Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

A. Brummelkamp – om de ware eenheid

Jaargang: 
5
Datum: 
16 nov. 2011
Nummer: 
41
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
940
Rubriek: 

In het vorige artikel over de geschiedenis van de afgescheiden kerken ging het over de Generale Synode van 1851. Een poging om tot hereniging te komen met de kerken die zich hadden losgescheurd mislukte. Daarin speelde Ds. A. Brummelkamp een beslissende rol. De achtergrond daarvan was de opvatting van Brummelkamp over de kerkelijke eenheid.
Dat was niet alleen toen het geval, maar dat heeft doorgewerkt in de afgescheiden kerken tot aan zijn emeritaat als hoogleraar in 1882.
In feite is die verkeerde beschouwing over de eenheid onder christenen nog altijd een oorzaak van verdeeldheid binnen De Gereformeerde Kerken en daarbuiten.


De les van de geschiedenis

Hoe kan het toch dat ondanks alle pogingen het maar niet lukte om Brummelkamp zover te krijgen dat hij vol overtuiging zou kiezen voor het kerkverband van de afgescheiden kerken, met de Dordtse Kerkorde als regel voor het kerkelijk leven?
Dat wordt duidelijk als wij ons verdiepen in zijn opvatting over eenheid en zijn daden die daaruit volgden. Want de geschiedenis van de afgescheiden kerken is niet alleen maar te kennen uit de Acta van de synodes. Er speelde zich daarbuiten heel veel af. Zo hebben Particuliere Synodes ook ijverig en volhardend er aan gewerkt om Brummelkamp op het rechte gereformeerde spoor te krijgen. Over die geschiedenis zijn we goed ingelicht.
Maar het wordt nog duidelijker als we zien wat Brummelkamp binnen de kerken van zijn eigen groep deed en nog meer als we kennis nemen van zijn contacten en samenwerking buiten de kerken.
Want in dezelfde tijd dat er zoveel tijd en inspanning werd gestoken in de besprekingen om tot kerkelijke eenheid te komen was Brummelkamp heel druk bezig met een heel andere zaak, namelijk om tot een eenheid te komen met niet-kerkleden. Dat was van hem om zo te zeggen een dubbele agenda.
Aan de ene kant was dat de zaak van de hereniging met het verband van de afgescheiden kerken. Die besprekingen daarover tussen Particuliere Synodes en groepen uitgetreden broeders, de laatsten onder leiding van Brummelkamp, stemden hoopvol ten aanzien van de hereniging.
Maar tegelijkertijd was Brummelkamp aan de andere kant bezig met plannen om een zogenaamd Gereformeerd Seminarie te stichten. Een school voor de opleiding van predikanten, die in Amsterdam zou worden gevestigd. Maar wel een interkerkelijke school, samen met verontruste Hervormden en anderen die hij als broeders zag.
De eigenlijke oorzaak van zijn oordeel dat die samenwerking met betrekking tot de opleiding tot de dienst des Woords samen met de hervormde verontrusten goed mogelijk was zat vast op zijn mening, dat hij hen bleef zien als broeders. Want zijn standpunt was dat hij zich niet van de Hervormde Kerk had afgescheiden, maar alleen van het onwettige kerkbestuur en dat hij daarom zich verplicht achtte met degenen, die zich nog in dat kerkgenootschap bevonden, samen te werken om zo mogelijk dat onwettige kerkbestuur, dat hij een dievenbestuur noemde, dat was ingedrongen, krachteloos te maken en zo de Hervormde Kerk indien mogelijk te reformeren zoals zij was voor 1816. Maar verder meende hij dat in het algemeen gelovigen buiten de kerk volledig als broeders moesten worden geaccepteerd. Want, zo was zijn redenering, de band aan Christus was beslissend en de zaak van de kerkkeuze mocht dat niet in de weg staan.
Daarom was zijn oordeel met betrekking tot die samenwerking met de hervormden nog maar het topje van de ijsberg. In heel zijn denken en doen met betrekking tot eenheid week hij af van Schrift en belijdenis.
Dat is een beschuldiging die bewezen moet worden. Dat doen we in het vervolg van dit artikel. En ik schrijf daar uitvoerig over opdat we het werk van de HEERE weer zouden zien, dat Hij Zijn kerk bewaarde. Het is een heel groot wonder dat de afgescheiden kerken niet ten onder zijn gegaan, deels aan scheuringen, deels aan dwaalleer. Dat is een blijvende troost, met name voor De Gereformeerde Kerken van onze tijd.
Maar dat betekent dan ook tegelijkertijd een waarschuwing tegen ontwikkelingen binnen De Gereformeerde Kerken, die al geleid hebben tot scheuringen en onttrekkingen. Het wordt steeds duidelijker dat die veroorzaakt worden door het afwijken van de Schriftuurlijke belijdenis aangaande de kerk en de roeping zich bij haar te voegen.
Ik vermeld bij dit en een volgend artikel dat ik mijn gegevens heb geput uit veel publicaties over die tijd, met name uit de dissertatie van dr. M. te Velde over Brummelkamp, uitgave De Vuurbaak, 1988 (honderd jaar na het overlijden van Brummelkamp).

