Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

A. Brummelkamp – kerkelijk verdeeld – christelijk samen?

Jaargang: 
5
Datum: 
14 dec. 2011
Nummer: 
45
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
960
Rubriek: 

We vervolgen de les van de geschiedenis van de afgescheiden kerken en van de rol van Brummelkamp daarin. Wij wezen al op zijn opvatting van christelijke eenheid ondanks kerkelijke verdeeldheid. Die opvatting heeft hij in praktijk gebracht in allerlei onkerkelijke daden. Maar hij heeft die ook publiek verdedigd en in de afgescheiden kerken uitgedragen en daardoor een kwade invloed op die kerken uitgeoefend.

Het Christelijk Gereformeerd Seminarie


Brummelkamp heeft zijn idee over christelijke eenheid vooral vorm willen geven in zijn pogingen om de opleiding tot de dienst des Woords een interkerkelijk karakter te geven.
Dat zou dan moeten gebeuren door de oprichting van zo n opleiding als het Christelijk Gereformeerd Seminarie.
Zoals verscheidene predikanten in de afgescheiden kerken had ook hij in Arnhem een eigen opleiding.
Het seminarie dat hem voor ogen stond zou in Amsterdam gevestigd moeten worden. Hij wilde zijn eigen opleiding dan naar Amsterdam verplaatsen.
Weliswaar kon hij dan moeilijk aan zijn standplaats in Arnhem verbonden blijven, maar van een beroep naar Amsterdam was geen sprake. Daar was ds. Van Velzen predikant en de gemeente stond niet te springen om Brummelkamp als predikant te beroepen.
Maar dat was voor hem geen bezwaar. Hij was als dominee zonder traktement om zo te zeggen onafhankelijk, een freelance predikant, een vrije vogel!
In de jaren 1846-1849 heeft hij verschillende pogingen gedaan om bijval te krijgen voor zijn project. Hij zocht die allereerst bij de mannen van het Reveil.
Dat was in die tijd een beweging om het geestelijk verval in kerk en samenleving te keren en te komen tot een terugkeer tot het Woord van God. Zij stonden daarbij afwijzend tegenover de Afscheiding en waren van oordeel dat de reformatie van de kerk moest plaatsvinden binnen de Nederlands Hervormde Kerk en beslist niet door een afscheiding. Als verontrusten binnen die kerk zagen zij dat als hun roeping.
Ook daarin is er niets nieuws onder de zon!
Brummelkamp voelde zich, zo schreven we al in het vorige artikel, met hen als broeders nauw verbonden.
Daarnaast trok hij met name in dit project op met J. A. Wormser. Dat was een deurwaarder in Amsterdam die lid was geweest van de kerk aldaar. Maar door ongegronde beschuldigingen tegen ds. Van Velzen en zijn weigering om het vermaan van de kerkenraad aan te nemen is hij geschorst als ouderling. In plaats van zich aan die schorsing te onderwerpen en terug te keren van zijn dwaalweg en ook in plaats van zich in de kerkelijke weg op de classis te beroepen stichtte hij een eigen gemeente, een zogenaamde vrije kerk. Die was, zo beweerde hij, niet afgescheiden en niet hervormd!
Samen hebben Brummelkamp en Wormser de oprichting van het Christelijk Gereformeerd Seminarie aangekaart bij de zogenaamde 'Vrienden', de verontrusten in de Hervormde kerk.
Die voelden er niet veel voor. Zij keken met een scheef oog naar Brummelkamp en waren bang om op een of andere wijze in het vaarwater van de Afscheiding te komen. En dat was iets wat zij beslist niet wilden!


Het geld is er


Maar toch lukte het Brummelkamp en Wormser hen erbij te betrekken, omdat zij met geld op tafel kwamen. Dat was in 1850. Een schatrijke dame, mevrouw Zeelt, had gehoord van de plannen en gaf hen het vorstelijke bedrag van 20. 000 (dat was in die tijd achtmaal het jaartraktement van een predikant, dus nu ongeveer 800. 000!). Uit de rente daarvan kon het salaris van een docent worden bekostigd.
Zo kwam de zaak in een stroomversnelling. Bovendien gaf mevr. Zeelt korte tijd later nog 2500, bestemd voor de huisvesting van het seminarie. Het werd dus tijd om de plannen wereldkundig te maken.
Brummelkamp rekende ook op bijval uit zijn eigen achterban, de afgescheiden kerken. De synodes van die kerken hadden ook plannen voor de opleiding tot predikant. Wij schreven er al over dat die plannen niet echt van de grond kwamen. Maar de synode van 1851 verwierp toch de gedachte aan een opleiding 'die ook aan het opzicht en bestuur van niet-gescheidenen onderworpen is-dat zag op de plannen van Brummelkamp.
Op die synode kon men het op verschillende punten niet eens worden over de oprichting van de eigen Theologische School. En dat betekende voor Brummelkamp dat hij toch wel op morele en financiele steun van de kerken voor zijn plannen kon rekenen.
Temeer omdat de opleiding van Brummelkamp een plaats zou krijgen in Amsterdam en de studenten aan de verspreide opleidingen daar zouden kunnen gaan studeren.
Er werd een gebouw in Amsterdam aangekocht dat geschikt gemaakt kon worden voor seminarie, pastorie en kerkzaal-dat laatste voor de samenkomsten van Wormsers vrije gemeente! Daarin zou Brummelkamp en ook andere predikanten optreden voor prediking en sacramentsbediening en dat alles geheel op eigen gezag, zonder roeping en toezicht van een kerkeraad!
Een Acte van Constituering werd opgesteld, waarin als doel van het seminarie genoemd werd 'de levende voortzetting en organische ontwikkeling van de in Nederland bestaande Gereformeerde Gezindheid, in haar gehele omvang'.


