Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Calvijn als profeet van Christus in Nederland (3, slot)

Jaargang: 
4
Datum: 
21 apr. 2010
Nummer: 
15
Schrijver: 
M. Dijkstra
ID:
660

Vandaag ons laatste artikel in de serie over het werk van Calvijn als profeet in de Nederlanden. In het vorige artikel stonden we stil bij de persoonlijke invloed van Calvijn op de reformatie in de Nederlanden. We zagen dat die invloed door persoonlijk contact van Nederlanders met Calvijn tot stand kwam. In de tweede plaats door Calvijns geschriften. Vervolgens ook door adviezen van Calvijn. Ook zagen we hoe Nederland zijn ontstaan ‘dankt’ aan het calvinisme. We concludeerden dat de invloed van Calvijn vooral indirect via de vluchtelingenkerken in het buitenland naar de Nederlanden kwam. Als laatste stelden we vast, dat de kerken in de Nederlanden het oecumenisch fundament tot grondslag hadden aangenomen als leer van de kerken. Deze leer belijden wij vandaag nog steeds als fundament van de kerk. Over dat belijden en het vasthouden aan dat fundament willen we nu nog spreken.
In de eerste twee artikelen stonden we met name stil bij ‘Calvijns persoonlijke invloed op de reformatie in de Nederlanden’. In dit artikel kijken we naar het in het eerste artikel genoemde tweede punt:
2. De doorwerking en uitwerking van Calvijns invloed in de Nederlanden tot vandaag toe.

Ongefundeerd fundament?

Al vanaf de 16e en 17e eeuw was er strijd om het teruggevonden fundament van de kerk. Men had toen te strijden tegen het remonstrantisme. In de 19e eeuw, voor en ten tijde van de Afscheiding, brak een strijd los die ging om het fundament van de kerk, zoals we dat in de eerste twee artikelen hebben vastgesteld. Men ging het calvinisme zien als vreemde indringer. Als dat zo zou zijn, zouden de gevolgen voor de kerk groot zijn. Want het aan het slot van het tweede artikel genoemde verband tussen kerk – calvinisme – Woord van God is dan onjuist. Dan zou de Gereformeerde Kerk op een onjuist fundament staan.
Het ging in die strijd om de loochening van de reformatie samen met het calvinisme als terugkeer tot het Woord van God. Men was liberaal en vrijzinnig in die dagen en roemde Erasmus als de grootste man van zijn tijd. Maar nog erger: hij zou staan bóven Luther en Calvijn als de grootste hervormer van de kerk! Zo zou de reformatie oorspronkelijk van Erasmus en Zwingli uitgaan. Het calvinisme zou geen eerstgeboorte recht hebben in ons land.

Calvinisme wél eerstgeboorterecht

Hofstede de Groot, de tegenstander van de Hendrik de Cock, sprak zo. Hij stelde dat mannen als Thomas à Kempis de grondslag van de reformatie zouden hebben gelegd in de 15e eeuw. De reformatie zou niet calvinistisch van karakter zijn. Het zou in de 16e eeuw als iets nieuws zijn ingevoerd in de Nederlanden. Met name door de Groninger School werd deze visie gebruikt om theologische problemen op te lossen als: het recht van afscheiding in 1834, ter fundering van de ethische richting, ter afwijzing en terzijdestelling van de Dordtse kerkenorde en de Canones van Dordt.
Door onderzoek is aangetoond, dat de reformatie wel voor Calvijn is begonnen, maar dat die niet is belemmerd door Erasmus of anderen, maar veeleer is bevórderd. Alle eerdere bewegingen hebben niet geleid tot de reformatie van de kerk. Ze bereiden juist de reformatie voor. Maar het bréken met het Roomse instituut om te komen tot de vorming van een zelfstandige kerk is aan het calvinisme te danken. Zo toont ook F.L. Rutgers aan dat het karakter van de reformatie in de Nederlanden niet het humanisme, zwinglianisme of iets anders is, maar het beginsel dat al vroeg alles overwon, dat in het calvinisme aanwezig was en openbaar werd, namelijk: erkenning van Gods soevereiniteit, onvoorwaardelijke onderwerping aan de Heilige Schrift, diepte in de opvatting van de waarheid, klaarheid in haar formulering en de onbeperkte toepassing op het leven.

