Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Calvijn – belijder (1)

Jaargang: 
1
Datum: 
24 okt. 2007
Nummer: 
37
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
150
Rubriek: 

Wij vervolgen de artikelen over Calvijn en zijn werk. Nu dan over zijn werk als belijder en verdediger van het ware geloof. Daarvoor geven wij nu aandacht aan de brief, die Calvijn aan de koning van Frankrijk Frans I stuurde, samen met een exemplaar van de eerste druk van zijn Institutie.

Brieven

In de kerken wordt in verschillende groepen druk en intensief gestudeerd in Calvijns Institutie. Daarom heb ik mij weer in deze materie verdiept en na zoveel jaar opgehaald wat ik als student in Kampen bij het vak kerkgeschiedenis over Calvijn en zijn invloed heb bestudeerd.
Calvijn heeft dikwijls zijn studies opgedragen aan bekende personen. Hij schreef er dan een zogenaamde aanbevelingsbrief bij. Daarnaast schreef hij ook brieven van aanmoediging en vertroosting, ook wel van verdediging van de Reformatie en onderwijs en advies aan voorgangers van de Reformatie in verschillende landen.
De brief aan Frans I is de eerste in die lange rij. In het grootse werk Corpus Reformatorum, de uitgave van alle werken van de reformatoren, zijn er niet minder dan 59 delen gewijd aan Calvijns werken. In die uitgave zijn ook zijn brieven opgenomen.

Aan de Koning

Calvijn stuurde dus zijn Institutie aan de koning van Frankrijk. Wij kennen zo'n daad van het aanbieden van de geloofsbelijdenis aan de vorst uit de geschiedenis van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis. Guido de Brès wilde dat die geloofsbelijdenis in handen van Philips I van Spanje zou komen, als verdediging tegen de beschuldiging als zouden de gereformeerden oproermakers zijn. Een verdediging die tegelijkertijd een belijdenis is van de waarheid overeenkomstig Gods Woord.
Voor de brief aan Frans I volg ik de uitgave in modern Nederlands van R. Reeling Brouwer De handzame Calvijn, Amsterdam 2004. Dat boek bevat sleutelteksten van Calvijn, sommige voor het eerst, andere opnieuw vertaald ‘in een frisse taal’.

Frans I 1515-1547

Om de belangrijke invloed van deze koning te onderkennen is het goed om te weten dat hij meteen na zijn troonsbestijging een concordaat wist te sluiten met paus Leo X (1513-1521, de eerste tijd van de Reformatie in Duitsland), waardoor hij grote macht in de toenmalige roomse kerk in Frankrijk kreeg. Hij werd het hoofd van die kerk, die hij dan ook regeerde en hij was daar de hoogste rechter - bezwaren en rechtszaken werden uiteindelijk door hem beslist; hij had ook het recht om bisschoppen te benoemen. Vandaar dat Calvijn zich tot hem richt.
Deze koning staat in de geschiedenis bekend als een ijdel mens, een vechtersbaas, wispelturig van aard en een woordbreker. Bijna onophoudelijk is hij in oorlog geweest met keizer Karel V en in die strijd zocht hij de steun van de Duitse Lutherse vorsten. Als gevolg daarvan hield hij de mannen van de Reformatie nu eens de hand boven het hoofd, dan weer liet hij ze in de steek. Maar uiteindelijk was hij het die de vervolging van de gereformeerden met strengheid doorzette. Hij stond daarbij onder invloed van de conservatieve theologen van de Sorbonne en van zijn echtgenote, de beruchte Catharina de Medici.
Natuurlijk moest dit optreden van Frans tegen de zaak van de Reformatie toen weer worden goedgepraat tegenover de Lutherse vorsten in Duitsland. Daarom richtte hij zich toen tot hen met een proclamatie, waarin hij verklaarde, dat die mensen, die nu in Frankrijk werden vervolgd en terechtgesteld, dit niet hadden te lijden vanwege hun gereformeerde geloof, maar vanwege hun revolutionaire optreden. Het waren mensen, die op één lijn moesten worden gesteld met de wederdopers in Münster:

    Die afvalligen bij ons, dat zijn van die lieden als de dopersen bij jullie, die zojuist nog de stad Münster op zijn kop hebben gezet als voorpost van het duizendjarig rijk. Met zulke sektariërs heb ik even weinig op als jullie dat hebben.

Toen is het Calvijn geweest, die het voor zijn vervolgde en belasterde Franse geloofsgenoten heeft opgenomen en wel door het uitgeven van zijn boek de Institutie. Hij was al lang van plan zo'n boek te schrijven, maar de beschuldiging, welke nu door de koning tegen de gelovigen in Frankrijk werd ingebracht, heeft hem tot haast aangezet en doen besluiten zijn Institutie al in 1535 af te maken. Hij stuurde deze eerste druk van de Institutie aan de koning in 1536.
Deze begeleidende brief is niet alleen ontroerend van inhoud, omdat hij ons een diepe blik doet slaan in het bekommerd hart en verontwaardigd gemoed van de grote reformator, maar is ook uiterst leerzaam voor wat de bedoeling van Calvijn met zijn Institutie betreft.

