Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Brummelkamp - 1854

Jaargang: 
6
Datum: 
01 feb. 2012
Nummer: 
4
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
983
Rubriek: 

In het vorige artikel over de afgescheiden kerken hoorden we hoe Brummelkamp een ommekeer maakte in zijn samenwerking met verontruste hervormden. Op een vergadering waar de plannen voor het Seminarie zouden worden afgerond deed hij uitspraken die een abrupt en definitief einde maakten aan die plannen. Hoewel hij eerder van mening was dat hij met verontruste leden van de Hervormde Kerk zeker avondmaalsgemeenschap kon hebben en dat ook in praktijk bracht, en hij dan ook broederlijk samenwerkte inzake de oprichting van het Seminarie en daarmee de opleiding van dienaren des Woords mee aan hen toevertrouwde, zei hij nu ineens dat er in de Hervormde Kerk niet één getrouwe predikant of lid was. Ook daarop bevraagd verklaarde hij dat hij van oordeel was dat zijn hervormde mededocenten zich op een zondige weg bevonden door zich niet vrij te maken. De Hervormde Kerk was volgens hem geen kerk, maar een genootschap.

Een blijvende afdwaling

We vroegen ons in het slot van het vorige artikel af of Brummelkamp toen ook echt zijn afdwaling inzag? Want dat zou betekenen dat hij een eind maakte aan zijn praktijk om niet alleen hervormden, die bij hem kerkten, toe te laten tot de sacramenten, maar ook om verontruste hervormde predikanten in zijn eigen gemeente te laten voorgaan.
En ook dat hij terugkwam van zijn uitgesproken mening dat die toelating berustte op zijn standpunt dat de kerkkeuze geen scheiding mag brengen, maar dat de band aan Christus beslissend is.
In de afgescheiden kerken leefde heel sterk de ongerustheid over de standpunten en praktijken van Brummelkamp. Had hij zijn gedachten over de pluriformiteit van de kerk afgezworen, zodat de opleiding van de gereformeerde predikanten aan hem kon worden toevertrouwd door de synode van 1854?
De verdere geschiedenis van de afgescheiden kerken leert dat die zorg terecht was en dat de ‘bekering’ van Brummelkamp eigenlijk een kwestie was van die ene gelegenheid. Al spoedig zou blijken dat hij in zijn opvattingen over de kerk niets veranderd was.
Later kwam het dan ook geregeld voor dat er klachten kwamen tegen de invloed van Brummelkamp op de studenten en zo dus ook op de kerken. We komen er in een volgend artikel op terug wanneer ik iets ga vertellen over de verdere ontwikkelingen in de afgescheiden kerken en met name met betrekking tot de Theologische School.
Wel wil ik nu al noemen wat er gebeurde in 1867, in de zaak van de verhouding van Brummelkamp tot de Evangelische Alliantie. Dat liep er zelfs op uit dat men hem aanklaagde vanwege zijn 'onkerkelijke handelingen'.
De Evangelische Alliantie was een internationale organisatie. In de Nederlandse afdeling waren het vooral de verontrusten in de Nederlands Hervormde Kerk die daar een belangrijke plaats innamen. De hoofdgedachte van deze organisatie is: eenheid van christenen uit verschillende landen en kerkgenootschappen, op een gemeenschappelijke basis, met terzijdelating van onderlinge verschillen.
Dat sprak Brummelkamp bijzonder aan en hij was dan ook van oordeel dat er bij de protestantse christenen van orthodoxe signatuur een herkenning mag zijn van elkaar als broeders van één huis, ongeacht hun kerkelijk lidmaatschap.
Daarom moet men bij de samenwerking de kerkelijke en dogmatische geschilpunten terzijde laten en hij verwijst daarbij naar Fil.3:15-16: “Zovelen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen; en indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal God u openbaren”.
Dat houdt volgens hem in dat de verdraagzaamheid bevorderd moet worden en daartoe is meewerken aan de Evangelische Alliantie nodig.
In Amsterdam werd in 1867 de vijfde algemene vergadering gehouden van deze Evangelische Alliantie.
Brummelkamp en zijn vrouw namen enthousiast deel aan de vergaderingen.
Op de zondagavond voorafgaand aan de opening van het congres kerkten ze in de hervormde Nieuwe Kerk.
Op de volgende zondag werd in het remonstrantse kerkgebouw het avondmaal in vier talen bediend voor de vrienden van de Alliantie. Ook Brummelkamp en zijn vrouw namen daaraan deel. Zijn argument daarvoor was dat die tafel niet de tafel van deze of gene gemeenschap is, maar van de Here Jezus Christus. Ook preekte hij in een niet-gereformeerde kerkdienst.
De kerkeraad van Amsterdam bracht tegen deze handelwijze van Brummelkamp bezwaren in bij de kerkeraad van Kampen. Deze besloot in een brief dit alles als een onkerkelijke handeling af te keuren, maar het daar verder bij te laten.
Ook verschillende kerkleden van Kampen dienden bezwaren in tegen Brummelkamp, omdat hij met volgelingen van Arminius het avondmaal had gevierd. Zij waren van mening dat hij niet meer in de Kamper gemeente zou mogen preken. De kerkeraad verklaarde opnieuw de daad zelf af te keuren, maar geen termen te hebben om leden, die verklaarden zulks met een onergerlijk geweten voor de Here gedaan te hebben en hartelijk met de gereformeerde leer verenigd te zijn, hierover kerkelijk te straffen.
Brummelkamp zelf beriep zich in dergelijke situaties inderdaad op zijn goede geweten voor God en vond dat men elkaar in dezen niet moest oordelen.

