Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Aan beide zijden mank?

Jaargang: 
2
Datum: 
13 feb. 2008
Nummer: 
6
Schrijver: 
T.L. Bruinius
ID:
236
Rubriek: 



De enige keus

We kennen het verhaal wel. Elia op de berg Karmel. Met de Israëlieten. Het afgevallen volk van de Here. De tien stammen die de Baäl volgen. Bij Elia zijn de priesters van Baäl. En ook koning Achab is aanwezig. Het oordeel van de Here rust zwaar op het land. Al vele jaren heerst er droogte. Het leven wordt langzamerhand onmogelijk.
Op de berg Karmel stelt de profeet Elia, in de naam van de HERE, het volk voor de keus: God of Baäl? Trouw aan de HERE en zijn verbond of eigen wegen gaan? Van die keus hangt nu het voortbestaan van Israël af.
Het is een spannend verhaal dat prachtig verteld kan worden. Het is ook een angstig en aangrijpend verhaal. Vooral in dit vers. Elia laat het volk zien dat ze bezig zijn met tegengestelde dingen. Met zaken die elkaar niet verdragen. Die elkaar uitsluiten. Aan de ene kant willen ze nog volk van de HERE heten. Aan de andere kant gaan ze mee met de geest van de tijd en volgen ze Baäl. En dat kan niet. Dat sluit elkaar uit. “Hoelang nog zult gij aan twee kanten mank gaan?” De Statenvertaling heeft hier het bekende “Hoe lang hinkt gij op twee gedachten?”
Het kan en mag zo niet langer. Er móet gekozen worden. En voor Israël is er maar één mogelijke keus, één keus die naar het leven leidt: De HERE is God!
Maar dat is nu het aangrijpende in deze tekst: de keuze komt niet. De beslissing wordt niet genomen. Het blijft stil! Het volk antwoordt niet. Er is alleen maar zwijgen. De HERE roept, zijn volk zwijgt!

Uit het vervolg weten we dat de Israëlieten uiteindelijk wel gekozen hebben. Nadat de HERE met grote kracht zijn macht en majesteit heeft getoond. Nadat de HERE zo zijn volk gedwongen heeft om te antwoorden. Maar uit het verdere vervolg weten we ook dat die bekering niet diep zat. Uiteindelijk bleef er maar een rest over van trouwe knechten van de HERE. Israël als volk ging verloren in ballingschap. Gevolg van het toch niet willen kiezen voor de enige ware God.

Schriftuurlijke kritiek

Aan deze geschiedenis moeten we denken wanneer we kennis nemen van publicaties uit de kring van verontrusten in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Via internet worden we goed op de hoogte gehouden. Velen van ons houden dan ook al het nieuws bij. De wekelijkse artikelen op "één in waarheid". De SKO-courant. Publicaties van ”De Vijfhoek".
Wat in al deze berichtgeving en voorlichting opvalt is het Schriftuurlijke gehalte. De verontrusten weten uitstekend te onderscheiden op welke punten de afval in de GKv zichtbaar is. Ze wijzen de ontwikkelingen duidelijk aan. Ze stellen tegenover afval en ontrouw de onderwijzing uit de Schriften.
Onlangs publiceerde "De Vijfhoek", een initiatiefgroep voortgekomen uit leden van vijf kerkelijke gemeenten in Overijssel, een "visiedocument" onder de titel "Gods Woord of mensenwoord?" In dat document trekt de initiatiefgroep conclusies over de ontwikkelingen in de GKv en vergelijkt die met de ontwikkelingen in de synodaal gereformeerde kerken in de jaren vijftig en zestig.
We constateren allereerst met dankbaarheid dat het gereformeerde geluid nog klinkt onder leden van de GKv.
In het document wordt als grote lijn gezien de aantasting van het Schriftgezag. We citeren:

    "De aandacht is verschoven van de bijbeltekst naar de bijbellezer, van het schriftgezag, naar de ervaringswereld van de hoorder; zo van Christus naar christen, van God naar mens. Dit heeft vérstrekkende gevolgen."(pag. 1)

En:

    "De nood van de kerk is wel dat er in de kerk krachten zijn om de (uitleg van) het Woord van God aan te passen aan de tijdgeest en dus aan menselijke inzichten. Mensenwoorden worden op één lijn geplaatst met het Woord van God. Echter een ‘neutrale nevenschikking’ bestaat niet.
    We zien dat in de GKv het gezag van het Woord van God ondergeschikt wordt gemaakt aan de tijdgeest. We lichten dat in het hierna volgende toe. Hier is een verschuiving van aandacht zichtbaar, die gaat van het schriftgezag naar de ervaringswereld van de hoorder. En daarom worden kerkleden ook niet meer terug geroepen van die tijdgeest. De oproep tot berouw en bekering verstilt. Hoe zouden wij met God kunnen omgaan, als wij ons niet bekeren? (Jer. 3 : 13–14)"(pag. 3).

