel tegenover al het aardse, bijv. in zijn eerste brief aan Timotheus (4: 4). Ook roept deze apostel nergens op tot vasten, en staat hij nogal kritisch tegenover broeders die dat wel doen.
Dergelijke gegevens uit de Schrift hebben nog al eens tot een groot optimisme geleid met betrekking tot de christelijke levenshouding. Het werd gereformeerde mensen vroeger wel voorgehouden dat er voor een christen eigenlijk niets in de wereld is, dat hij niet gebruiken en genieten mag. Was dat niet achttien karaats calvinistisch? Alles is immers het uwe, en gij zijt van Christus. En men haalde graag de uitspraak van A. Kuyper aan: Daar is in het hele mensenleven geen duimbreed, waarvan Christus die aller Soeverein is niet zegt: Mijn! Moesten we als calvinisten niet het hele mensenleven en alle cultuur veroveren voor Christus?
Deze optimistische houding werd mooi verwoord in een opstel getiteld Levenswaardering, van S. G. de Graaf, een gereformeerd predikant die leefde van 1889-1955. Hij schreef het in 1937.


    Als we de vrijmaking van het leven door Jezus Christus en door Zijn Geest gelooven, zién we van die vrijmaking toch ook iets, zien we iets van wat Hij zag, toen Hij zeide: Ik zag den satan als een bliksem uit den hemel vallen. Het komt hier aan op de geloovige instelling op het leven. Dan kunnen we het nog genieten. Dan zullen we bijv. niet zeggen, dat christelijk fuiven een onmogelijkheid is. En dan zullen we het ook gebruiken om invloed te oefenen, om ons te geven tot de vrijmaking van het leven zelf.


Ds. De Graaf heeft zeker gelijk als hij er in dit opstel op wijst dat de Bijbel vol is van levensaanvaarding, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. Maar toch, het hele leven vrij te maken, te reformeren, dat valt niet mee, zoals hij zelf ook zegt. Want we moeten ons wel afvragen of wij dat wel aankunnen. Omdat we die vrijheid in Christus zo gemakkelijk gebruiken tot een excuus voor de natuurlijke mens, voor het vlees. Het verlangen naar macht en invloed, naar de grote aantallen en de hoge kijkcijfers gaat dan overheersen. Dan gaat het fout. Wat is er terecht gekomen van dat verlangen, invloed uit te oefenen op alle levensterreinen? Wat is er terecht gekomen van alle christelijke actie, van het gereformeerde organisatieleven, van de evangelische instellingen zoals de EO?
Er is in onze dagen weinig reden meer voor het optimisme dat we bij ons voorgeslacht vonden. We moeten het De Graaf toestemmen: reformeren valt niet mee.
In onze levenspraktijk worden we daar immers nog steeds mee geconfronteerd. Christelijk fuiven mag dan in de woorden van De Graaf geen onmogelijkheid zijn, eenvoudig is het niet. Omdat juist dan de begeerten van het vlees zich laten gelden in de zonden van de tong, onmatigheid van eten en drinken, seksuele begeerte en noem maar op. Van Job lezen we dat hij telkens als zijn zonen en dochters een feestmaal hadden gehad, hen bij zich ontbood en hen heiligde; hij stond dan des morgens vroeg op en bracht voor ieder van hen een brandoffer, want Job dacht: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd en in hun hart God vaarwel gezegd. Zo deed Job altoos weer.
Laten wij hem navolgen, en onszelf en onze kinderen opdragen aan de Here, op grond van het offer dat onze Heiland heeft gebracht. Eigenlijk hoort dat bij een feest, zolang het definitieve feest nog niet is gekomen. Het zou immers kunnen zijn dat zij en wij God zijn vergeten.
Want we zijn er niet wanneer we de kerk hebben gereformeerd. We hebben ons zelf te reformeren, en dat is een opgave die ons hele leven doorgaat. Die reformatie is telkens weer nodig wanneer wij los dreigen te raken van de liefde tot onze Here Jezus Christus en de gehoorzaamheid aan Hem.
Daardoor verdwijnt niet alle blijdschap uit dit leven. De vreugde in de dingen van deze aarde, het genieten van Gods goede gaven, het mag allemaal. Maar ze blijven betrekkelijk, zolang Hij nog niet terug is.
De noodzaak blijft, ons voortdurend te richten op de vereniging met Hem. Niet gehecht te raken aan de dingen en mensen-van deze wereld. In die zin blijft het nodig te vasten; dit leven, ook met zijn feestelijke gelegenheden, is het ware niet.
We blijven toeleven naar de bruiloft van het Lam. Zalig zij die voor dat feest uitgenodigd zijn (Op. 19:9).