Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Calvijn en de prediking

Jaargang: 
3
Datum: 
22 apr. 2009
Nummer: 
15
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
502
Rubriek: 

Wij zullen nooit het antwoord vinden op de vraag ‘wat was het grote belang van het Optreden van Calvijn?’ wanneer wij geen aandacht schenken aan zijn arbeid met betrekking tot de prediking van het Woord van God.
Hij heeft het duidelijk gezien: wanneer het Woord van God het totale gezag heeft, wordt het hele leven verlost.


Dominocratie in Genève?

Juist omdat Calvijns reformatorische arbeid zich met name richtte op de prediking van het Woord van God had hij zo’n wijdverbreide invloed op alle terreinen van het leven.
Daarom zouden we artikelen kunnen schrijven over Calvijn en het dagelijkse leven, Calvijn en het maatschappelijke leven, Calvijn en de kunst, Calvijn en de politiek, Calvijn en de opvoeding. Hij heeft zijn stempel gezet op al die terreinen van het leven.
De strijd om de reformatie van de kerk, om het herstel van haar vrijheid, was een strijd die vrucht droeg voor alle terreinen van het leven.
Het was ook toen al een doorgaande reformatie.
We kunnen van het Calvinisme dan ook met recht zeggen dat het zó’n volledige levens- en wereldbeschouwing in zich heeft, dat het vandaag nog altijd een zegen mag zijn voor de hele mensheid.
Het middelpunt van alle werkzaamheden van Calvijn was de reformatie van de prediking. Daar wijdde hij al zijn krachten aan. Daarom hield hij zelf zoveel preken, schreef hij over de hele Bijbel (behalve de Openbaring aan Johannes) zijn commentaren, publiceerde hij allerlei geschriften, gaf hij zijn colleges.
“Terar dum prosim” - was zijn devies: "laat mij verslijten, als ik maar nuttig mag zijn", en dat alles in het bijzonder voor de reformatie van de prediking van het Woord van God.
Een van de aanvallen op de persoon en het werk van Calvijn was de beschuldiging dat hij in Genève een dominocratie wilde vestigen, dat is de heerschappij van de predikanten. Dat was omdat in Genève ook de burgerlijke overheid, die toen namelijk ook christelijk was en zich dus wilde laten leiden door de Bijbel, verplicht was om de predikanten te gehoorzamen. Die waren immers de enigen die bevoegd waren met de Schrift in de hand uit te leggen wat de wil van God was. Dat was heel anders dan in de Lutherse en Zwingliaanse gemeenschappen, zoals in Bazel, waar het omgekeerde gold, namelijk dat de staat alles over de kerk te zeggen had.
Inderdaad gaf Calvijn een belangrijke positie aan de predikanten, maar hij deed dat niet vanwege hun persoon maar vanwege hun werk en ambt: het prediken van het Woord van God. Dat Goddelijke Woord moest zeggenschap hebben over alle levens en gewetens, ook over de samenleving en allerlei andere soorten van gemeenschappen van mensen.
In de geloofsbelijdenis van de Franse Gereformeerde Kerken (de zogenaamde Confessio Gallicana), in 1559 door de synode te Parijs opgesteld overeenkomstig een ontwerp van Calvijn, staat in artikel 25:

    De Kerk kan niet bestaan als er geen predikanten zijn die het ambt hebben om te prediken en die geëerd moeten worden en aangehoord met eerbied wanneer zij wettig geroepen zijn en hun ambt trouw bedienen (Matt.10:40; Joh.13:20). Niet alsof God afhankelijk zou zijn van zulke helpers of ondergeschikte instrumenten, maar omdat het Hem behaagt ons op deze wijze in toom te houden (Rom.10). Daarom haten wij alle dwaalleraars die graag zoveel als zij konden het ambt van de prediking van het Woord en van de sacramenten zouden willen vernietigen.

Daarom vond Calvijn de prediking de belangrijkste roeping van de kerk.

Het karakter van de prediking

We willen nu naar Calvijn luisteren wanneer hij antwoord geeft op de vraag: wat is nu de prediking van het Woord van God precies?
In zijn Catechismus van de kerk van Genève, 1543, zegt hij dat het onze plicht is om de kerkdiensten te bezoeken, in welke vergadering van de christenen het Woord van God wordt verklaard. En hij noemt deze kerkdiensten eenvoudig: de predicaties, naar hun belangrijkste onderdeel. De prediking is dus volgens Calvijn het centrum van de eredienst.
Eerder noemde hij al het Woord van God "als het ware de deur naar Zijn hemelse Koninkrijk".
Hij haalt dan het bekende woord van Christus aan: Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt (Joh.17:3).
Dat betekent volgens hem:

    Hem kennen zo dat wij Hem eren, opdat Hij niet alleen onze Meester en Heere is, maar ook onze Vader en Zaligmaker (Matt.1:21); en dat wij op onze beurt Zijn kinderen en knechten zijn en het volk dat zichzelf wijdt aan Zijn heerlijkheid.

