Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Bewaar uw tong voor het kwade

Jaargang: 
1
Datum: 
12 sep. 2007
Nummer: 
31
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
132

Doe weg van u de valsheid van mond en houd ver van u de verkeerdheid der lippen (Spr. 4:24)
Deze serie Schriftoverdenkingen over Spreuken 4 gaat over Gods onderwijs voor de praktijk van het leven in Zijn verbond. In dit bijbelhoofdstuk wordt aandacht gevraagd voor de methode van dat onderwijs. Hoe geef je dat onderwijs en hoe neem je dat onderwijs tot je? Een groot aantal zaken werden daarvoor tot nu toe aangedragen: Eerbied en ontzag, motivatie en doel, terechtwijzing en gezag, inzet en verlangen, en tenslotte de juiste luisterhouding en verwerking. De bedoeling is uiteindelijk dat het onderwijs in de wijsheid ook zijn uitwerking krijgt in spreken en handelen. Met andere woorden: nu zal moeten worden toegepast wat gehoord en overdacht is. Daarover lezen we vanaf vers 24.

Wat de mond uitgaat

Het is opvallend dat de mond dan op de eerste plaats staat. Met ons spreken hebben we te maken met wat er in ons binnenste leeft. Daaruit zal moeten blijken, hoe het staat met ons hart. Of wij werkelijk een zuiver hart hebben. Een hart dat geen leugen in ons leven duldt. Een hart dat niet bezig is met leugenachtige verdraaiing. Een hart dat zich niet toelegt op vervalsing van de waarheid. Zodat er in onze mond geen bedrieglijke praat komt.
Het gaat in ons spreken niet om een uiterlijke zaak. Je kan je er niet van afmaken door te zeggen, het doet er niet zo toe, wat ik zeg of hoe ik het zeg; als de ‘intentie’ maar goed is. Nee, wat wij zeggen en hoe we praten staat direct in verbinding met ons innerlijk, met ons hart. Daaraan kunnen we zien of ons hart werkelijk rein is. Uit onze woorden moet blijken of in ons de gezindheid van Gods Geest is en of Hij het voor het zeggen heeft. Of dat de gezindheid van het vlees in ons binnenste de overhand heeft (Rom. 8:1-9).

De Here Jezus legt dat verband tussen spreken met de mond en de bezigheden van het hart in Matt. 15:18v:

    Wat de mond uitgaat, komt uit het hart, en dat maakt de mens onrein. Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen. Dat zijn de dingen, die een mens onrein maken.

Dat was een reactie van de Here op het gedrag van de Farizeeën. Die legden grote nadruk op uiterlijke reinheid d.m.v. de door hen ver doorgevoerde reinheidswetten. Maar bij hen was dat maar uiterlijke vroomheid. Het zat niet goed met hun hart. Dat stelde de Here aan de kaak. En daarbij wees hij op allerlei zonden die getuigden van onreinheid van het hart. In de eerste plaats de zonden die uit de mond naar buiten kwamen. Daaronder vallen leugenachtige getuigenissen, godslasteringen.

Een vuur

Ons spreken zegt dus alles over de toestand van ons hart, onze bron, de oorsprong van al ons denken en handelen.
Aan de andere kant, om je tong in toom te houden, is grote zelfbeheersing nodig! We weten dat onze oude natuur in ons steeds de boventoon wil voeren. Ook in ons spreken blijkt dat steeds weer: driftige woorden, verwensingen van anderen of van jezelf, glasharde leugens of ‘leugentjes om bestwil’, kleineren of pesten van een ander, pochen op of opscheppen over jezelf, kwaadspreken of roddelen over een ander, ongepaste of flirtende, vleiende taal. De oude mens wordt dan hoorbaar en grijpt om zich heen. Niet alleen spreek je tot je eigen schade en schande, maar ook beschadig of verleid je de ander!