Afscheiding: wederkeer tot het fundament

In deze strijd om het fundament van de kerk, zoals dat door de synode van Dordt 1618/19 was vastgelegd, wilde men af van de gereformeerde leer, van het calvinisme. Men verbrak de band tussen kerk – calvinisme – Schrift, om eigen inzichten te kunnen handhaven. Dit was niets anders dan loochening van de reformatie en terzijdestelling van het fundament van Dordt. Calvijn ‘zorgde’ bij De Cock weer voor opbloei van het kerkelijke leven, door zijn Institutie. Het calvinisme kwam na donkere jaren weer te voorschijn en daarmee ook het oude oecumenische fundament. Zo sprak Calvijn toen weer profetisch!
De afgescheidenen wezen steeds op het verschil in fundament met de Hervormde kerk. Zo konden ze zich alleen handhaven als geesteskinderen van Calvijn en de Reformatie. Het beroep op dat fundament, dat het eigendom van de kerk was, was van groot belang. Het was de vraag om terugkeer op grond van Gods waarheid naar Dordt! Men nam de draad van de historie weer in handen. Met de leus “terug tot de Canones” heeft de Cock zijn reformatorische actie ingezet. Daar lag toen de kern van de zaak. Het ging hier om DE basis van Dordt. De mensen gingen de kerk toen weer houden aan haar eigen ‘papieren’!

Worsteling om de erfenis

Arbeiders en predikanten gingen samen in de bediening van het ambt aller gelovigen, zoals dat door Calvijn weer in ere is hersteld. In de strijd om Dordt rondom de Afscheiding werd de worsteling om de erfenis van Calvijn zichtbaar. De kerk kwam door herstel van het oude fundament en de zuivere leer weer tot leven. De mensen gingen hun profetische taak weer verstaan. Er kwam weer bloei in het kerkelijke leven.

Verdere doorwerking

Maar de worsteling om Calvijns erfenis woekerde verder. Dat bleek ook in de jaren 20 – 40 van de vorige eeuw. Men bevond zich toen op een tweesprong. Want er waren vooraanstaande mensen die het niet zo nauw meer namen met de kerkelijke besluiten en belijdenis. Daardoor kreeg men meer ruimte om de leer van Kuyper over de pluriformiteit van de kerk te handhaven. Dat werkte door in organisaties als de Calvinistenbond, waar ook niet-gereformeerden lid van konden worden en zelfs calvinist werden genoemd.

K. Schilder

Hiertegen kwam K. Schilder in het geweer. Hij vond het onbegrijpelijk, dat men in de kérk iemand schorste (zoals Geelkerken), vanwege zijn leer die in strijd met Schrift en belijdenis was, om hem vervolgens later als calvinist binnen te halen in de Calvinistenbond. Schilder stelde dat men iemand die buiten de kerkelijke gemeenschap was gezet, niet behoorde te begroeten als cálvinist. Het ging ook hier om de eenheid tussen Kerk – calvinisme - en de Schrift. Om de eenheid van leer én leven, van kerk én praktijk. Schilder kwam op voor het fundament van de kerk. Hoe kon je in de praktijk met allerlei soort christenen of calvinisten een schijnbare eenheid vormen, terwijl je kerkelijk gedeeld bent. En zelfs niet eens op hetzelfde fundament van Dordt staat! Er was sprake van grove devaluatie van de kerkelijke papieren!
Deze strijd escaleerde en liep ook door de leeruitspraken en schorsingen uit op de Vrijmaking in 1944. Deze hele geschiedenis heeft dr. W.G. de Vries verwerkt in zijn proefschrift: Calvinisten op de tweesprong. De centrale vraag was destijds: kun je iemand die openlijk afwijkt van het fundament van de kerk calvinist, dat is christen, noemen? In deze relativering zien we de worsteling om de erfenis van Calvijn weer terug. Na de Vrijmaking kwam de dezelfde strijd tegen interkerkelijkheid en de oecumenische beweging. De pluriformiteitsleer van Kuyper viert hoogtij...

Vandaag

De pluriformiteitsleer heeft inmiddels vaste plaats weten te krijgen in het kerkelijk bestel van Nederland. De gevolgen zijn overal terug te vinden. In het openstellen van de gereformeerde organisaties voor andere kerken. In de omslag van het Nederlands Dagblad. Overal ziet men ‘de kerk’. Overal ziet men christenen, broeders en calvinisten. De één is alleen maar lid van een ander filiaal van de kerk. Van een andere traditie. Maar over wat zo’n ‘broeder’ dan daadwerkelijk belijdt en of er eenheid in belijden is, spreekt men niet. Waar Schilder en anderen tegen gevochten hebben, de relativering van kerk en belijdenis, is in 60 jaar tijd overboord gegooid.
Daarom wil ik de vraag stellen: degenen die zich vandaag graag calvinisten noemen, zijn die deze naam wel waard? Mogen zij zich inderdaad geestverwanten noemen van Calvijn? Staande op hetzelfde fundament? Houden en bewaren zij de eenheid van kerk – calvinisme ?Woord van God vast? We zullen steeds de kerk moeten houden aan haar belijdenis, aan haar fundament, aan de erfenis van Calvijn. En dat is niet gemakkelijk. Dat zal een worsteling zijn voor de geesteskinderen van profeet Calvijn. We zullen moeten strijden voor een eensgezind front. Ook kerkelijk!

