Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Calvijn - Prediker

Jaargang: 
1
Datum: 
19 sep. 2007
Nummer: 
32
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
134
Rubriek: 

We schrijven nog een keer over Calvijn, nu als prediker. Er is enorm veel gepubliceerd over de prediking van Calvijn en dit artikel in ons kerkblad is niet meer dan een vingerwijzing naar wat de prediking van Calvijn voor ons vandaag betekent.

Inhoud

Er zijn vandaag theologen die vanuit de hoogte oordelen over de betekenis van Calvijn, zijn exegese en zijn prediking. Dat zou een gepasseerd station zijn, niet meer van belang voor onze tijd, nu immers, zoals men beweert, in de prediking de hoorder in beeld moet komen.
Over het algemeen is van de hoofdinhoud van Calvijns preken, namelijk 'God roept ons tot Zijn dienst' weinig meer overgebleven bij degenen die een moderne preekstijl propageren en toepassen.
In het volgende schrijf ik eerst iets over het voorhanden zijnde materiaal van de prediking van Calvijn. Daarna over zijn tijd en het karakter van zijn prediking, onder andere over de vraag of die wettisch is te noemen. Dan nog over de hoorders en hoe zij betrokken waren op de prediking en de inhoud van Calvijns preken. Tenslotte over de oproep tot bekering in die prediking.

Materiaal

Calvijn heeft een enorm aantal preken gehouden. Om de andere week preekte hij dagelijks. Alle zondagen twee keer. Daar komt bij dat hij driemaal per week een theologische lezing hield, hij hield zijn betoog in de kerkeraad en gaf alle vrijdagen als het ware een hele les, in de bijbelbespreking die de congregatie genoemd werd.
Hij heeft deze gang zonder onderbreking volgehouden tot zijn dood en nooit heeft hij een keer overgeslagen, behalve wanneer hij erg ziek was. Zijn overige uren waren bestemd om brieven te schrijven en te beantwoorden die bij hem binnenkwamen uit alle streken van de christenheid. Dan zijn te noemen alle commentaren die hij schreef over de hele Bijbel, met uitzondering van Openbaring. Dat betekende voor hem heel veel nachtwerk en dat ondanks zijn zwakke gezondheid.
Dit alles hield in dat hij tien verschillende preken moest maken in twee weken. Het was dus onmogelijk om zelfs maar een halve dag uit te trekken voor de voorbereiding van een preek. Het gevolg was dat hij zijn preken niet uitschreef, al bereidde hij zich steeds wel goed voor en ging beslist nooit onvoorbereid de preekstoel op. Er zijn dan ook maar weinig uitgeschreven preken van Calvijn die voor publicatie geschikt waren. Wel was het zo dat zijn preken stenografisch zijn opgenomen door een van zijn toehoorders. Op deze manier zijn tot aan de negentiende eeuw 2300 preken bewaard. Dat waren ongeveer 44 zorgvuldig gebonden delen. Maar door een misdadige domheid van de bibliothecarissen ging men ze verkopen voor de prijs van oud papier. Heel gelukkig dat er een aantal van hersteld kon worden. Op het ogenblik bezitten wij er nog 1500 van.
Hij hield er niet van dat verslagen van zijn preken uitgegeven werden, omdat hij zijn preken hield voor de eenvoudigen en hij dus ‘simpelweg en ongekuist heeft gepreekt, om zich aan te passen aan de ruigheid van het volk, zonder omhaal of fraaie inkleding'. Kortom, hij wenste dat zijn preken niet verder gehoord zouden worden dan in zijn schaapskooi.
Toch zijn dus indertijd wel preken uitgegeven, bijvoorbeeld over 1 Korintiërs, Melchizedek, de predestinatie, 1 en 2 Timotheüs, Efeziërs.
Voor wie zich wil verdiepen in Calvijns preken noemen we een uitgave: J.Douma en W.H. van der Vegt Het gepredikte Woord: Preken van Johannes Calvijn Franeker 1978.

