Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Beloofd, geloofd en gekregen

Jaargang: 
3
Datum: 
15 apr. 2009
Nummer: 
14
Schrijver: 
Anneke Heres
ID:
500

Het is mooi dat onze belijdenis eerst uitlegt wat sacramenten zijn. Dat kon je lezen in het vorige artikel over de Nederlandse Geloofsbelijdenis. We zagen daar dat de HERE ons de sacramenten heeft gegeven om ons geloof te voeden en te onderhouden. Ook verzegelt God ons zijn beloften. Het is als een zegel op een brief. Het doel van het zegel is om de inhoud van de brief te bevestigen. Dat heeft God voor ons zo ingesteld. Hij weet hoe zwak ons geloof is. In zijn liefde helpt Hij ons door het evangelie duidelijk voor te stellen in de sacramenten.
Artikel 34 gaat dieper in op één van de sacramenten: de doop.


Verbond

In artikel 34 mogen wij opnieuw ons geloof uitspreken en belijdenis doen. We geloven en belijden de doop. Als we gedoopt worden, wordt Gods naam met die van ons verbonden. En dat is nogal wat! De heilige God wil ons, zondige mensen, als zijn kinderen aannemen. In de doop krijgen wij de beloften van God; daarin ligt alles wat wij nodig hebben voor ons leven hier op aarde en in eeuwigheid. Wat rijk!
Maar wanneer is de doop eigenlijk ingesteld en wie heeft het ingesteld? Om een goed antwoord te krijgen op deze vraag moeten we terug naar het Oude Testament. Toen de HERE met Abraham zijn verbond sloot, zei Hij:

    Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde; gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u. (Gen. 17:10,11).

De besnijdenis was een teken van dat verbond. Het was een verbond dat God alleen met Abraham en zijn nageslacht sloot. Alleen zij, en later alle Israëlieten, moesten worden besneden. Zo was de besnijdenis ook een teken van de heiligheid van het volk. Zij moesten apart staan temidden van de heidense volkeren. Israël was een volk met een hemelse Koning. ‘Weest Mij heilig, want heilig ben Ik, de HERE, en Ik heb u afgezonderd van de volken, opdat gij Mij zoudt toebehoren,’ heeft de HERE tot zijn volk gezegd (Lev. 20:26).

Besnijdenis

De besnijdenis was ook een teken van de gerechtigheid van het geloof; alleen hierdoor kon de Israëliet recht voor God staan. Toch was de uiterlijke besnijdenis alleen geen waarborg dat Gods wil volbracht was. Zij moesten de HERE liefhebben met hun hele hart. De HERE vroeg van de Israëlieten dan ook dat zij de voorhuid van hun hart zouden besnijden (Deut 10:16). Daarmee moesten ze naast de onreinheden van hun lichaam, ook de eigenzinnigheden en hardnekkigheid van hun hart verwijderen. Alleen zo kon het volk de HERE volkomen toebehoren. De HERE belooft in Deut. 30:6 dat Hij dit in hen zal werken.

    En de HERE, uw God, zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden, zodat gij de HERE, uw God, liefhebt met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft.

Ook in het Oude Testament ging het al om geloof en bekering. De Israëliet had net zo goed het offer van Christus nodig om zalig te worden. Naar dat offer wees die besnijdenis dan ook heen. Er moest op de achtste dag bloed vloeien bij dat kleine baby’tje. Op Golgotha stortte onze Heiland zijn bloed uit tot verzoening voor een ieder die gelooft.
Nu begint artikel 34 met de woorden dat Christus een einde heeft gemaakt aan de besnijdenis. Dat deed Hij door het vergieten van zijn eigen bloed. Door zijn dood en bloedstorting heeft Hij een nieuw verbond ingesteld. Dat is het verbond van genade en verzoening. Als teken van dat nieuwe verbond gaf Christus de doop.