En het ernstige daarbij is dat er vaak gespletenheid aan de dag komt! Jacobus heeft daar in zijn brief uitgebreid voor gewaarschuwd: Broeders, het kan toch niet zo zijn dat uit één bron zowel zoet als bitter water opwelt? Toch lijkt het zo, want wat ik zie is een dubbelrol: met onze tong loven wij de Here en Vader en met haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis Gods geschapen zijn; uit dezelfde mond komt zegening en vervloeking voort. Dat is onaanvaardbaar! (Jac. 3:9-12)
Gespletenheid van geest leidt tot gespletenheid van tong. Maar dat is de HERE een gruwel. Want dan geldt voor de tong dat,

    zij is een vuur, zij is de wereld der ongerechtigheid; de tong neemt haar plaats in onder onze leden, als iets, dat het gehele lichaam bezoedelt en het rad der geboorte in vlam zet, terwijl zij zelf in vlam gezet wordt door de hel.(Jac.3:6)

Bedwingen

Wie let op zijn woorden, wie zich dwingt om in zijn spreken zuiver en oprecht te zijn, die moet eerst zijn geest bedwingen. Die zal eerst de gezindheid van de Heilige Geest moeten volgen, om de gezindheid van het zondige vlees de kop in te kunnen drukken. Dat blijkt een heel moeilijke opgave te zijn. Vrijwel onmogelijk. Jacobus zegt (3:8)

    De tong kan geen mens bedwingen. Zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn.

Laten we de betekenis van deze woorden niet onderschatten! Ook in onze kerken na de recente vrijmaking is er veel kwaadsprekerij en geroddel. Dat breekt af, en is het werk van de duivel (Jac. 3:6,15). Daar moeten we samen tegen ingaan. Biddend en werkend. Biddend om wijsheid van boven en om de Heilige Geest. Met hulp van Hem kunnen we onze tong wèl bedwingen. Werkend, ook door elkaar te vermanen op dit punt. Door nooit mee te doen met kwaadsprekerij over personen of kerkelijke vergaderingen. Door bij geruchten elkaar te wijzen op de koninklijke weg van Matt. 18 en waar nodig op de kerkelijke weg.

Het onderwijs dat gericht is op het zuivere spreken, behoort tot de elementaire basis van elke geloofsopvoeding. Daar moet je vroeg mee beginnen! Maar het moet ook steeds weer terugkomen.
De Here heeft in zijn goedheid ons er een speciaal gebod voor gegeven, dat we elke zondag weer horen:

    Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.

Aan de uitvoering van dat gebod hebben we onze handen vol. Dat zal ons alleen gelukken als de liefde tot God en onze naaste ons vervult door Gods Geest.

Dat negende gebod maakt ons duidelijk dat we in alles de eer van God moeten zoeken, ook in ons spreken over onze naasten. En daarom zullen we de goede naam en de eer van onze naaste zo veel mogelijk verdedigen. Hij of zij is schepsel van God. Hem of haar moeten we helpen in de dienst aan God. Daarom moeten we radicaal breken met alle vormen van laster en roddel, en van alle kwaadsprekerij. Dat geldt niet alleen de gesproken woorden maar in onze tijd van digitale communicatie ook voor onze e-mails en ons SMN-verkeer.

Tenslotte nog dit: er zal ook radicaal gebroken moeten worden met het goed praten van wat niet goed is. Waardoor we dus de waarheid en het onderwijs van God voor ons leven zouden tegenspreken. Waarmee we onszelf en anderen zouden misleiden bijv. door Gods geboden om te buigen. Waardoor we op gladde, verkeerde wegen zouden komen en anderen daarin meesleuren. Ook dat valt onder het onderwijs van vers 24: “houdt ver van u de verkeerdheid der lippen.”
Ontvlucht dus alle verkeerde leer èn alle bedrieglijke praat. Want anders verontreinig je jezelf, ontheilig je jezelf.