Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

`Bidt u dan zó´ (2)

Jaargang: 
9
Datum: 
29 jul. 2015
Nummer: 
22
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
1532
Rubriek: 


We vervolgen ons artikel van het vorige nummer. De inhoud van onze gebeden zal zich dienen te spiegelen aan het Onze Vader. De laatste zinnen daarin zijn niet de minst belangrijke. Ze bevatten onze lofprijzing aan God. Dit is geen formeel slot, maar een heel bewust climax, hoogtepunt.

Verheerlijking

Omdat de Here Jezus Zelf deze woorden op onze lippen legt om de naam van zijn en onze hemelse Vader te verheerlijken, kunnen we in onze gebeden toch niet plichtmatig of spaarzaam zijn in ons loven van onze God? Hem komt toch alle lof toe in ons leven? Dat is Hem aangenaam. Hoe vaak roept God ons niet in zijn Woord - met name in de Psalmen - op om Hem te loven: Halleluja, looft de HERE!

De lofverheffing in het Onze Vader begint met `Want´. Daarmee verklaren we dat alles in de voorgaande beden kon worden gebeden omdat we zijn grootheid kennen en omdat zijn grootheid dit alles vereist. Zijn naam moet worden geheiligd, zijn koninkrijk komen en zijn wil geschieden, omdat Hij de grote Koning is die alle macht heeft en aan wie alle heerlijkheid toekomt, zelfs tot in eeuwigheid. Hij heeft er rècht op. Hij heeft tegelijk ook alle màcht om waar te maken om dat te geven wat wij Hem gevraagd hebben. Opdat in alles zijn naam geëerd en geprezen wordt.

Ook in de lofverheffing staat het Onze Vader model voor onze eigen geformuleerde gebeden. Laten we nooit vergeten deze lofverheffing een plaats te geven.

Jezus over verhoring

Hoe staat het met de verhoring van onze gebeden? Krijgen we echt wat we vragen? Met het `Amen´ aan het einde van ons gebed, heeft de Here Jezus ons geleerd: verhoring staat vast. Je mag er echt op vertrouwen dat God naar je gebed zal luisteren en er antwoord op geven. Maar hoe zie je dat in de praktijk?

De Here Jezus heeft extra aandacht gegeven aan de zekerheid van verhoring van alle oprechte gebeden. Hij leerde daartoe twee gelijkenissen. De eerste sluit direct aan bij het gebedsonderwijs over het Onze vader: de man die zijn vriend midden in de nacht aan broden helpt (Luk. 11:5-8). De tweede is die van de weduwe en de onrechtvaardige rechter uit Luk. 18:1-8.

In beide gelijkenissen gaat het om mensen in nood. Zij werden in die nood geholpen. Dat hoort er bij ons ook bij. Alleen in de echt noodzakelijke behoeften in de dienst aan de HERE zal Hij voorzien. We zullen niet zomaar een wensenlijstje aan de Here mogen voorleggen.

Verder leert de Here in samenhang met zijn inhoudelijk gebedsonderwijs ook hoe vaak en hoe we zullen bidden in nood om het nodige te mogen verkrijgen:

Bidt en u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden. (Matt. 7:7-11; Luk. 11:9-13).

We horen daarin drie aansporingen: bidt, zoekt, klopt! Driemaal: dat wijst op een dringend, aanhoudend en vurig bidden. De werkwoordsvorm van de grondtekst wijst op aanhouden: blijf bidden, blijf zoeken, blijf kloppen. In de volgorde zit een toename van intensiteit.

Bidden is hier vragen naar het nodige, waar je zelf geen recht op hebt. Vragen om wat je alleen als gunst mag ontvangen. Omdat je het nodig hebt, zul je het niet bij één keer of een paar keer vragen laten. Maar ermee doorgaan totdat je het gevraagde uiteindelijk hebt ontvangen.

Bidden is hier dus dringend smeken, gericht op verhoring van het gebed in afhankelijkheid èn verwachting.

Bij dit vragen wil de Here geen onzekerheid zien. Alsof je je zou afvragen of Hij je wel hoort, of Hij je wel antwoord wil geven. Aarzeling is niet op zijn plaats in ons gebed. De Here Jezus (`Ik zeg u´) zegt: vraag, smeek. Afhankelijk èn vrijmoedig. Doorgaand en pleitend. Zoals Psalm 81 zegt:

Open maar uw mond, bidt tot mij vrijmoedig, pleit op mijn verbond, al wat u ontbreekt, schenk Ik, als u ´t smeekt. Mild en overvloedig.