Tijd

Uiteraard waren Calvijns preken gedateerd. Dat betekent dat zij gericht waren op de hoorders van die tijd en in die bepaalde stad Genève. Zo zei Calvijn eens: "Ik heb ook in ongeveer tien preken de interne verhoudingen van de stad besproken. Wat zal ik echter nader ingaan op dit labyrint?"
Ook deze mensen waren kinderen van hun tijd. Calvijn was somber gestemd over de toestand van het christendom in Europa: "het eren van God is bijna uit de hele christelijke wereld verdwenen! Waar we ook heen kijken, van alle kanten bedreigen ons zeer zware verzoekingen.... jullie bevinden je in een verdorven en beklagenswaardige natie; en hoewel er fatsoenlijke mensen zijn, is de natie verdorven en goddeloos".
In onze moderne tijd moeten wij dan ook nuchter zijn en vooral niet denken alsof de verwereldlijking alleen iets zou zijn van de laatste dertig jaar. In feite is de autonomie van de mens niet maar iets van de moderne tijd, maar dateert al uit het paradijs, waar de mens in de zonde viel van het zelf willen bepalen wat goed en kwaad is.
Het bijzondere van onze tijd is de intensivering van de opstand tegen God zoals de HEERE heeft voorzegd: "omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen” Mat. 24:12.

Karakter

Calvijn zag zichzelf als heraut van Gods majesteit. Dat is helemaal overeenkomstig de Schrift waar het karakter van Schriftgetrouwe prediking wordt uitgedrukt door het woordkerugma, dat betekent het werk van een heraut.
In de Zwitserse belijdenis (Confessio helvetica posterior) uit 1566 wordt dat zo uitgedrukt: “De prediking van Gods Woord is Gods Woord (Praedicatio verbi Dei est verbum Dei)”.
Deze belijdenis vormt de grondslag voor de reformatorische visie op de prediking. Dat betekent wanneer dit Woord vandaag door rechtmatig verkozen dienaren in de gemeente verkondigd wordt, geloven wij dat Gods Woord zelf verkondigd wordt en door de gelovigen ontvangen wordt.
Calvijn sprak zich er zo over uit:

    Bij God staat niets zo hoog aangeschreven als de prediking van het Evangelie. Want dat is Zijn Rijk, waardoor Hij wil regeren in deze wereld. De prediking is het middel om de mensen tot de zaligheid te leiden.... Maar wij weten nu dat God niets hoger acht dan Zijn eer, en zij bestaat vooral daarin, dat de mensen Hem kennen en dat de arme zielen tot de zaligheid geleid worden. Laten wij ons dan niet verbazen, wanneer onze HEERE wil dat Zijn Evangelie met zo'n ijver verkondigd wordt, dat er niets is wat de loop daarvan kan verhinderen. Want het enige middel, waardoor de mensen tot de zaligheid kunnen komen, is onderwezen worden in de leer van het Evangelie.

Het spreekt vanzelf dat deze woorden van kracht zijn voor alle tijden en alle preken. Wat is onze troost, onze verlossing, onze zaligheid in dit leven? Dat is de eer van God, het doen van Zijn wil. Het is dat wij in plaats van gebonden te zijn in de banden van de duivel door de prediking daarvan bevrijd worden.
De kracht van de prediking is dat onze zielen aan de dood worden ontrukt!
Naar die les van Calvijn moeten zowel de prediker als de hoorders luisteren.

Wetticisme?

In het jongste verleden, wanneer de prediking op deze wijze werd omschreven, werd geregeld het bezwaar ingebracht dat dat wettisch zou zijn. Vooral wanneer ten aanzien van praktische zaken zoals zondagsheiliging en huwelijk en echtscheiding de geboden van de HEERE scherp gepredikt werden (Heidelbergse Catechismus vr.115).
Dat verwijt trof ook Calvijns preken, namelijk dat hij een oudtestamentische wetsprediking geeft en Gods volk weer onder de wet stelt.
Maar daartegenover blijven wij eraan vasthouden dat zijn prediking voluit is geweest prediking van Gods genade. Immers, bij alle vermaningen die hij in zijn preken moest richten tot zijn hoorders, blijft hij hen aanspreken als gemeente van de Here Jezus Christus. Omdat Gods verlossende handelen het fundament van de gemeente vormt, kunnen de hoorders aangesproken worden op de verantwoordelijkheid die zij daardoor hebben ontvangen:

    Gods openbaring en bevrijdend handelen heft de verantwoordelijkheid van de mensen niet op: vanuit de Schrift weten wij welke weg ieder heeft te bewandelen. Daarom kunnen wij niet falen, op voorwaarde dat wij ons ten doel stellen God te gehoorzamen.... En omdat de duivel des te meer ontvlamd is en de goddelozen daartegen tekeer gegaan, moet God in ons werken; wat Hij doet, op voorwaarde dat wij Hem smeken en waakzaam zijn, dat wij van onze kant handelen en ons van onze taak kwijten.