Opening van zaken


Het was tijd geworden om met de plannen, die in zo'n vergevorderd stadium van uitvoering kwamen, de publiciteit te zoeken. Dat gebeurde door middel van een aankondiging in De Nederlander op 5 december 1850. Daarin werd het doel van de vestiging van het interkerkelijke seminarie aangeduid als volgt:

    Aan de Afscheiding een meer nationaal karakter te geven en haar van het sektarisch voorkomen, dat zij in de laatste jaren heeft aangenomen, weder te ontdoen. Dientengevolge zou men, als niet gescheiden van de kerk, maar van het kerkbestuur, al de leden van de Hervormde Kerk, tegen wier belijdenis en wandel geen bepaalde bezwaren bestaan, ook zonder dat zij zich afscheiden, tot het ontvangen der Bondszegelen voor zich en hun kinderen toelaten.

Brummelkamp had bij zijn bezoeken aan Amsterdam het contact met zijn broeders en zusters daar stelselmatig vermeden en zich niet uitgelaten over de voortgang van zijn plannen. Het was dan ook te verwachten dat deze verklaring in afgescheiden kringen veel verontwaardiging en protest opriep.
De kerkeraad van Amsterdam liet in het Handelsblad van 9 december een verklaring plaatsen waarin hij het seminarieplan zoals het nu was gepresenteerd afwees. De kerkeraad wilde wel aan een goede vereniging meewerken maar niet aan een vermenging van kerkgenootschappen en een onafgescheiden blijven van kerkbesturen die men wilde verwerpen. Ongetwijfeld vreesde de kerkeraad dat Brummelkamp en anderen in de vrije gemeente van Wormser zouden gaan optreden en zo een voor velen aantrekkelijke vrije gemeente zouden vormen in een niemandsland tussen de hervormde en de afgescheiden gemeente.
Als Brummelkamp op dat spoor verder ging, brak hij in feite met de Afscheiding.


Ommezwaai van Brummelkamp


Toen Brummelkamp zowel de verklaring van het bestuur over het seminarie als ook het antwoord van de kerkeraad van Amsterdam in de krant las schrok hij geweldig. Hij zag nu ineens in dat hij op een verkeerde weg was gegaan met zijn dubbele agenda:
aan de ene kant onderhandelingen over kerkelijke eenheid met particuliere synodes en gesprekken op de Generale Synode van 1849;
aan de andere kant toch een zeker afscheid van de afgescheiden kerken.
Toch was die schrik er maar voor even. Hij ging daarna namelijk volop verder met Wormser, die alles zag in het licht van zijn ideaal: samenwerking tussen hervormden en afgescheidenen. Desalniettemin bleven de verontrusten in de hervormde kerk aarzelen. Zij waren bang voor te veel invloed van de afgescheidenen. Maar op den duur vond men elkaar toch wel weer met wat geven en nemen.
Op. 8 oktober 1851 was er een vergadering van de Christelijke Vrienden (de verontrusten in de Nederlandse Hervormde kerk), waarop men de aanstaande opening van het seminarie wilde regelen.
Maar de zo moeizaam verkregen eensgezindheid brak in deze samenkomst door toedoen van Brummelkamp plotseling weer uiteen. Al sprekende poneerde hij namelijk de stelling dat er in de hervormde Kerk niet één getrouwe predikant of lid was.
Aan hem werd toen gevraagd of dat betekende dat zijn hervormde mededocenten zich op een zondige weg bevonden. Het antwoord luidde bevestigend.
Daartegenover beriep men zich op de eerder gemaakte afspraak dat men zowel het zich afscheiden als het hervormd blijven voor God en mensen aanvaardbaar verklaarde.
Daarop zei Brummelkamp dat hij zich aan die afspraak niet gebonden achtte. Als iemand een hervormde kerkdienst bijwoonde moest hij niet in de collecte geven, zei hij. Dwaalleraars moet men tijdens de dienst voor het front van de gemeente tegenspreken. De Hervormde Kerk was geen kerk, maar een genootschap. Brummelkamp erkende de hervormde gelovigen op soortgelijke wijze als de paus de protestanten erkende.
Daarmee was de samenwerking verbroken.


