Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Calvijn en het gebed

Jaargang: 
2
Datum: 
05 nov. 2008
Nummer: 
39
Schrijver: 
Corneel Koster
ID:
408

Vandaag is het dankdag voor gewas en arbeid. In de tijd van Calvijn (1509-1564) was dat er nog niet. Wel kwam men op vaste dagen in het jaar bij elkaar om als gemeente moeiten voor te leggen aan de Here in gebed. Bededagen, zeg maar. In 1578 werd er besloten om tijdens oorlogen en andere rampen massaal te bidden en te danken. Later, in 1653, werd in Overijssel een vaste dag om te danken vastgesteld. Besloten werd om op de eerste woensdag van november te danken voor het gewas; het eten waarin iedereen dagelijks werd voorzien.
In dit artikel willen we kort bij Calvijn te rade gaan over het gebed. Hoe keek hij tegen het gebed aan? Mogen we alles aan God vragen? Zijn er ook beperkingen waar wij ons in het bidden aan moeten houden? We zullen dat vooral aan de hand van zijn Institutie en van zijn commentaar op de Psalmen doen. De citaten die in dit artikel staan zijn soms tekstueel wat veranderd, om de leesbaarheid te bevorderen.


Gebed als oefening

Bij Calvijn had het gebed een hele belangrijke plaats in zijn leven en in zijn geloof. Hij zag het gebed als de belangrijkste oefening van het geloof (zie boek III, hoofdstuk 20, paragraaf 1 van de Institutie). Want, de gelovige weet dat de enige hulp buiten hem is en niet in hem zelf. Hij moet dus niet uit eigen krachten willen leven, maar de kracht buiten hemzelf zoeken. Dat is het wezenlijke van het geloof: geloven in Hem die in de hemel is. In Hem, die we niet zien. In Hem, die ons geschapen heeft en ons nog altijd bewaart. Dat is tegelijk ook het wezenlijke van het gebed: in het gebed spreek je tot Hem, die je niet ziet. Dat vraagt vertrouw op God, die tegelijk je Vader wil zijn.
Gebed is dus een uiting van het geloof, een oefening van het geloof. En de belangrijkste! Zo zegt Calvijn. Zo zegt onze Catechismus het ook. Want, God eist van ons dankbaarheid. Dat tonen we niet in de eerste plaats door iets te doen, maar door te bidden! Dat is erg belangrijk. Het betekent ook veel voor onze gebeden!
Ook wil God voor al zijn gaven gebeden worden. Door middel van ons gebed geeft God ons uit genade zijn hemelse gaven. Dat betekent drie dingen. Het eerste is dat Hij er om zijn gaven gebeden wil worden: Hij wil dat wij alles oprecht van Hem verlangen. Ten tweede wat we krijgen zijn hemelse gaven. Wij moeten er dus niet laatdunkend over spreken, alsof het weinig voorstelde! Nee, wat Hij geeft in antwoord op ons gebed is voor ons voldoende. En wat Hij geeft, dat hebben we nodig. Niets meer en niets minder. En als laatste: het is genade, dat Hij het geeft. Wij krijgen het niet omdat we het door ons gebed verdienen. Nee. Wij krijgen het, omdat Hij het geeft uit genade. Omdat Hij dat wil (III,20,1).

Vier regels

Het is denk ik goed om hier de vier regels van Calvijn te noemen. Calvijn heeft namelijk vier regels uit Gods woord ontleend, waaraan de bidder zich moet houden om God op een goede wijze te bidden. Vier regels die de Here ons dus gegeven heeft. Kort samengevat zijn het de volgende vier punten: God verlangt een gebed dat heilig, verlangend, nederig en vol vertrouwen is.

Heilig. Allereerst moeten wij ons er zeer goed van bewust zijn dat we ons in het gebed tot God richten. We spreken met Hem. We zullen daarom onze verkeerde verlangens weg moeten doen. We zullen ons totaal richten op God en op zijn eer. Dat betekent niet dat we onszelf helemaal hoeven te vergeten. Nee, we moeten beseffen dat wij zelf voor zijn troon staan. Dan staan wij daar wel, maar dan staan wij daar tegenover Hem. Dan blijken de problemen van onszelf eigenlijk toch niet zo groot te zijn als wij dachten. Terwijl Gods eer dan veel belangrijker wordt. Net als in het 'Onze Vader' eerst gebeden wordt voor zijn naam. In dit besef leren ook wij allereerst bidden voor zijn naam en zijn koninkrijk en zijn wil.