De bijzondere positie van Brummelkamp

Brummelkamp had zich in Hattem afgescheiden van het Nederlands Hervormde kerkgenootschap. Daarna is hij predikant geworden van Schiedam en later van Arnhem. Het is opmerkelijk dat hij in die beide gemeenten nooit bevestigd is als predikant.
Hij had royale inkomsten uit een behoorlijk kapitaal en had geen traktement nodig. Dat gaf hem blijkbaar zoveel ruimte dat hij bijvoorbeeld een tijd lang ook nog aan Hattem verbonden bleef, terwijl hij dominee van Schiedam was geworden. Hij was om zo te zeggen een soort ‘freelance’ predikant (de uitdrukking is van M. te Velde, 369), een vrije vogel. Daarmee hing samen dat hij zijn eigen opvattingen volgde.
Wanneer hij het al te bont maakte in de kerk met de uitvoering van zijn eigen opvattingen werd hij over het algemeen niet door zijn eigen kerkeraad, maar door de classis of door kerkleden en voorgangers uit de kerken tot de orde geroepen.
Van zijn eigenzinnige doen en laten geven wij in het volgende enkele markante voorbeelden.
Maar eerst iets over de bron van al deze afdwalingen. Want dat waren niet maar incidenten, vergissingen, bedrijfsongevallen – nee, Brummelkamp volgde consequent zijn eigen koers vanuit zijn opvatting over eenheid. Een koers die hij, ook toen hij later hoogleraar in Kampen was geworden, bleef volgen. Opvattingen die hij aan zijn studenten overbracht. En dat leidde dan uiteraard weer tot verdeeldheid.

Welke eenheid?