Doop

De besnijdenis was o.a. een teken van afzondering. Nu, dezelfde betekenis is gebleven in het nieuwe verbond. De doop is een teken van de inlijving bij de gemeenschap van de kerk. God de Vader wil ons in zijn genade als zijn kinderen aannemen. We krijgen door de doop een plek in de kerk. Dat betekent tegelijkertijd dat we niet bij de wereld horen. Deze aparte plaats eist ook een apart (heilig) leven. Daarom geldt het voor elke gedoopte: gij geheel anders! Gij hebt Christus leren kennen! (Ef. 4:20). De belofte in de doop gegeven geldt immers voor u ’en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal’ (Hand. 2:39). Een bijzondere belofte, met een bijzonder teken voor een apart gezet volk. Artikel 34 zegt in dit verband dan ook dat we ‘van alle andere volken en vreemde godsdiensten afgezonderd’ zijn. Zo is de doop een teken waardoor wij belijden dat we bij Gods volk horen. Ja, bij dát volk, dát geloof, dié religie. Vreemde godsdiensten kennen niet de doop in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Wij hebben Christus leren kennen; onder andere door de doop. Zo zingen we met gezang 32 van ons gereformeerd kerkboek over de kerk van alle tijden, dat dit alleen haar kracht is: één Geest, één vast vertrouwen, één doop, één heilge dis, één Heer, op wie te bouwen haar troost en rijkdom is. Zo is de doop verweven met heel ons geloofsleven en met de kerk van alle tijden (zie ook Ef.4:4-6).
Het is een troostrijke wetenschap dat wij in leven en sterven het eigendom zijn van onze Heiland. Daarover spreekt de catechismus in zondag 1. Christus heeft ons gekocht met zijn kostbaar bloed. Deze troost krijgen wij mee in onze doop. De doop is als een onafwisbaar merk waardoor we bij Christus horen en zijn eigendom zijn. Zoals je door een merk of logo kunt zien waar iemand bij hoort, zo horen wij door het teken van de doop bij Christus. Zoals een soldaat in de strijd herkenbaar is aan zijn veldteken, zo zijn wij herkenbaar als christen in deze wereld. Midden op het ‘slagveld’ van de wereld is te zien bij wie je hoort. Je hoort bij de strijdende kerk en dan geldt ook voor jou, als gedoopte: strijd de goede strijd van het geloof, grijp het eeuwige leven. (1 Tim 6:12).
In die strijd is het veldteken ook een troostteken voor onszelf. De doop ‘dient ons tot een getuigenis dat Hij eeuwig onze God en onze genadige Vader zal zijn.’ (art 34). Door diezelfde zondag 1 weten we wat dit betekent: er zal geen haar van ons hoofd vallen zonder de wil van onze hemelse Vader. Denk er maar vaak aan dat je gedoopt bent: je bent het eigendom van Vader, je bent duur gekocht, je bent veilig bij Hem!

Vader, Zoon en Heilige Geest

‘Christus heeft geboden al de zijnen te dopen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest(Matt.28 : 19), met gewoon water.’ (art 34). In ons doopformulier wordt de betekenis daarvan heel mooi en duidelijk uitgelegd. Misschien heb je het al zo vaak gehoord, dat je gedeelten zo kan meezeggen wanneer het wordt voorgelezen.
Wanneer wij gedoopt worden in de naam van de Vader, verzegelt Hij aan ons dat Hij ons als zijn kinderen aanneemt. We mogen ook erfgenamen zijn van zijn rijk. Hij zal ons voorzien van al het goede. Het kwade zal hij van ons weren of Hij doet het voor ons meewerken ten goede.
Wanneer wij gedoopt worden in de naam van de Zoon, verzekert Hij ons door die doop dat Hij ons door zijn bloed wast en reinigt van al onze zonden. In Romeinen 6: 3 en 4 staat het zo mooi: wij zijn in zijn dood gedoopt, met Hem begraven in de dood, opdat wij in nieuwheid des levens zouden wandelen. De doop wijst zo naar het sterven en de opstanding van Christus. Alleen door die verzoening van Christus kunnen wij recht voor God staan.
Wanneer wij gedoopt worden in de naam van de Heilige Geest, belooft God dat Hij in ons wil wonen en werken met zijn Geest. Elke dag moeten we weer vernieuwd worden. De zonde zal niet over ons regeren, maar Christus. In het eeuwige leven mogen wij uiteindelijk volkomen rein en vrij van alle zonde en schuld een plaats krijgen in de grote gemeente van alle uitverkorenen.
Zo verzekert en verklaart de drie-enige God ons een grote troost en rijke genade door de doop. De gegeven beloften zijn vast en zeker. Om ze werkelijk te verkrijgen, moeten wij die beloften wel geloven. Dat is wat de HERE van ons vraagt, net zoals Hij dat in het Oude Testament al deed. Je kent vast de woorden van het doopsformulier wel, die dit uitleggen: dit betekent dat wij deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, aanhangen, vertrouwen en liefhebben met heel ons hart, met heel onze ziel, met heel ons verstand en met al onze krachten.

