Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Bewaart uzelf in de liefde van God*

Jaargang: 
6
Datum: 
03 okt. 2012
Nummer: 
37
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
1081
Rubriek: 


Judas 20, 21:

Maar gij, geliefden, bewaart uzelf in de liefde Gods,

door uzelf op te bouwen in uw allerheiligst geloof

en door te bidden in de heilige Geest,

verwachtende de ontferming van onze Here Jezus Christus ten eeuwigen leven.

Uiterste

Als kerk van Christus mogen we op weg zijn naar de eeuwige heerlijkheid, waarin we Gods nabijheid eeuwig zullen mogen ervaren en aanschouwen.

Allen die in het boek des levens staan, zullen eens mogen worden opgewekt ten eeuwige leven (Dan. 12 : 1, 2; Matt. 24 : 13, 31; Openb. 3 : 5, 20 : 12). Om altijd bij hun God en bij hun Heiland te zijn. Dat einddoel is heerlijk, de hoop daarop maakt ons blij. Maar de weg ernaar toe is nog moeilijk. Het is een smalle weg langs veel gevaren. Het is een weg die strijd en lijden met zich meebrengt, verdrukkingen en verleidingen. Gevaren van buitenaf en van binnenuit.

God wil ons zo op die weg zuiveren, louteren, en beproeven of wij wel echt naar Hem verlangen. En echt met Hem gemeenschap willen hebben.

Op die moeilijke weg naar de eeuwige heerlijkheid, zal Christus met ons gaan. Dat heeft Hij met nadruk beloofd aan Zijn kerk. Matt. 28 : 20:

En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.

Onze Heiland gaat ons voor. Hij geleidt ons door Zijn Woord en Geest. Op ons gelovig gebed schenkt Hij ons steeds het nodige. Met Zijn Geest ook alle andere nodige gaven en krachten. Het komt er nu op aan om dit alles gelovig af te bidden, aan te nemen en te gebruiken. Ook als de weg die de kerk moet gaan uiterst kritiek is. Bijvoorbeeld bij aanvallen van binnenuit. Aanvallen die je van de weg naar het eeuwige leven met God af kunnen brengen, als er geen waakzaamheid is en de weerstand te zwak is.

Judas schrijft daarover in zijn kleine geschrift. Hij roept de lezers op om tot het uiterste te strijden voor het geloof, vers 3. Vanaf het begin noemt Judas de lezers steeds ‘Gods geliefden’. Hij mag hen bemoedigen dat God hen voor Jezus Christus wil bewaren. Voor Zijn volkomen verlossing op de jongste dag.

Maar Judas schrijft ook over een groot gevaar. Hij wijst dwaalleraars aan die kennelijk ongemerkt zijn binnengeslopen in de gemeenten waaraan hij zijn brief richt. In een scherpe tekening typeert hij ze. Als je met hen mee zou gaan dan zou je het eeuwige leven missen, de eeuwige zaligheid.

De daar toen rondwarende dwaalleer hield in dat men wel de genade van Christus noemde, maar dat men daarbij niet de gehoorzaamheid aan Christus aanvaardde. Zo hield deze dwaalleer een verloochening van Christus in en leidde daarom tot ondergang en eeuwig oordeel.

Er was dus toen al voor de nog jonge christelijke kerk een doorgaande strijd nodig, die van haar alle inspanning vroeg. De Here had gezegd dat Hij hen wilde bewaren, maar de dwaalleer zou hen alsnog de heerlijkheid kunnen doen missen.

Hoe moest deze gemeente daarin verder om niet meegesleurd te worden? Hadden ze daar bijzondere eigenschappen voor nodig? Een bijzondere oorlogs-training?

Het antwoord daarop lezen we in het slot van deze korte brief. Ik wil vooral voor de verzen 20 en 21 aandacht vragen. Zie het citaat bovenin dit artikel.

Verlangen

Om met vers 21 te beginnen: er was een verwachtend geloof nodig! Een geloof dat verlangend uitziet naar de Here Christus en Zijn ontferming. Een geloof dat zeker weet dat er in Christus vergeving van de zonden zal zijn. Rechtvaardiging door Zijn verlossend werk. Vrijspraak van het laatste oordeel.

Een geloof dat daarom weet: Als Christus terugkomt heeft Hij zich eerst om mij voor Gods rechterstoel gesteld, en heeft Hij de vloek van mij weggenomen. En daarom zal Hij mij met alle uitverkorenen tot Zich nemen in de hemelse blijdschap en heerlijkheid

(HC, Zondag 19).

Dàt geloof moet de kerk vasthouden, dat verlangend geloof moet daarom gevoed blijven worden.