Was Brummelkamp door al die bezwaren tegen zijn opvattingen en zijn praktijken nu voorzichtiger geworden? Geen sprake van! Ondanks de bezwaren vond hij de vrijmoedigheid om in zijn rectorale oratie van december 1867 de Evangelische Alliantie te verdedigen. Hij was van oordeel dat hij daarin een voorproef smaakte van de heerlijke toekomst, wanneer het zal zijn: één kudde, één herder.
Dat stemde overeen met zijn opvatting dat doop en avondmaal boven de kerkelijke verschillen stonden.
Vier jaar later durfde hij opnieuw in een rectorale oratie het zelfs aan om te beweren dat het alleen op kleingeestig misverstand berust wanneer de gelovigen elkaar niet behandelen als kinderen van hetzelfde huis.
Die officiële oratie was geheel gewijd aan de Evangelische Alliantie, daar zag hij die gedachte in die organisatie op schone wijze verwezenlijkt. Daarom bleef hij erbij deze alliantie in afgescheiden kringen te promoten.
In die tijd bracht hij zijn visie ten aanzien van de doop in praktijk door in Doorn enkele kinderen van godvrezende ouders, die niet tot de gescheiden gemeenten behoorden, te dopen. De classis Amersfoort klaagde hem daarover aan bij de kerkeraad te Kampen. Deze was echter van oordeel, dat deze doopsbediening niet in strijd was met enige kerkordelijke of reglementaire bepaling!
Dat was dus toen al voluit de praktijk van: woorden zonder daden. Wel zeggen, maar niet doen.
Hier zien we ook de wortel van een typisch christelijk gereformeerd gebruik, namelijk om ter wille van het bewaren van de eenheid conflicten te vermijden. Hoe lang is er niet door de kerken bij de christelijke gereformeerden op aangedrongen om de ware gereformeerde leer te verdedigen tegen de dwaalleer van prof. Oosterhoff! Dat werd steevast geweigerd. Hetzelfde deed zich voor met betrekking tot de ongereformeerde theorieën van dr. B. Loonstra. Ook daar bleef het bij woorden, zonder daden.
Het is de geest van Eli, die zijn zonen wel vermaande toen zij zich vergrepen aan de offers voor de HEERE, maar naliet hun daarom de toegang tot het heiligdom te ontzeggen en hen uit hun ambt te ontzetten.
Het is die moderne geest van tolerantie, die al eeuwen lang een verzoeking is voor de kerk van Christus.