Rode Zee

Nu noemt artikel 34 de doop de Rode Zee, waar wij doorheen moeten gaan om te ontkomen aan de tirannie van de Farao. Dit komt je vast bekend voor vanuit het gebed dat we altijd bidden wanneer er een kindje wordt gedoopt. ‘U bent het die de hardnekkige Farao met al zijn volk in de Rode Zee deed verdrinken. Maar uw volk Israël hebt U daar droogvoets door geleid, waardoor U toen reeds de doop hebt aangeduid.’ Waarom en hoe wordt de doop nu eigenlijk aangeduid met de Rode Zee?
In het voorbeeld van de Rode Zee gaat het om de doding van de zonden. Farao onderdrukte het volk Israël door een wrede dienstbaarheid. Dat beeld mogen we vergelijken met onze slavernij aan de zonden. Denk eens aan wat je zondags hoort, wanneer de wet wordt voorgelezen: ‘Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb.’ Wij mogen dat zien als een uitleiding uit de dienstbaarheid van de zonde. We belijden en geloven nu dat Christus ons heeft verlost door Zijn bloed. Onze Farao, dat is de duivel, die ons achtervolgde en op de hielen zat, is verdronken. We zijn bevrijd van zijn gevangenschap. De Here baande voor ons een weg door de Rode Zee. Dat is: door Christus’ bloed heen. Is het water van de doop daar dan ook niet een heerlijk en duidelijk teken van? Niet door het water van de doop zélf worden we van onze zonden gereinigd, ‘maar door de besprenkeling met het kostbaar bloed van de Zoon van God’ (art 34). Wel houdt de duivel niet op om ons te kwellen en te verschrikken. Na de Rode Zee volgde er nog een lange, moeilijke reis door de woestijn. Onze zonden zijn er elke dag weer. Maar zij heersen niet over ons. Christus regeert in ons.

Genadegaven

We zagen wat ons allemaal wordt beloofd in de doop. Maar hóe gebeurt dat nu allemaal? Het sacrament van de doop zelf geeft ons die genade niet. Ook niet de dominee die het kindje doopt. Het is de HERE Zelf die het geeft. We mogen en moeten het dan ook alleen van Hem verwachten. En als de HERE geeft, dan geeft hij ook mild en overvloedig. ‘Hij wast onze ziel en reinigt haar grondig van alle onreinheden en ongerechtigheden.’ De Heilige Geest vernieuwt ons hart. Hij is de Trooster die ons de volkomen troost schenkt en ons zekerheid geeft van Gods vaderlijke goedheid. Hij doet ons de nieuwe mens aan en Hij trekt ons de oude mens uit met al zijn werken. Al die gaven die we in de doop afgebeeld zien, ontvángen we zo ook werkelijk!

Wederdopen

Je hebt vast wel van de wederdopers gehoord. Zij zeggen dat het belangrijk is wié het kindje heeft gedoopt. Als dat is gebeurd door bijvoorbeeld een roomse priester, die dus een verkeerde leer heeft, dan is de doop niet goed of niet echt geweest. Volgens hen moet er dan opnieuw worden gedoopt. Maar we worden niet gedoopt in de naam van een mens of een kerk. Nee, bij de doop wordt de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest aangeroepen. De doop is een teken van het verbond van God. En Gods beloftewoord geldt voor eens en altijd. Gods woorden hoeven niet te worden overgedaan. ‘Daarom geloven wij dat wie tot het eeuwige leven wil komen, maar eenmaal gedoopt moet worden. De doop mag niet herhaald worden, want wij kunnen ook niet tweemaal geboren worden.’ (art 34).

De besnijdenis van Christus

De doop is ook geen teken van bekering, wedergeboorte of geloof. Dat geloven de baptisten wel. Bij hen wordt iemand pas gedoopt, wanneer hij zijn geloof heeft beleden. Dus verwerpen zij de kinderdoop. Toch zien we in de Bijbel heel duidelijk dat God zijn verbond met Abraham sloot en daarbij ook het teken van de besnijdenis gaf. Jongetjes van acht dagen oud moesten al besneden worden. Het verbond geldt nog steeds voor de kinderen. Christus heeft zijn bloed even zeker vergoten om de kleine kinderen van de gelovigen te wassen, als Hij dat gedaan heeft voor de volwassenen. Besnijdenis en doop zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Paulus noemt de doop heel mooi de besnijdenis van Christus.

    In Hem zijt gij ook (...) besneden (...) in de besnijdenis van Christus, daar gij met Hem begraven zijt in de doop. In Hem zijt gij ook mede opgewekt door het geloof aan de werking Gods, die Hem uit de doden heeft opgewekt. (Col. 2:11,12).

.
In de doop zien wij zo een afsterven van de oude, zondige mens en een opstaan van de nieuwe mens. Zo krachtig is het werk van de Heilige Geest in ons. Dat wordt ons beloofd. En beloven vraagt geloven. Dan wordt het ons ook werkelijk gegeven.