Daarvoor is nodig, daar hoort bij, dat de gemeente zichzelf in de liefde van God zal bewaren, vers 20. Wat betekent dat: jezelf bewaren in de liefde van God? Kunnen we dat wel zelf?

Bewaren

Judas heeft de lezers eerst geschreven dat God hen lief heeft, Hij heeft hen toch Zijn Zoon gegeven en Zijn Geest. Hij vraagt nu om dit heerlijke geschenk van Zijn liefde aan te nemen, door Hem nu ook aan te hangen met een waar geloof, vaste hoop en vurige liefde.

God geeft ons de Zoon van Zijn liefde, maar ook Zijn Woord en Zijn Geest om in Hem te geloven en uit dat geloof te leven. Nu zal moeten blijken of wij Zijn liefde aannemen door Zijn Woord te bewaren en van harte Zijn geboden te doen.

Dàt is blijven in Gods liefde.

Zo staat dit ook op andere plaatsen in de Bijbel, bijvoorbeeld bij het bekende beeld uit Joh. 15 over de wijnstok en de ranken. Uit de wijnstok stroomt Gods liefde in ons. Door Zijn Woord en Geest. Het gelovig aannemen en leven eruit zal moeten blijken uit de vruchten, die vruchten zijn van de Geest, vruchten van door Hem bewerkte geloofsgehoorzaamheid.

De dwaalleraars wilden wel de genade van Christus, maar niet zijn geboden. Wel vergeving, maar geen geloofsgehoorzaamheid. Ze wandelden naar hun eigen begeerten en maakten scheuringen, schrijft Judas in vers 18 en 19. Ze wezen Gods liefde in Christus af en bleven niet in Hem.

Wat Judas nu namens de Here Christus als remedie aanwijst tegen de aanvallen op de kerk is:

Blijf toch gewoon bij Gods Woord dat aan je is overgeleverd. Geef dat niet prijs.

Blijf zo toch in Gods liefde. Door alles aan te nemen wat God je geeft en door daar dan uit te leven met heel je hart, heel je ziel en al je krachten.

Dàn zul je ook niet meegesleurd worden. Dan bewaart God je voor de volkomen verlossing in Christus. Dan zul je de weg mogen vervolgen naar de eeuwige heerlijkheid. Blijven in Gods liefde, wat geeft dat ook nu al niet een rust en zekerheid!

Bouwen

Judas werkt ook uit hoe je jezelf in de liefde van God bewaart. Hij schrijft namelijk:

door uzelf op te bouwen in uw allerheiligst geloof

en door te bidden in de Heilige Geest.

Twee wegen dus om in Gods liefde te blijven: bouwen en bidden.

Eerst over het bouwen. Eigenlijk staat er niet ‘door uzelf op te bouwen in uw allerheiligst geloof’, maar ‘door zelf te bouwen òp uw allerheiligst geloof”.

We moeten geloof hier zien als geloofsinhoud; dus als alles wàt we geloven. Het geloof dat door de apostelen is overgeleverd. Dat is heel Gods Woord. Daar horen ook bij de waarschuwingen tegen afval en tegen valse profeten. Die woorden moesten de lezers zich zelfs goed blijven herinneren (vers 17).

Het werkwoord voor bouwen in vers 20 is hetzelfde als dat gebruikt wordt in de bekende zin ‘gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten’ uit Ef. 2 : 20. Het fundament van de kerk moet zijn en blijven het ongeschonden Woord van God, dat de inhoud van ons geloof moet zijn. Daar zullen wij op bouwen. Dat is vooral ook, daar zullen we uit leven.

Dat bouwen vraagt kennis van dat Woord, goede uitleg ervan, goede verkondiging, overdenking en toepassing ervan. Zodat wij ons denken, spreken en handelen steeds meer naar dat Woord gaan richten. Zo staan we sterk als kerk van Jezus Christus.

Want het zuivere Woord functioneert dan werkelijk als fundament van de kerk, dan is Christus de hoeksteen. Dan kunnen we wel gegrond en standvastig blijven in het geloof en ons niet laten afbrengen van de hoop van het evangelie (Kol. 1 : 23 ).

Zo kunnen we de aanvallen van dwaalleer afslaan en blijven in Gods liefde.

Bidden

Dan nu het bidden. Ook dat is nodig voor het blijven in Gods liefde. Judas schrijft:

en door te bidden in de Heilige Geest.

We hebben de Geest van Christus voor alles nodig in ons leven. Hij zal toch met Gods Woord ons verstand moeten verlichten. Hij zal toch met het Evangelie ons hart moeten bewerken. Alleen door de Geest kan Gods Woord ons weerbaar maken. Ja dan wordt het Woord werkelijk het zwaard van de Geest (Ef. 6 : 17).