Maar voordat wij tot dat smeken komen en onze roeping volgen, is de HEERE ons al voor geweest: Eer zij roepen, zal Ik antwoorden, zegt Hij.
Kortom, wat de HEERE van ons vraagt geeft hij mild en overvloedig. In het verbond is het moeten altijd tegelijk mogen.

Hoorders

De prediker moet als persoon terugwijken voor zijn roeping. Calvijn is altijd zeer terughoudend geweest over zichzelf: "Over mijzelf spreek ik niet graag". Zelfs in zijn honderden preken voert hij zichzelf slechts vijfmaal sprekend in met eigen ervaringen en overwegingen.
Calvijn sprak zijn hoorders aan als mensen, die met hun kinderen, erfgenamen mogen zijn van Gods verbond en van Zijn beloften. Daarbij wijst hij op de continuïteit, de rode draad die door de geschiedenis heen loopt tot in het heden van de hoorders. Zo bijvoorbeeld in de toepassing van de preek over de bedreiging van de apostelen door Sanhedrin:

    Wat Petrus en Johannes dus is overkomen, is niet eenmalig, maar onze HEERE heeft ons willen verklaren dat Hij, wanneer wij ons vertrouwen op Hem stellen, de goddelozen weet te verhinderen hun razernij ten uitvoer te brengen, zelfs als zij geheel tegen ons vergiftigd zijn

.
Niet de vrees voor mensen, maar de eerbied voor de HEERE en het aanvaarden van Zijn verlossing brengt tot het doen van het goede. Daarom, "wanneer wij grote problemen in de kerk zien, hoeven wij dat niet vreemd te vinden, omdat het altijd zo geweest is".
De hoorders mogen zich identificeren met de discipelen:

    Want wij moeten er niet op rekenen, dat wij vrijgesteld zijn van strijd, omdat allen die discipelen van Jezus Christus geweest zijn, door de wereld gehaat zijn.

Telkens weer moest Calvijn de gemeente vermanen en haar zonden aanwijzen, omdat zij in de ogen van Calvijn ver verwijderd was van het ideaal van Gods Woord en Wet. Dat riep bij sommigen verzet op tegen zijn preken: "Moet er zo geroepen worden? Zou het niet voldoende zijn, indien men ons zou zeggen wat wij moeten doen, zonder ons zo te steken?"
Die gemeenteleden wilden dus liever dat het behoud en de vergeving van zonden verkondigd zou worden, in plaats van dat zij bedreigd werden met het oordeel. Deze mensen wilden niets weten van de aansporing tot ootmoed, tot nederigheid. Calvijn noemt hen onbeschaamd. Volgens hen wijst deze houding aan dat er nog veel oud zuurdeeg van het vroegere leven onder het pausdom over is.
Tegelijk roept Calvijn de gemeente ook op om zijn preken te toetsen aan het Woord van God. Hij wijst erop dat de apostel ons oproept om de geesten te onderscheiden. Die toetsing van de boodschap die verkondigd is de roeping van de hele gemeente.
Calvijn baseert dit standpunt op de overtuiging dat de Heilige Geest niet alleen aan de predikanten, maar ook aan de gemeenteleden geschonken is. Dezelfde Geest Die de gave schenkt om te verklaren en het toe te passen, verleent ook de gave om kritisch te onderscheiden. Het betekent dat de gelovigen de stem van de Herder herkennen. Christus immers heeft gezegd: 'Mijn schapen volgen de vreemdeling niet, maar vluchten bij hem vandaan, omdat zij de stem van de vreemdeling niet kennen'. En Zijn oproep om zich te hoeden voor de valse profeten houdt in dat hun woorden getoetst moeten worden door degenen die hen horen, opdat uitgemaakt kan worden of zij al dan niet valse profeten zijn.