Verlangend. Ten tweede mogen wij Hem niet bidden zonder het werkelijk van Hem te verlangen. Wat we bidden moet ook onze diepste verlangen zijn. Als wij bidden om de heiliging van zijn naam moeten we dat ook werkelijk verlangen. En omdat we het echt verlangen willen we leven overeenkomstig ons gebed. Onze mond is dan als het ware een uiting van de hele houding in ons leven. Een uiting van ons geloof! Wij willen leven tot Uw eer, Here, laat Uw naam groot gemaakt worden op aarde! Calvijn zegt dan: “Ieder dus, die zich klaar maakt om te bidden, moge zich in zijn zonden mishagen, en [...] de gezindheid van een bedelaar aannemen.”(III,20,7)

Nederig. Ten derde zal elke bidder helemaal niet op zichzelf mogen vertrouwen, zoals we hierboven ook al zagen. Hij mag niet zelfverzekerd zijn, alsof hij er recht op heeft om verhoord te worden. Zo zegt Calvijn bijvoorbeeld in zijn commentaar op Psalm 143:2: “En dit is de algemene regel die wij hebben te volgen: als wij wensen, dat God ons genadig zal zijn, dan moeten wij Hem bidden dat Hij onze zonden zal vergeven. Want indien het voor David de enige toevlucht was om genade te vragen, wie van ons zal zich dan voor Gods aangezicht durven stellen, steunende op zijn eigen gerechtigheid en heiligheid? Maar David wil hier niet slechts [...] leren hoe wij behoren te bidden, hij verklaart tevens, dat niemand rechtvaardig zal worden bevonden , als hij ter verantwoording wordt geroepen. [...] Alle gerechtigheid van de mensen valt weg, zodra zij voor de rechterstoel van God verschijnen.”

Vol vertrouwen. De vierde en laatste regel is dat we erop moeten vertrouwen dat Hij verhoort. Het gebed kan niet zonder hoop en vertrouwen op God, dat Hij zeker zal luisteren. Dit bidden kan daarom niet zonder het geloof. Het geloof bestaat namelijk uit hoop en vertrouwen op Hem, het geloof dat Hij ons zal vergeven en dat Hij voor ons wil zorgen. In het geloof erkennen we dat Hij God is en dat Hij goed is.
Hij is de almachtige Schepper en Hij kan het doen: Hij heeft de kracht ervoor. En ook is Hij onze barmhartige Vader: Hij wil het doen. De gelovige weet door ervaring dat hij zal verslappen in gebed als hij niet telkens 'Gods natuur en zijn woord' overdenkt 'onder het bidden', zegt Calvijn (III,20,13). Als we dat doen worden we aangevuurd om te bidden, zonder te verslappen. En ergens anders zegt Calvijn (commentaar op Psalm 65:3 in eigen woorden weergegeven): Het is God eigen om gebeden te verhoren. Als we ons dat inprenten, dan zullen wij nooit de zekerheid van het gebed verliezen. En omdat Hij altijd de macht heeft om ons te helpen, zullen wij altijd de vaste hoop hebben op een gelukkige en blijde uitkomst. Ook in deze tekst zien we weer Gods vaderlijke liefde (Hij wil verhoren) en Gods grote kracht (Hij kan verhoren) samen gaan om zijn kinderen te hulp te schieten.
Het is mooi om te zien dat Calvijn spreekt over Gods natuur. Het is Hem eigen om gebeden te verhoren. God zou als het ware onze God niet zijn als Hij ons niet wilde verhoren, zo lijkt Calvijn te zeggen. Natuurlijk wil dat niet zeggen dat we het wel verdient hebben, dat we het waard zijn om verhoord te worden. Nee, Hij is onze God, door Christus. Daarom wil en zal Hij ons zeker verhoren. En het betekent ook niet dat we alles kunnen bidden. Want Calvijn geeft niet voor niets de vier regels. Het gebed is een heilig spreken, gewijd aan God. Maar Calvijn wil hier zijn lezers inprenten dat we in geloof aan Hem vast mogen klampen: Bid Hem, want Hij verhoort! Hij verhoort!