Weerlegging, bemoediging, onderwijzing

Het gaat om de eerste druk van de Institutie, verschenen in maart 1536. Oorspronkelijk verschenen zonder de naam van de auteur. Pas toen Calvijn voor de eerste maal in Genève was en daar ds. Farel ontmoette werd hij bekend als de auteur van dit boek.
Hij was van plan om maar even in Genève te blijven op weg naar Straatsburg. Farel kwam er achter dat Calvijn in Genève was en ook wie hij was en dat hij zijn Institutie had geschreven.
Het is interessant om te lezen wat Calvijn zelf over deze ontmoeting heeft geschreven, een ontmoeting die zo belangrijk is geweest voor de plaats van Calvijn in Genève. Hij schrijft dat Farel hem in Genève tegenhield:

    Dit gebeurde niet zozeer met overleg of overredingskracht, als wel met angstaanjagende bezweringen, alsof God vanuit de hemel Zijn hand met geweld op mij had gelegd. Hij zette ogenblikkelijk alles op haren en snaren om mij daar te houden. Toen mijn voorkeur voor een teruggetrokken leven als geleerde tot hem doordrong en hij zag dat zijn verzoek niets uitrichtte, dreigde hij mij op het laatst met hel en verdoemenis: God zou mij vervloeken als ik mij afzijdig hield en weigerde in deze tijd van grote nood de helpende hand te bieden. Door schrik bevangen heb ik van mijn voorgenomen reis afgezien, maar ik wilde mij niet verplichten om een vaste taak op mij te nemen, omdat ik wist hoe verlegen en schuchter ik was.

Calvijn vertelt dan ook wat zijn doel was met zijn Institutie:

    In de eerste plaats om mijn broeders, wier dood waardevol was in de ogen van de HEERE, te zuiveren van onverdiende blaam en vervolgens..... om het geloof te verkondigen van degenen die naar mijn ervaring door de goddeloze en misdadige hielenlikkers op een snode manier werden belasterd.
    De stof is geen andere dan die van het geloofsonderricht van alle voorafgaande eeuwen en wel in de volgorde: de wet aan de hand van de tien geboden, het geloof aan de hand van de Apostolische Geloofsbelijdenis, het gebed aan de hand van het Onze Vader en de sacramenten, die de hervormingsbeweging had gereduceerd tot doop en avondmaal.

Het werk was niet uitsluitend een naar binnen gerichte vorm van onderwijs en opbouw, maar ook een verdediging en verantwoording van de reformatorische leer ten overstaan van de buitenwereld.

Inleiding van de brief

Calvijn ligt er alle nadruk op waar het om gaat: 'niet om armzalige schepselen, maar om de eer van God gaat het geding'. Hij schrijft aan de koning:

    Geringschatting van onze lage positie mag voor u geen beletsel zijn om zich voor ons in te zetten. Wij weten maar al te goed dat wij armzalige en nietige schepselen zijn. Wij zijn beklagenswaardige zondaren in de ogen van God en naar menselijke maatstaven het meest verachtelijk, noem ons maar wat afval en uitvaagsel, of nog iets verwerpelijkers, als daarvoor een term bestaat.

Maar het gaat ons alleen om de eer van God.
Dan somt Calvijn de bezwaren op die tegen de ware leer, zoals hij die verkondigt, worden ingebracht:

    Onze leer wordt onophoudelijk door de tegenstanders bestreden. Alle mogelijke etiketten worden opgeplakt om haar een slechte naam te bezorgen, zodat zij gehaat wordt of in een kwaad daglicht komt te staan.
    Ze heet dan [1] 'nieuw' of 'pasgeboren' en laatdunkend wordt ze [2] 'dubieus' en 'onbetrouwbaar' genoemd. Ze willen weten [3] door welke wonderen zij bekrachtigd is, en betwijfelen of het wel terecht is dat zij [4] de consensus van zoveel kerkvaders en [5] de eeuwenoude overlevering trotseert. Op hun aandringen moeten wij haar als een ketterij betitelen omdat ze [6] in strijd is met de kerk.
    Ze zeggen dat er in vele eeuwen nog nooit zoiets is gehoord en dat de kerk in die tijd dus min of meer dood moet zijn geweest, en ze eindigen ermee dat ze in feite niet veel argumenten nodig hebben, want de aard van onze leer is volgens hen aan haar vruchten te herkennen: [7] een grote hoeveelheid sektes, opstandige horden en een golf van misdaden zijn immers het resultaat geweest.

Hij gaat dan deze zeven bezwaren één voor één behandelen.
(Wordt vervolgd)