Reactie op kritiek


Hoe kwam Brummelkamp zo ineens tot zo'n complete ommezwaai? Daar zijn wel aanwijzingen voor.
Een week eerder had hij zich op een provinciale samenkomst van de scheurkerken in Gelderland moeten verantwoorden over de wijze waarop het Christelijk Gereformeerd Seminarie buiten het opzicht van de kerk werd gehouden. Immers, op die manier raakt de kerk de zeggenschap over haar eigen opleiding kwijt.
Verder spraken zij uit dat Brummelkamp iets moest publiceren om te tonen dat hij nog goed gereformeerd en recht afgescheiden was.
Op diezelfde dag publiceerde Van Velzen zijn reactie op de verklaring Van het bestuur van het seminarie onder de titel De ontworpen oprichting van een Christelijk Gereformeerd Seminarie te Amsterdam of de Kerk onder voogdij.
Daarin geeft hij in de eerste plaats aan dat de opleiding van predikanten een taak is van de kerk. En dat nu enkele particuliere personen zich dit werk aanmatigen en dan nog wel buiten elke kerk om. Op sympathie van de Christelijk Gereformeerde Kerk hoefden zij niet te rekenen, zeker niet nu ze die er op de voorbije synode zo uitdrukkelijk buiten hadden gehouden. Verder wees hij er op dat wanneer straks sommige docenten in het seminarie kerkdiensten gingen leiden, dat ze dan door geen enkele gemeente geroepen waren, noch hervormde noch afgescheiden.
Was er dan geen gemeente van de HEERE in Amsterdam aan welke het recht daartoe toekwam? Dergelijk handelen kon niet anders genoemd worden dan indringing en scheurmaking.
Heel duidelijk stelde Van Velzen aan Brummelkamp en de zijnen de vraag of zij zich volgens de artikelen 28 en 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis hadden afgescheiden.
Als zij dat niet durfden te verklaren, dan is hun Afscheiding zonde. Maar als ze dat wel verklaren, dan zijn zij geroepen de kerk te bouwen niet naar eigen inzicht, maar ieder op zijn eigen post.
Deze kritiek en oproep, gevoegd bij wat hij in zijn eigen achterban al te horen had gekregen, maakte op Brummelkamp indruk. Hij ging inzien dat hij op een verkeerde weg was geraakt en dat de vestiging van het Christelijk Gereformeerd Seminarie in Amsterdam een verkeerde onkerkelijke daad zou zijn. Hij wilde in elk geval beslist zijn band met de afgescheiden kerken aanhouden.
Toch was zijn optreden op de vergadering van de verontrusten, waar hij de samenwerking beeindigde, niet open en eerlijk. Hij zette bewust het breekijzer in de met veel moeite tot stand gebrachte samenwerking, zonder te verklaren hoe hij daartoe zo ineens gekomen was.
In de voorbije tijd had Brummelkamp zich van stap tot stap door de idealen van Wormser en het geld van mevrouw Zeelt steeds verder laten meenemen op een weg, die zich verwijderde van de Afscheiding en naar een kerkelijk niemandsland voerde.
Hij was onder invloed van de mannen van het Reveil ontvankelijk geworden voor de idealen van de gereformeerde gezindte.
Het was echt op het allerlaatste ogenblik dat de hele zaak werd afgelast. Je zou kunnen zeggen: hij was als een brandhout uit het vuur gerukt!
Hij had al een huis in Amsterdam gehuurd. In Arnhem was de huur opgezegd, de meubels stonden gepakt, een schipper was besproken en alles was klaar voor de verhuizing. Enkele studenten waren al naar Amsterdam vertrokken. Dit alles moest nu teruggedraaid worden. Hij riep de studenten terug naar Arnhem en begon op maandag 3 november opnieuw de lessen. Hij ging weer verder in het oude spoor. De droom van het seminarie was voorbij.
Maar zag hij nu ook echt zijn afdwaling in?
En hoe ver die hem had doen wegdwalen uit zijn roeping voor de HEERE? En het gevaar om ergens uit te komen waar je eerst helemaal niet naar toe wilde?
We zullen het later zien. Want er is nog heel wat te vertellen over het vervolg.
In elk geval was de weg nu vrij voor de synode van 1854, waar eindelijk besloten kon worden tot de oprichting van de eigen Theologische School en de vereniging met de scheurkerken onder leiding van Brummelkamp tot stand werd gebracht.
Daar werd Brummelkamp nota bene na al deze dwalingen benoemd tot hoogleraar aan die Theologische School.
Later zou blijken dat de dwaling bij hem diep geworteld was.