Kerkgang

Al te weinig wordt bij de gemeenteleden de bereidheid gevonden zelf de boodschap van de prediking toe te passen op hun leven. Velen weigeren de voorbeelden uit de Schrift toe te passen op hun eigen situatie: "O! Dat raakt ons niet; laat anderen er op letten, wanneer ze dat willen".
Calvijn wijst erop dat men de kerkgang niet dient op te vatten als een verplichting, zodat men na afloop slechts kan zeggen: 'Ik ben er geweest!' De prediking vraagt om verdere doordenking in de huizen van de mensen. Maar daar komt weinig van terecht, zodat Calvijn in een preek het volgende opmerkt:

    Hoe vaak roepen wij eigenlijk de inhoud van de preken in herinnering om daar ons profijt mee te doen? Hoe spreekt men daarover in de huizen? De meesten schijnt het toe dat het voor hen voldoende is, wanneer ze eenmaal per zondag uit gewoonte een preek hebben gehoord. Wanneer zij in hun huizen zijn teruggekeerd, spreken zij alleen over goddeloze en wereldse plannen, in plaats van dat zij rekening houden met hetgeen in de preek gezegd is om beter in het geheugen vast te houden dat daar behandeld is. "Nee, nee!, zeggen zij, het maakt alleen maar zwartgallig om daaraan te denken; laten wij ons het hoofd er niet over breken".
    Anderen gaan die ergernis helemaal uit de weg door uit de kerkdienst weg te blijven. Met grote moeite komen ze eenmaal per twee maanden onder de prediking. Zulke mensen hebben minder verstand dan de dieren, want een dier weet zijn noodzakelijke weideplaats nog te vinden. De mensen ontvluchten hun geestelijke weideplaats.

De bepaling van ten minste eenmaal per week naar de kerk te komen ontleent Calvijn aan de betekenis van de sabbat. In de preek over Jeremia 17:17-23 zegt hij dat de sabbat ook een verordening vormde, opdat de Joden naar de tempel kwamen om de Wet van God te horen. Omdat velen echter op door-de-weekse dagen niet naar de kerk komen moest een dag worden vastgesteld, waarop allen in de kerk moeten samenkomen, om degenen die ezels zijn te dwingen om te komen. Heel scherp wordt de toon van de prediker, wanneer hij de dag waarop de hele gemeente samenkomt 'de dag van de ezels' noemt, omdat dan de mensen komen die alleen onder dwang komen.
Het was in die tijd heel gewoon dat de overheid zich bemoeide met de kerkelijke zaken en daar zelfs regels voor vaststelde. Zo ook ten aanzien van de kerkgang. Zo liet de Raad van Genève in 1550 aan de burgers weten: "Ieder is verplicht naar de kerk te komen, vooral op zondag; en op de dagen in de week als zij daar de gelegenheid voor hebben. Wie zich hier niet aan houden moeten vermaand worden. Als zij zich dan niet bekeren, moeten zij, na driemaal vermaand te zijn geweest, van de kerk afgesneden worden en bij de overheid aangegeven worden om gerechtelijk vervolgd te worden".

Geen heilsegoïsme

Men heeft ook beweerd dat de theologie van Calvijn en ook zijn prediking niet missionair zou zijn. Niets is minder waar.
Allereerst roept Calvijn de gemeente in zijn preken op om getuigen van Christus te zijn. Het horen van zijn prediking is geen consumptieve aangelegenheid, maar zet aan tot activiteit. In de mate waarin het gemeentelid verrijkt wordt door de prediking, in die mate dient hij of zij de ontvangen 'goederen' te delen met anderen.
Maar verder komen ook de volkeren in het zicht. Zo tekent hij bij Jesaja 12:5 aan:

    Psalmzingt de HEERE, want Hij heeft grootse dingen gedaan, dit worde bekend gemaakt op de ganse aarde – Hier wordt ons geleerd dat het onze plicht is, overal onder volkeren Gods goedheid bekend te maken. Echter moeten niet anderen vermaand en uitgezonden worden, terwijl wij zelf intussen werkloos blijven zitten. Veeleer betaamt het ons, anderen ten voorbeeld voor te gaan.