Dit is dus onze redding: niet alleen een plaats in de hemel krijgen, maar ook nu leren te leven als kinderen van God en als Zijn dienstknechten, tot Zijn eer, ons te gedragen als een verlost volk.
Daarom vraagt Calvijn: “is het nodig dat er predikanten zijn?”. En hij antwoordt:

    Ja, en men moet naar hen luisteren en uit hun mond in alle nederigheid de leer van de HEERE ontvangen. Wie hen minacht en weigert naar hen te luisteren, minacht Jezus Christus en scheidt zichzelf af van de vergadering van gelovigen. Daarom gaf Hij de predikanten van de kerk de opdracht om ons in Zijn Naam te onderwijzen.

Het is alleen door het Woord, door het middel van de prediking van het evangelie, dat wij gemeenschap en hebben met God. Wanneer het Woord van God gepredikt wordt gebeurt er werkelijk iets! En daarom: de predikanten werken niet vanwege hun eigen gezag; Jezus Christus, het Hoofd van Zijn kerk, staat achter hen. Ze hebben hun opdrachten van Hem!
Een dominocratie? Een regering van de predikanten? Nee, maar de regering van Christus en van het Woord van God! Want alleen op deze wijze hebben wij gemeenschap met de HEERE.

De gemeenschap met Christus

Wij kunnen dus zeggen, zoals Calvijn inderdaad gedaan heeft toen hij later in zijn Catechismus het Heilig Avondmaal behandelde: Christus heeft gemeenschap met ons, niet alleen in dat sacrament, maar ook in de prediking van het evangelie.

    Want wij hebben die gemeenschap met Christus door middel van de prediking van het Evangelie, zoals Paulus zegt (1 Kor.1:21), waarin wij horen dat de Heere Jezus ons belooft dat wij vlees van Zijn vlees en been van Zijn gebeente zijn (Ef.5:30), dat Hij het levende brood is dat uit de hemel neerdaalde om onze zielen te voeden (Joh.6:51) en dat wij één zijn met Hem zoals Hij één is met Zijn Vader (Joh.14:21).

Wat dat betekent wordt duidelijk wanneer wij enkele woorden aanhalen uit de Institutie:

    II,10,4 - Want de prediking des evangelies spreekt niets anders uit, dan dat de zondaars door de vaderlijke goedertierenheid Gods buiten hun eigen verdienste gerechtvaardigd worden, en zijn ganse hoofdinhoud eindigt in Christus.

Heilshistorische prediking

Calvijns prediking was geen allegorische of exemplarische prediking, maar voluit heilshistorisch. De Heere Jezus Christus predikte uit de historische boeken van het Oude Testament, uit de Psalmen, uit de profeten. We moeten eerbied hebben voor de eenheid van de heilige Schriften, voor de geschiedenis van het heil.
Daarom preekte de Calvijn over grote gedeelten van de Bijbel. Hij preekte niet over een korte, bekende en favoriete tekst. Nee, hij behandelde in zijn preken hele Bijbelboeken. Daarin toonde hij de loop van de geschiedenis van het heil.
Dat is overeenkomstig de prediking van de apostelen, zoals te lezen is in het Bijbelboek Handelingen der apostelen. De apostelen deden niets anders dan die heilshistorie prediken en uitleggen. Calvijn keerde dus terug naar die wijze van prediking. Dat blijkt ook uit de preken die bewaard gebleven zijn en weer zijn uitgegeven. Het blijkt ook uit zijn commentaren. Het blijkt ook in zijn Institutie, die eigenlijk niets anders is dan één grote verklaring van de Twaalf Artikelen, waarin hij laat zien de onmetelijke rijkdom daarvan voor het hele leven, niet alleen voor de vrome ziel.

De sleutels van het Koninkrijk der hemelen

Calvijn herinnert ons aan het woord van Christus over het binden en ontbinden (Matt.16:19; Joh.20:23). En hij zegt dan:

    IV,11,1 - Dit gebod over het vergeven en houden der zonden en die aan Petrus gedane belofte over het binden en ontbinden moeten nergens anders op betrokken worden dan op de dienst des Woords, welke de Here aan de apostelen zo toevertrouwde, dat Hij hen tegelijkertijd toerustte met dit ambt van ontbinden en binden. Want wat is de hoofdinhoud van het evangelie anders dan dat wij allen, die dienstknechten zijn der zonde en des doods, ontbonden en bevrijd worden door de verlossing, die is in Christus Jezus? En dat zij, die Christus als Verlosser en Zaligmaker niet aannemen en erkennen, tot eeuwige banden zijn veroordeeld en verwezen?
    Christus betuigde dus, dat in de prediking des evangelies niets van de apostelen was dan de dienst, dat Hij het was, die door hun monden, als door instrumenten, alles zou spreken en beloven. Dat dus de vergeving der zonden, die zij zouden verkondigen, de waarachtige belofte Gods was, en de veroordeling, die ze zouden uitspreken, het gewisse oordeel Gods was. En deze betuiging is aan alle eeuwen gegeven, en blijft vast, om ons allen te verwittigen en er zeker van te maken, dat het Woord des evangelies, door welke mens het ook gepredikt wordt, de eigen uitspraak Gods is, afgekondigd in de hoogste vierschaar, in het boek des levens geschreven, in de hemel bevestigd, vast en zeker. Wij weten dus, dat de sleutelmacht op die plaatsen eenvoudig is de prediking van het evangelie, en dat ze niet zozeer een macht is als wel een bediening, wanneer we zien op de mensen. Want Christus heeft deze macht eigenlijk niet aan de mensen gegeven, maar aan zijn Woord, tot welks dienaren hij de mensen gemaakt heeft.