Als tweede aansporing zegt de Here Jezus: zoekt! Zoeken vraagt meer actie. Biddend en werkend zie je op naar de Here of Hij het je wil geven. Als je bijvoorbeeld ziek bent, zul je om genezing mogen vragen. Maar je zult ook biddend om Gods zegen een arts raadplegen en je medicijnen innemen. Als er spanningen zijn om werkloosheid, zul je mogen bidden om werk, maar je zult dat werk ook moeten opzoeken, al biddend. Maar het belangrijkste zoeken is hier het zoeken van Gods koninkrijk en zijn gerechtigheid. Dat geldt ook voor onze dagelijkse levensbehoeften (Matt. 6:33). Dat zoeken van Gods koninkrijk vraagt dagelijkse activiteit van ons om zijn beloften te verstaan en zijn wil te kennen en ons daarop te richten. Juist ook met het oog op onze wensen voor ons dagelijks onderhoud.

De zekerheid van verhoring

Maar wat als je je hiervoor inspant en je toch niet dat zo nodige ontvangt? Dan zegt de Here: `Klopt´. Kloppen is intensiever: met de grootste aandrang worstelen met de Here: Here doe mij toch open. Here hoor toch mijn gebed en zie toch mijn nood! Kloppen tot er open gedaan wordt.

Het is het opzenden van een vurig aanhoudend gebed waarmee we doorgaan tot de tijd dat de Koning, die onze Vader is, voor ons de deur opent en ons alles geeft wat nodig is.

De Here Jezus is zéker van Gods antwoord op deze gebedspraktijk:

Bidt en u zàl gegeven worden, zoekt en gij zùlt vinden. Klopt en u zàl opengedaan worden.

Het is onverdiende genadegave waar wij voor bidden, maar we mogen er zeker van zijn, dat wij antwoord krijgen van onze hemelse Vader. God wil erom gebeden worden, voordat Hij ons uit genade het zo nodige geeft. Daarom laat Hij ons vaak doorgaan met bidden. Opdat wij beseffen: ik verdien het niet. Ik moet erom smeken. Maar dan geeft mijn Vader in de hemel ook mild en overvloedig. Het komt alles van Hem. Wat een genade!

Onverhoorde gebeden?

Maar er zijn toch ook situaties waarin we niet kunnen vaststellen dat we van de Here krijgen waar we voor bidden? Ook niet na vurig en aanhoudend gebed. Zelfs niet als het gaat om zaken waarvan we vinden dat ze echt noodzakelijk zijn, voor ons persoonlijk leven, voor ons gezin, voor de kerk. Het vinden van werk bij werkloosheid, het krijgen van kinderen bij kinderloosheid, het vinden van een vriend of vriendin als we alleen zijn. Bekering bij onze kinderen of vrienden als ze van het pad van de Here afraken. Genezing van een kwellende aandoening of aanvechting.

Wat te doen als we menen te moeten ervaren dat de Here ons vurig aanhoudend gebed niet verhoort? Dan zullen we ons eerst moeten afvragen, of we er wel echt op vertrouwd hebben dat de Here het ons kàn schenken. Of we niet aan Hem twijfelen. Of we de Here niets verwijten als Hij het ons niet direct geeft. Of we in ons bidden echt geloof en afhankelijkheid tonen.

Ons gebed mag toch niet een afdwingen zijn? Zoals de Farizeëer bad in hoogmoed in Lukas 18:9-14. Alsof wij recht hebben op wat we bidden tot de Here?

Bij zogenaamde onverhoorde gebeden zullen we ons verder moeten afvragen of we verder wel echt geloof tonen in ons leven. Als we in ons leven onze eigen zondige weg gaan, zal de Here niet naar onze gebeden willen luisteren. Dan kunnen onze gebeden belemmerd worden (1 Petr. 3:7).

Ook zullen we toch altijd moeten aanvaarden, dat de Here het anders heeft goed gedacht dan wij? Zelfs in onze vurige smeekgebeden zeggen we toch ook: Maar uw wil geschiede.