In geding was en is nog altijd de vraag naar de ware eenheid overeenkomstig Schrift en belijdenis. Daarbij is uiteraard beslissend wat de Schift zegt en hoe de kerk dit belijdt. In artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt beleden dat ieder zich bij de ware kerk moet voegen: 'Zo wordt de eenheid van de kerk bewaard'. En van degenen die zich niet bij die kerk voegen belijden wij dat zij in strijd met Gods bevel handelen. Dus werden toen, in de tijd van de Afscheiding en ook daarna de gelovigen buiten de kerk (die zijn er dus volgens artikel 28!) opgeroepen zich af te scheiden van het Nederlands Hervormd kerkgenootschap en zich te voegen bij de afgescheiden kerken.
En daar keek Brummelkamp heel anders tegen aan. Hij noemde de Afscheiding een noodzakelijk kwaad. En hervormd blijven is geen zonde, als men maar ‘werkzaam’ was.
Hij ging ervan uit dat er al eenheid was met de verontrusten in de Hervormde Kerk.
Daartegenover kunnen we vaststellen dat de hoofdstroom van de Afgescheiden kerken niet bezweek voor de verleiding van deze dwaalleer, die het zoveel ‘gemakkelijker’ maakte in de omgang met buiten-kerkelijken, maar die duidelijk afwees, ook als daardoor de tegenstellingen aan het licht kwamen.
Dat bleek ook duidelijk uit de uitspraken van de synode van 1851. De synode was daarin eenparig: zij bleef bij de motivering van de Afscheiding zoals die verwoord was in de Akte van Afscheiding. Wij hebben ons afgescheiden van de Hervormde Kerk, zo sprak de synode zich uit, omdat deze de kenmerken van de ware Kerk van Christus heeft verloren. En zij was van oordeel dat men wel kan trachten de Kerk in de kerk te herstellen, ‘welk herstel ons inziens even onmogelijk is als in de tijden van de Reformatie, omdat de fundamenten van onze Gereformeerde Kerk daar zijn weggenomen’.
Brummelkamp daarentegen voelde zich thuis in de kring van de Christelijke Vrienden - dat waren de mensen van het Reveil, die in de eerste tijd na de Afscheiding laag neerzagen op die afgescheidenen en de Afscheiding zelfs veroordeelden. Hoewel ze in reactie op de vervolgingen van de afgescheidenen later milder in hun oordeel werden, dachten ze er in de verste verte niet aan zich af te scheiden van de Hervormde Kerk. Toch noemde Brummelkamp hen voluit broeders en oefende gemeenschap met hen, niet alleen in hun samenkomsten, maar ook door zijn onkerkelijke handelingen.

Onkerkelijke handelingen

Wij wezen al op het eigenzinnige van Brummelkamp. Als consequentie van zijn hierboven genoemde opvatting over de eenheid over de kerkmuren heen, ging hij keer op keer zijn eigen onkerkelijke gang.
We geven daar enkele voorbeelden van:
Hij zag er geen enkel bezwaar in om een hervormde predikant te laten voorgaan in ‘zijn’ kerk. Zelf ging hij van tijd tot tijd hier en daar ook voor in hervormde kerkdiensten. En dan gaf hij ook wel gezangen op in die dienst.
Zo had hij een nauwe band met ds. J. de Liefde in Amsterdam, die predikant was van een Vrij Evangelische Gemeente. Deze was vroeger doopsgezind geweest en had daar nog baptistische ideeën uit overgehouden. Maar dat vond Brummelkamp geen bezwaar om hem in de kerkdiensten in de gemeente te Arnhem te laten voorgaan.
Ook ten aanzien van de sacramenten ging hij zijn eigen dwaalweg: kinderen van niet-kerkleden werden door hem gedoopt. Verontruste hervormden werden toegelaten tot het Heilig Avondmaal. Hij heeft zelfs een kind van Wormser, die na zijn schorsing door de kerkeraad van Amsterdam een eigen ‘vrije gemeente‘ had gesticht, gedoopt, nota bene in het huis van mevr. Zeelt! Wormser typeerde zelf zijn gemeente als: niet-afgescheiden en niet-hervormd. En het was de bedoeling als het 'interkerkelijke’ seminarie tot stand kwam, dat die gemeente van Wormser eraan verbonden zou worden en haar samenkomsten zou houden in hetzelfde gebouw, zodat dat seminarie een echte geloofsgemeenschap zou zijn, ongeacht de kerkelijke afkomst van de docenten en studenten. Ook daarin moeten we instemmen met de Schrift: er is niets nieuws onder de zon!
Huwelijken van niet-kerkleden werden door Brummelkamp kerkelijk bevestigd. Hij verweerde zich tegen de kritiek hierop met de uitspraak dat het toch broeders zijn en dat we niet sektarisch moeten zijn en de broederhand moeten uitsteken. Hij was van oordeel dat aan niet-kerkleden het Heilig Avondmaal niet mocht worden onthouden. Het enige verschil met hen, zo meende hij, is een kerkelijke zienswijze. Met mensen als Luther, Bunyan, Spurgeon, zo oordeelde hij, bestond er eenheid.
Omdat volgens hem de Afscheiding alleen maar was een afscheiding van het bestuur van de kerk, niet van het kerkgenootschap zelf, kunnen alle hervormden, die gelovig zijn, de ‘Bondszegelen’ ontvangen.
Dat was alles het schema van de zogenaamde gereformeerde gezindte.
Opmerkelijk dat die opvatting over wat de Afscheiding volgens Brummelkamp was ook in de tijd van de Doleantie opgeld deed. Van de kant van de dolerenden werd toen kritiek geoefend op het standpunt van de afgescheiden kerken, die inzake de reformatie van de kerk bleven vasthouden aan de roeping van ‘zich afscheiden van degenen die niet van de kerk zijn’.
Dat was dus niet maar een theoretisch verschil van het benoemen van Afscheiding en Doleantie, maar de opvatting van de dolerenden moest leiden tot de leer van de pluriformiteit van de kerk. Een dwaalleer die wel onuitroeibaar lijkt te zijn en die zijn duizenden heeft verslagen en heel wat schade heeft toegebracht aan de het kerkvergaderend werk van Christus!