Het prediken van Gods Woord is dus de bediening van de sleutels van het Koninkrijk der hemelen. Dat is de zekerheid van de predikers. Dat is ook de zekerheid van de gemeente. Gods Woord wordt gesproken, het Woord met gezag, omdat het afkondigt het oordeel van God over zondaren: genade en rechtvaardiging, of eeuwige dood vanwege hun ongeloof.
Wat betekent die uitdrukking: de sleutels van het Koninkrijk der hemelen? We kunnen dat lezen in Calvijns korte verklaring in zijn Institutie:

    IV,6,4 - Aangezien door de leer des evangelies ons de hemelen geopend worden, wordt zij met een keurige vergelijking gekenmerkt door de naam sleutelen. De mensen dan worden op geen andere wijze gebonden en ontbonden, dan doordat het geloof sommigen verzoent met God en anderen door hun ongelovigheid nog meer vastgehouden worden.
    Daarom moet de prediking van Gods Woord gevolgd en bevestigd worden, zo nodig, door de tucht:
    IV,12,1 - Daarom, evenals de zaligmakende leer van Christus de ziel der kerk is, zo vormt de tucht in de kerk de zenuwen: door welke het geschiedt, dat de leden des lichaams, ieder op zijn plaats, met elkander verbonden zijn.
    Daarom is het helemaal onmogelijk om de prediking Schriftgetrouw te noemen wanneer deze niet wordt gevolgd door tucht.
    IV,12,1 - Daarom zoeken allen, die de tucht begeren weggenomen te zien of haar herstel verhinderen, hetzij ze dat doen met opzet, hetzij uit onnadenkendheid, ongetwijfeld de uiterste verstrooiing der kerk. Want wat zal geschieden, indien aan een ieder vrij staat, wat hem lust? En toch zou dat gebeuren, indien niet bij de prediking der leer bijzondere vermaningen, bestraffingen en andere dergelijke hulpmiddelen kwamen, die de leer ondersteunen en niet werkeloos laten zijn. De tucht is dus als het ware de breidel, waardoor zij worden in toom gehouden en getemd, die tegen de leer van Christus woeden; of de prikkel, waardoor degenen, die niet gewillig genoeg zijn, worden opgewekt; soms is ze ook als de vaderlijke tuchtroede, waarmede op zachtmoedige wijze en in overeenstemming met de zachtzinnigheid van Christus' Geest diegenen gekastijd worden, die dieper gevallen zijn.

Actualiteit

Dit onderwijs van Calvijn is bijzonder actueel in de situatie van kerk en godsdienst in ons land.
Wij horen de laatste tijd berichten dat de godsdienstigheid onder de mensen weer toeneemt. Maar dat is dan een moderne godsdienstigheid zonder kerk, zonder prediking.
Als mensen zeggen dat ze nog wel geloven, gebeurt het maar al te vaak dat zij van oordeel zijn dat zij best kunnen geloven zonder kerklidmaatschap. En als zij, misschien uit gewoonte, nog wel kerklid zijn, bezoeken heel veel van hen niet meer geregeld de kerkdiensten.
Verder bewerkt de moderne theologie over de prediking dat de preken worden aangepast aan de mens, omdat de hoorder centraal moet staan.
De uitspraken van verschillende synodes in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt over de vraag of in een preek gesteld mag worden dat de HEERE voor ons geen gebod meer geeft om op de zondag niet te werken, maar te rusten, hebben het pluralisme in de kerk gebracht en dus ook in de prediking. Daar komt bij dat een preek blijkbaar meer een mededeling van de opinie van de predikant mag zijn dan dat zij bediening is van de sleutels van het Koninkrijk der hemelen. Hoe is het anders mogelijk dat de ene predikant verkondigt als het bindende Woord van God dat de HEERE nog altijd verbiedt om op de zondag te werken, terwijl een andere predikant met evenveel recht mag afkondigen dat zo’n gebod van de HEERE vandaag niet meer geldig is? Het betekent verder dat de kerkelijke tucht over de ontheiliging van de zondag als gevolg daarvan dan ook geheel gaat ontbreken.
Het gaat hier over de kenmerken van de ware kerk, namelijk de reine, dat is de zuivere bediening van het Woord en de handhaving van de kerkelijke tucht.
De echte herdenking van Calvijn zou dan ook moeten zijn een luisteren naar zijn onderwijs uit de Schriften, met name over de prediking. En dat betekent meteen een doorgaande reformatie in ons hele leven.