Beoordeling

Dr. M. te Velde heeft in zijn dissertatie over Brummelkamp er op gewezen dat deze opvattingen van Brummelkamp helemaal subjectief zijn. Voor hem was het beroep op zijn geweten het einde van alle tegenspraak. Hier was dan ook heel duidelijk dat hij de kerk inruilde voor een particuliere of individuele eenheid. Maar dat is een schijneenheid.
De grote oorzaak van alles was toch dat Brummelkamp meende dat hij zelf kon bepalen wat zijn roeping was. Hij ging zijn gang in het voorgaan in de eredienst en het bedienen van sacramenten, zoals hij zelf dat verantwoord achtte en dat op eigen gezag, zonder roeping door een kerkeraad.
Ook ten aanzien van de opleiding tot de dienst des Woords was hij op dezelfde wijze bezig. De grondfout bij de oprichting van het christelijk gereformeerd Seminarium was immers dat de kerk buitenspel gezet werd. Tegenover de Schriftuurlijke gedachte dat de opleiding van de dienaren des Woords een zaak is 'voor de kerk, door de kerk' overeenkomstig 2 Tim.2:2 werd deze gezien als een taak van individuele personen.
Deze dwaling komt steeds weer terug. Het werd later een strijd tussen de Vrije Universiteit en de Theologische School te Kampen.
Brummelkamp heeft zich in dat alles niet vrijgehouden van het kwaad van de autonomie: zichzelf tot een wet zijn. Weliswaar met een beroep op zijn geweten voor de HEERE - maar intussen toch zelf beslissen.
Ook dat is vandaag aan de orde van de dag. Het is immers de eeuw van de zelfbeschikking van de mens, ook in religieus opzicht: zelf uitmaken wat je denkt of wil of doet. Je niet laten leiden door de kerk en haar ambtsdragers. En in je kerkkeuze alweer autonoom bepalen waar je nu eens gaat shoppen of je bij aansluiten.
De HEERE heeft heel duidelijk ons gewaarschuwd tegen wat in feite de moederzonde was in het paradijs: als God willen zijn en zelf beslissen wat goed en kwaad is.
Het is een groot wonder van de HEERE dat de afgescheiden kerken groeiden en bewaard werden. Het totale zielental bedroeg in 1849 40.000. En dat is tot 1889 gegroeid naar 190.000!
Wat was er in die tijd niet alleen veel verwarring, maar ook vrees om als kerk de waarheid te handhaven.
Ook dat is weer een les voor vandaag.

De synode van 1854

In 1854 kwam de volgende synode van de Christelijk Afgescheiden Kerken bijeen te Zwolle. Zij heeft dertien dagen vergaderd om haar omvangrijke agenda af te werken, elke dag drie zittingen, zelfs op zaterdagmorgen werd er vergaderd.
Toen op de laatste zitting eindelijk alle zaken behandeld waren was het, zo wordt in de Acta vermeld, 'reeds ver in den nacht' (één uur), voordat de laatste toespraken konden worden gehouden en de preses eindelijk de synode kon sluiten. Hij deed dat, zo sluiten de Acta, doordat hij 'de zegen des Heeren over de vergadering uitspreekt'!
De drie grote zaken die aan de orde kwamen waren:
- de hereniging met de uitgetreden kerken inclusief haar ambtsdragers;
- de oprichting van de Theologische School: het vaststellen van de plaats van vestiging, het treffen van verschillende maatregelen en het opstellen van reglementen voor het functioneren van de opleiding en de benoeming van vier docenten;
- drie adressen aan de Koning over de naam van de kerken, de subsidiëring van de kerken en het veiligstellen van de diaconale taak van de kerken.
Voordat de synode met haar eigenlijke werk kon beginnen kostte de constituering veel tijd, omdat de Particuliere Synode van Overijssel broeders had afgevaardigd die zich jaren daarvoor met hun gemeenten aan het kerkverband hadden onttrokken. Voordat zij als afgevaardigden zouden worden aanvaard moest eerst de hereniging met de uitgetreden kerken en haar ambtsdragers, die door de Particuliere Synodes van beide kerkverbanden in die provincie voorlopig tot stand was gebracht, door de generale synode bevestigd worden.
Daar is heel wat over gediscussieerd - dat kostte de synode drie volle dagen.
De behandeling van de zaken met betrekking tot de Theologische School vroeg zelfs zes dagen!
Bij elkaar vroeg dus de behandeling van deze twee agendapunten negen van de dertien dagen dat er vergaderd werd.
Deze synode is een belangrijk keerpunt geweest in de geschiedenis van de Kerk van Christus in Nederland. Hoewel er uiteraard wel verschillen bleven en er wrijvingen waren was met name de Theologische School voor de kerken een stimulans voor het bewaren van de eenheid. Volgende keer hoop ik iets te vertellen over de gang van zaken op deze synode.