Calvijn en Genève waren ook betrokken bij een koloniaalmissionaire onderneming van Franse Hugenoten in Brazilië.
De beginregels van het gebed na de preek geven regelmatig blijk van Calvijns aandacht voor en bewogenheid met de volkeren die het Evangelie nog niet ontvangen hebben. Nadat God gevraagd is Zijn genade te bewijzen aan de gemeenteleden, volgt daarop dikwijls: ’Dat hij deze genade niet alleen aan ons bewijst, maar ook aan alle volkeren en naties van de wereld'.
Calvijn motiveert deze bede vanuit het gebed van de gemeente in Handelingen 4:29-30 ‘.... en geef Uw knechten met alle vrijmoedigheid Uw Woord spreken...’

    In plaats van hun eigen noden en behoeften stellen zij de heerschappij van Christus en de uitbreiding van het Koninkrijk op de eerste plaats. Overeenkomstig hun voorbeeld dienen wij verder te kijken, 'namelijk naar Gods glorie en de voortgang en uitbreiding van het Koninkrijk van onze Here Jezus Christus, en dat Hij door allen en in alle plaatsen erkend wordt als enige Redder en Zaligmaker’. Van het gebed van de christenen in Jeruzalem kunnen de gelovigen leren dat alle gebeden doortrokken dienen te zijn van het verlangen dat Gods Woord door heel de wereld ontvangen wordt, opdat Hij eensgezind geëerd wordt door allen en Zijn Koninkrijk wordt uitgebreid.

Het persoonlijke getuigen van de gemeenteleden is niet alleen een zaak van spreken, maar vooral ook van de voorbeeldfunctie van de goede levenswandel. Daarom is het belangrijk dat de gemeenteleden onderwezen worden over de mogelijkheid om door hun christelijk leven anderen te winnen voor het christelijk geloof.
Calvijn ziet de levensheiliging nauw verbonden met het herstel van het beeld van God in de gelovigen:

    Aangezien onze HEERE ons deze genade bewezen heeft door ons tot Zich te trekken door de kennis van Zijn Woord, laten wij er dan voor zorgen dat Zijn beeld in ons oplicht, zoals ook Jezus Christus met dit doel tot ons gezonden is, dat wij gelijkvormig aan Hem zijn en de ongelovigen tot Hem getrokken worden, wanneer zij onze goede levenswandel zien.

Hij legt er nadruk op dat leer en leven met elkaar in overeenstemming moeten zijn; dan komt er werfkracht vrij voor het Evangelie.
Calvijn beschouwt dit alles als een kenmerk van de ware kerk: "wij zullen een ware kerk van God zijn, wanneer wij zoveel als ons mogelijk is, trachten dat het getal van de gelovigen vermeerderd wordt".
Kortom, hier is geen sprake van heilsegoïsme of religieus consumentisme.
Tegelijk wijst Calvijn er steeds op dat wij ons ervan bewust moeten zijn dat ons getuigen van Jezus Christus vijandschap oproept. In een preek over Handelingen 4: 21-26 behandelt Calvijn Psalm 2, over het verzet van de satan tegen Gods welbehagen:

    David laat zien dat Jezus Christus altijd vijanden zal hebben. Deze waarschuwing hebben wij hard nodig. Want het schijnt ons toe, dat wij een vreedzaam Evangelie kunnen hebben. Gods spot echter met onze dwaze verwachtingen. Onze HEERE verklaart Zelf dat wij nooit rust zullen hebben in deze wereld, indien wij Hem willen volgen en dienen. Laten wij ons niet dit of dat beloven, maar laten wij er op letten dat Hij nooit zal regeren, dan met grote strijd en moeilijkheden en dat Zijn onderdanen daarin zullen delen.

Conclusie

De prediking is bediening van de enige troost.
Die troost is allereerst kennis van de ellende, met name hoe groot ons gezonden en ellende is, namelijk de zonde van onze overmoedige hart. Dat wordt steeds duidelijker uit de prediking van de genade van de HEERE, de eeuwen door, van Zijn geduld, Zijn ontferming.
Maar troost is dan ook het leven naar Zijn geboden en dat gaat gepaard met verdriet dat wij elke dag weer struikelen, maar ook met dankbaarheid, dat wij daarom telkens weer mogen bidden om de genade van de HEERE, dat Hij ons wil schenken de genade van de Heilige Geest.
En tenslotte is de troost dat wij uit de vruchten van ons geloof verzekerd mogen zijn (Heidelbergse Catechismus vr.86).