Dit alles werd openlijk door Brummelkamp gepropageerd, onder andere in de toenmalige BAZUIN. En ook in praktijk gebracht, voor zover hij daartoe de kans kreeg.
Hij heeft daarmee een kwade invloed uitgeoefend op de jonge kerken, omdat daardoor de ‘interkerkelijkheid’ werd bevorderd.
Later heeft hij die verkeerde invloed ook geoefend op zijn studenten in Kampen.
Bij dit alles zag hij niet in hoe hij daarmee inging tegen Schrift en belijdenis. Hij trad als predikant op krachtens zijn eigen opvatting, maar zonder enige bevoegdheid tot het bedienen van de sleutelen van het hemelrijk. Immers, de volmacht tot bediening van de verzoening geeft Christus alleen door middel van de roeping door de kerkeraad. Dat geldt uiteraard ook voor de bediening van en de toelating tot het Heilig Avondmaal. Dat is voluit de zaak van de kerkeraad.
Maar het was langzamerhand zo geworden dat verontruste hervormden geregeld bij de afgescheidenen kerkten en daar ook Heilig Avondmaal vierden, maar intussen wel gewoon lid van de Hervormde Kerk bleven. Zij waren een soort ‘bijwoners’. Daarmee werd de halfslachtigheid gesanctioneerd in de afgescheiden kerken. Want met name binnen de groep rond Brummelkamp, de kerken van Overijssel en Gelderland, werd deze ‘interkerkelijke’ praktijk nagevolgd.
Maar in de kerken die gewoon binnen het verband gebleven waren was het heel anders. Een duidelijk voorbeeld is ds. H. Joffers. Deze ijverde zeer voor het beginsel van de Afscheiding. Volgens hem was het zelfs reden voor censuur dat een kerklid een kerkdienst in de Hervormde Kerk bijwoonde. Er waren toen meer predikanten en gemeenteleden die de belijdenis handhaafden dat ieder schuldig is zich bij de kerk van Christus te voegen en dat beginsel van de Afscheiding handhaafden.
Ds. Joffers heeft zijn bezwaren tegen Brummelkamp in de kerkelijke weg aan de orde gesteld, onder meer toen deze benoemd werd als hoogleraar en ook daarna tegen diens onderwijs.
De opvattingen van Brummelkamp werkten door in zijn plannen om een interkerkelijke opleiding tot de Dienst des Woords op te richten. Die plannen leden pas op het allerlaatste moment schipbreuk.

Daarover DV de volgende keer.