Gebed en genade

Nadat Calvijn deze vier regels heeft uitgelegd zegt hij meteen dat Gods verhoren niet afhankelijk is van deze vier regels. Hij zegt (III,20,16) dat deze regels niet zo streng worden gehandhaafd. Dat zou betekenen dat God onze gebeden nooit zal verhoren, want wie kan wel volmaakt bidden? Calvijn zegt bovendien: “Ja zelfs wordt [in het bidden] ons stamelen door God verdragen en aan onze onwetendheid wordt vergiffenis geschonken, telkens als ons iets onbedachtzaam ontvalt: gelijk wij voorzeker zonder deze goedertierenheid geen vrijheid zouden hebben om te bidden.” En even verderop: “Alle gebeden, die met deze gebreken bevlekt zijn, verdienen wel afgewezen te worden; maar wanneer de heiligen slechts zuchten, zichzelf bestraffen en terstond weer tot bezinning komen, schenkt God vergiffenis.” Al met al kunnen we zeggen dat God zelfs in het horen naar onze gebeden ons genadig moet zijn, omdat wij anders niet kunnen bidden! Want wij zijn het niet waard in ons zelf om verhoord te worden! Het is daarom ook niet zo dat God deze vier regels niet werkelijk aan de kant zet. Nee, deze regels blijven zeker gelden, maar ook onze gebeden worden door Christus gereinigd.
Het is tot ons behoud dat wij mogen bidden door Jezus Christus, de Middelaar. Hij staat ook tijdens het gebed tussen God en ons. Dat belijden we als we in ons gebed zeggen: 'wij bidden het U in de naam van onze Here Jezus'. Namens Hem of door Hem spreken wij, verhoor ons om Hem. Calvijn citeert Ambrosius als hij over Christus' middelaarschap spreekt: “Hij is onze mond, door wie wij tot de Vader spreken; ons oog, waardoor wij de Vader zien; onze hand, door welke wij ons de Vader offeren; en wanneer Hij niet tussen beide kwam, zouden noch wij, noch enige heilige enige gemeenschap met God hebben.” (III, 20, 21)
En door Gods gave van de Heilige Geest weten wij wat we moeten bidden. Hij geeft ons de woorden in de mond. Door de Heilige Geest verlangen we alles van God. Door de Heilige Geest worden we nederig en vernederen wij ons voor God. Door de Heilige Geest bidden we in geloof en mogen we zeker weten dat Hij hoort. Met andere woorden, de Heilige Geest geeft dat wij ons willen richten naar de vier genoemde regels. Zo zullen we gaan groeien in ons gebed. En weten we al beter we aan Hem mogen voorleggen.

Danken en gebed

Calvijn ziet een diepe eenheid tussen het bidden en het danken in een gebed. Hij zegt hierover: “Ofschoon verder het gebed zich eigenlijk beperkt tot begeerten en beden, is er toch zulk een verwantschap tussen het bidden en het dankzeggen, dat ze gevoeglijk onder een naam kunnen worden samengevat.” (III, 20, 28) Deze eenheid moeten we goed beseffen, want het bidden en het danken staan nooit los van elkaar. Wij kunnen niet bidden, zonder te danken. En eigenlijk ook niet danken, zonder te bidden.

Ten eerste kunnen wij niet danken, zonder te bidden, omdat wij slap en arm zijn in onszelf. Omdat wij voortdurend van alle kanten worden aangevallen. En omdat wij zeer vaak struikelen door onze zonden. Daarom zullen wij voortdurend God aanroepen om hulp en kracht.

Maar ten tweede kunnen wij ook niet bidden, zonder te danken. Want wij zijn geschapen om God te loven en te prijzen. En het gebed is daar het uitstekende middel voor. Zo haalt Calvijn vele plaatsen uit de Schrift aan om aan te tonen dat al Gods gaven ons dwingen Hem te loven. Onze lofprijzing en dankzegging mogen nooit stoppen, anders zouden we zondigen. “Want God houdt niet op de ene weldaad op de andere te stapelen, opdat Hij ons, hoe traag en lui we ook zijn, tot dankbaarheid zou dwingen. Kortom, wij worden door een zo grote en zo overvloedige milddadigheid van zijn weldaden bedolven [...] dat het ons nooit ontbreekt aan reden en stof tot lof en dankzegging.”(III,20,28) Een aantal mooie uitdrukkingen op een rij. Calvijn zegt dat God ons dwingt om Hem te danken. Kan jij het nog sterker uitdrukken? En ook zegt hij, dat we bedolven worden onder Gods goede daden. Calvijn lijkt overweldigd door Gods grootheid, als hij dit zegt. Alsof hij zei: Gods goede daden zijn net alsof wij een kast open trekken waarvan meteen de hele inhoud over ons heen valt. Die kast zit namelijk propvol! Zo zijn Gods daden over zijn kinderen. Concreet betekent dat voor ons dat het danken van God om zijn goede gaven een belangrijke plaats in ons gebed zal hebben, als we werkelijk verstaan wat het is om te bidden.