Bavinck proféteert, profíteert de kerk?

Bavinck heeft uiterst scherp gezien wat deze worsteling betekende. Hij schreef in 1896 al:

    “het laat zich aanzien, dat het Calvinisme ook in de toekomst tot nog ernstiger strijd zal geroepen worden. [...] Het christendom staat tegenwoordig meer dan ooit onder den invloed der heerschende philosophie. Het wijzigt zich naar de meeningen van den dag. Het leidt de geesten niet, maar wordt geleid. [...]De vraag, voor welke de Christelijke religie en ook het Calvinisme zich geplaatst ziet, is deze, [...] of het ook in deze machtige eeuw zich zal kunnen handhaven tegenover die gansche cultuur welke steeds verder van alle religie zich emancipeert, en alzoo zo ook voor het geslacht der toekomst tot zegen zal kunnen zijn.”

Zo blijken de woorden van Bavinck uiterst actueel te zijn. Het tekent weer iets van die worsteling om de erfenis van Calvijn. Hoe kan de christelijke religie en het calvinisme zich handhaven? Doordat wij vandáág vasthouden aan het oecumenisch fundament van de kerk! Dat is de leer van de apostelen en profeten (vgl. Ef. 2). Daarin zijn we dan ware navolgers van Calvijn. Calvijns oecumenische betekenis is voor ons ook ten voorbeeld: hij heeft de samenbindende kracht van het oecumenisch evangelie erkend en daardoor heeft hij geappelleerd op de gewetens van de gelovigen. En dat Evangelie is ons meetpunt en norm. Ook voor onze Calvijnherdenking. Opdat het geen Calvijnroes worde!

Calvijns oecumenische betekenis

Calvijns oecumenische betekenis voor ons vandaag ligt hierin: dat wij in zijn voetspoor blijven werken voor de echte oecumeniciteit. Dat betekent: Gods Woord gaat boven vriendschap en bloedsbanden. We spreken duidelijke taal, opdat ieder weet wat hij aan ons heeft. Dat betekent ook Gods Woord staat boven meningen van mensen. Zo blijkt Calvijn vandaag nog als profeet van de verhoogde Christus te spreken. Nu niet meer persoonlijk, maar wel door zijn werk en volgelingen. Zij, die trouw vasthouden aan dat oecumenisch fundament. Dat betekent ook dat we de hand reiken aan iedereen die met ons één in geloof is op grond van de Canones van Dordt. Dat zal waar oecumenisch zijn. Zo zullen we weer dragers zijn van het geloof van de kerk, kinderen van de Reformatie, opgenomen in het oecumenisch christendom.

[Hartelijk(e) dank

Ik kom tot een afronding en gebruik daarvoor een citaat van K. Schilder die in 1917 schreef:

    “Viering van kerkhervorming. Men wil gedenken! Maar worden we niet verlegen met onszelf? Als we sámen belijden willen, sámen danken, sámen bidden, dan moet er toch eenheid zijn in wat we belijden. [...] Dan moet men in kerkhervorming zien een zegen van God; maar dan zo, dat die zegen voor alle ‘herdenkers’ in hetzelfde gelegen is. [...] De rechtzinnigen zullen, willen ze eerlijk zijn, aanstonds moeten tegenwerpen, dat de vrijheid die de modernen zich willen veroorloven, evenmin door de reformatie is bedoeld, ja, dat ze de reformatie zelf verloochent. Want Luther en Calvijn hebben zich vrijgemaakt van het menselijke woord, maar: om zich des te vaster te binden aan het goddelijke woord. [...] Kortom, hij zal wijzen op de noodzakelijkheid der zuivere leer en anderen tegenwerpen, dat wie de leer verwerpt, de grondslag van zijn leven prijsgeeft. [...] Wij zullen vooral eerlijk moeten zijn. Eerlijk voor de mensen; bovenal voor God.
    En daarom moeten we m.i. maar afspreken, dat we bij het komende reformatiefeest niet arm in arm met mensen, die de reformatie geheel anders zien dan wij, dansen om de reformatorische revolutieboom, maar ieder in eigen kring God danken voor wat wij menen als zegen van God in Luthers en Calvijns (toevoeging M.D.) werk te mogen aanmerken. Want zo danken we met het hart en niet alleen met de lippen.”