Het kan inderdaad voorkomen dat we bij een gelovig volhardend gebed, van de Here het gewenste niet ontvangen. Zo heeft Paulus de Here drie keer gebeden of Hij een kwelling van hem wilde weghalen. Een doorn in het vlees, die hem zo hinderde dat hij deze omschreef als `een engel des satans die hem met vuisten sloeg´. Maar de Here liet Paulus toen op zijn gebed weten: `mijn genade is u genoeg´, 2 Kor. 12:9. Paulus moest klein blijven en genoeg hebben aan de genade van de Here. Die genade was dat de Here naar Paulus had omgezien, hem gered van de ondergang, en hem tot zijn apostel had gemaakt. Ook wij moeten dit leren aanvaarden, zodat we kunnen blijven zeggen: `De Here is mijn herder, mij ontbreekt niets´, (Psalm 23).

Gods wijze van verhoring

Als we het gewenste niet ontvangen, wil dat niet zeggen dat de Here ons gebed niet verhoort. Hij kan ons gebed wel op een andere wijze beantwoorden dan wij kunnen bedenken. De Here Jezus leerde zijn discipelen ook over Gods wijze van verhoring in Luk. 11:11-13: `Als je zoon je om een vis vraagt, zal je hem toch geen slang geven". De Here zei daarmee niet: `dan geeft je hem een vis´. Maar `dan zul je hem niet het kwade geven, maar het goede´. Dat is in dit geval iets goeds te eten. Dat kan een vis zijn, maar je als die niet hebt, geef je je zoon iets anders te eten. De Here geeft ons op ons gebed het goede, ja het beste, ook al zien we dat zelf niet altijd zo (Rom. 8:27).

Wat de Here altijd waarmaakt, is het vervullen van zijn beloften. Dat is niet gelijk aan het vervullen van onze wensen. Daarom zullen wij onze wensen die we bij de Here neerleggen ook moeten richten op de vervulling van Gods wil en zijn beloften en op onze dienst aan Hem.

De eerste grote belofte die de Here ons wil geven, is de gave van de Heilige Geest. Juist deze gave noemt de Here Jezus in Luk. 11:13 als het allesomvattende bewijs hoe goed God is voor ons als zijn kinderen en hoe trouw Hij daarbij is aan zijn beloften.

Gebedspraktijk vraagt voorbereiding

Het gebedsonderwijs van de Here Jezus dient ook ons tot voorbeeld. Zo ging de Here soms de rust van de nacht opzoeken, om tot zijn Vader te bidden, soms urenlang.

In alles heeft de Here Jezus ons geleerd dat ons gebed als spreken tot God de Vader een essentieel onderdeel is van ons verbondsleven, van onze vertrouwelijke omgang met de Here. Dat gebed vraagt ootmoed en vertrouwen. Afhankelijkheid en dankbaarheid. Rust en eerbied.

Ons gebed zal nooit een sleur en automatisme mogen worden. We spreken immers tot de hoogste majesteit? De Here verwacht van ons om nu zó te bidden als de Here Jezus het ons heeft geleerd. Als we dat onderwijs van onze Heiland ter harte nemen, hoe kunnen wij dat op goede wijze doen zonder eerbiedige voorbereiding? Ons bidden is weliswaar een zaak van ons hart, maar toch ook van ons verstand? Hartelijk oprecht bidden dient ook eerbiedig en zorgvuldig te zijn. Dat vraagt een goede voorbereiding.

Wat goed zou het bijvoorbeeld zijn als we onze dagelijkse voorbeden vooraf aan ons gebed uitzoeken. Zouden we ons er niet meer op moeten toeleggen om in ons gebed ook te antwoorden op het Schriftgedeelte dat we voorafgaand aan tafel lezen?

Het is toch merkwaardig als God eerst tot ons spreekt in zijn Woord en wij vervolgens in ons gebed daar helemaal niet op ingaan? Nee, ons gebed zal dan geen preek moeten zijn over wat God tot ons heeft gesproken. Maar toch wel een eenvoudig `Amen´ op de beloften die Hij ons openbaart. Of een eenvoudig bidden om Gods hulp om de door Hem aangewezen weg te gaan? Of een woord van dank over wat we hebben gelezen van zijn goedgunstigheid?

Tenslotte zal ons gebed als het voornaamste stuk van onze dankbaarheid toch ook een gaaf offer behoren te zijn. Dat vraagt voorbereiding en oefening.

Laten we niet vergeten dat onze gebeden op `gouden´ schalen als reukwerk voor de Here worden gebracht (Openb. 5:8, zie ook Openb. 8:3,4). De Here neemt onze gebeden serieus, laten wij ze ook serieus nemen. Zodat we ook daarin de Here welgevallig mogen zijn.