Maar als we dan die gave van de Geest mogen ontvangen, moeten we ook in de gezindheid van de Geest willen werken. En dat geldt ook voor ons gebed.

Want hier staat niet biddend om de Heilige Geest. Dat moet ook wel, zeker, elke dag. Maar er staat: biddend in de Heilige Geest. Dat betekent biddend in gemeenschap met de Heilige Geest. Dat veronderstelt ook de gezindheid van de Geest, zoals dat in ons bidden moet uitkomen.

We mogen niet tegen de Geest in bidden. Maar zoals de Geest ons vanuit Gods Woord leert te bidden in afhankelijkheid, in dankbaarheid, biddend om gaven voor het meewerken aan de komst van Gods rijk. Biddend om gaven om het evangelie te verbreiden en om de kerk te bouwen. Biddend om weerstand te kunnen bieden en stand te mogen houden. Met zó’n gebed bidt de Geest mee (Rom. 8 : 26).

In Efeziërs 6 is ook sprake van de geestelijke wapenrusting tegenover leugengeesten (Ef. 6 : 11, 12). Daar wordt het wapen van het Woord van God genoemd als zwaard van de Geest. Maar ook het wapen van het gebed. Paulus wekt daar op om te bidden, ja om aanhoudend te bidden, in de Geest (Ef. 6 : 18).

Als kerk krijgen we dus alles aan gaven om ook stand te kunnen houden tegen aanvallen, om tot het uiterste te kunnen strijden en om daarbij in de liefde van God te blijven en uit te blijven zien naar de jongste dag.

Voor dit alles schenkt Christus ons Zijn Woord en Geest.

Opleiding

In dit verband wil ik dan ook nog kort het belang van de dienst des Woords en de Opleiding tot de Dienst des Woords benadrukken.

Wat deze Opleiding mag doen, staat helemaal in dienst van de opbouw en van de wapenrusting die de kerk nodig heeft. Die dienst des Woords is essentieel voor de bouw op het fundament van de Heilige Schrift en de gereformeerde belijdenisgeschriften. Die dienst des Woords zorgt voor de nodige wapenrusting in de strijd. Die dienst des Woords helpt zo dat je mag blijven in de liefde van God.

Door dienaren te vormen die het Woord van God mogen bewaren en als levende Woord mogen bedienen. Om zo de kerken te mogen toerusten en opbouwen, zodat ook door de levende Woordverkondiging de gemeente wordt opgewekt en opgeroepen om uit Gods Woord te leven en zó zichzelf steeds te bewaren in Gods liefde.

Daarbij heeft onze Opleiding als gereformeerde opleiding ook veel oog voor de waarschuwingen tegen dwaalleer, zoals die ons in Judas en vele andere geschriften in de Bijbel bereiken. We zullen in de Opleiding die dwaalleer moeten willen ontmaskeren en afwijzen. Zo kunnen er straks dienaren voorgaan in het bestrijden van oude en nieuwe dwaalleer, door het Woord te bewaken en te verdedigen. Zo zullen zij de kudde van Christus namens Hem veilig kunnen geleiden samen met de andere ambtsdragers.

Volharden

Jezelf bewaren in de liefde van God, is blijven in de liefde die Hij ons eerst heeft bewezen. Zijn liefde in onze Heiland Christus. Christus wil de zijnen bewaren die Hem zijn gegeven, Zijn kerk. Hij heeft daar Zijn leven voor over gehad.

Hij regeert en leidt haar nu vanuit de hemel. Hij geeft haar de nodige gaven en krachten, de nodige ambtsdragers en dienaren des Woords. Hij roept haar op om daar heel zorgvuldig mee om te gaan. Om tot het uiterste te kunnen strijden. Om te kunnen volharden.

Eens zal Hij terugkomen op de wolken; als wij dan hebben mogen volharden, en gebleven zijn in de liefde van God, met een naar Hem verlangend geloof, zullen we altijd bij Hem mogen zijn in heerlijkheid en in grote vreugde.

Laten we voor ons volharden dan ook steeds op Christus blijven zien. Want God Zelf helpt in Christus Zijn kerk verder op weg naar de eeuwige heerlijkheid.

Hij Zelf doet al de zijnen volharden. Zoals Judas dat aan het slot van zijn brief opmerkt (vers 24, 25):

Hem nu, die u voor struikelen kan behoeden, en onberis-pelijk doen staan voor zijn heerlijkheid in grote vreugde,

de enige God, onze Heiland, zij door Jezus Christus onze Here, heerlijkheid, majesteit, kracht en macht, voor alle eeuwigheid, èn nu èn in alle eeuwigheden! Amen.

* Voordracht gehouden als ‘Vooruitblik’ op de Kerkdag van 22 september 2012 in Zwolle