Dat is raak. De conclusie van het visiedocument raakt de kern. We hoeven aan die conclusie niets toe te voegen.

Balans

Toch, ondanks die Schriftuurlijke conclusie, kunnen we niet achter het document als geheel gaan staan. En evenmin achter het werk van een andere actieve groep, "één in waarheid". We missen belangrijke elementen. In de ondertiteling van het document wordt het woord "balans" gebruikt. Men maakt de balans op m.b.t. de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, na een periode van intensieve studie. En tegenover die ontwikkelingen komt dan aan de andere kant de Schriftuurlijke kritiek te liggen. Maar de balans is (nog) niet in evenwicht. Eén "ontwikkeling" wordt niet in beeld gebracht. Eén ontwikkeling wordt niet op de balans gelegd.
Dat is het gegeven dat er in de GKv al een reformatie heeft plaatsgevonden. Dat de HERE al velen heeft uitgeleid. Dat de kerk van de HERE inmiddels andere adressen heeft gekregen. Dat de bedding van Gods kerkvergaderend werk nu een andere loop heeft.
De constateringen van "De Vijfhoek" zijn dan ook niet nieuw. Ze zijn al veel eerder gedaan, rondom en na de synode van Zuidhorn. Ze zijn beschreven in brochures van de LWVKO. Het weekblad Reformanda heeft jarenlang dezelfde lijnen aangewezen. Het geluid van "De Vijfhoek" was al bekend. Het werd al uitgedragen. Op een manier dat geen enkele kerkenraad en vrijwel geen enkel kerklid kon zeggen: mij heeft nooit een signaal bereikt. Deze ‘beweging’ is dienstbaar geweest tot de reformatie van de zgn. `nieuwe vrijmaking`. Ja, de HERE heeft broeders en zusters geleid op de weg van voortzetting van zijn Kerk, los van het verband van de GKv. Nog iedere dag en iedere week danken we Hem daarvoor.
Het weglaten van deze beweging, het niet spreken over het reformerend werk vóór 2003, maar vooral het, naar het lijkt, stelselmatig en bewust negeren van De Gereformeerde Kerken (hersteld), leidt er toe dat er sprake is van ònbalans.

Recht van de HERE

Die onbalans achten we een ernstige zaak. Het stelt ons ook teleur. We komen die zelfde onbalans tegen in het werk van “één-in-waarheid”, in de SKO-courant e.a. Afgezien van een enkel sympathiek woord voor onze kerken en de “nieuwe vrijmaking”, in de marge, is het alsof er niets is gebeurd. Alsof de reformatie in de GKv nog moet beginnen. Dat was onze teleurstelling op die, overigens erg goede landelijke vergadering in Spakenburg, in 2006. Dat is onze teleurstelling opnieuw bij het kennis nemen van de artikelen van één-in-waarheid, SKO en het visiedocument van “De Vijfhoek”.
Nu beseffen we heel goed dat we menselijke gevoelens in zulke belangrijke zaken aan de kant moeten zetten. Het is nooit fijn als je genegeerd wordt. Maar als dat iets persoonlijks betreft, of iets van een groepje mensen, dan moeten we daar overheen stappen. Echter, onze teleurstelling, en onze grote zorg, betreft niet het verzwijgen van ons eigen zaakje, maar het gemis aan zicht op het werk, de grote daden van de HÉRE. De strijd in de kerk, de strijd om trouw te blijven aan Schrift en belijdenis, was ook vóór 2003 het werk van de HERE. Onze vrijmaking van de GKv mocht door Hem een daad van geloof zijn. We konden niet anders dan volgen toen we zagen dat de HERE ons wegriep van de ontrouw geworden kerk. De HERE gaf zo reformatie door het verbreken van de banden met de GKv.

De HERE heeft recht op erkenning van zijn werk. Blijkbaar wordt dat werk van de HERE door veel verontrusten niet gezien. In ieder geval niet openlijk erkend. Dat vinden we ernstig. Dat geeft ons grote zorg. Ja, dat doet ook pijn en dat geeft verdriet.
Dat het recht van de HERE zo niet erkend wordt is ook de reden dat we in deze kolommen weinig aandacht geven aan publicaties van verontrusten. Het was recent ook één van de redenen om een persbericht van “De Vijfhoek” niet op te nemen.
Aan de ene kant willen we ons niet negatief uitlaten over het vele goede dat we vernemen. Aan de andere kant kùnnen we ook niet onverdeeld positief zijn.

Visie

Het visiedocument concludeert dat er bekering nodig is in de GKv. Zonder bekering zal het met de GKv de zelfde kant opgaan als eertijds met de synodale kerken. Maar wat houdt deze bekering dan concreet in bij reeds gebleken onbekeerlijkheid?
In een visiedocument waarin de grote lijnen geschetst worden mag je verwachten dat er ook een profetisch woord klinkt, waarin de schriftuurlijke roeping wordt aangegeven. In de situatie van vandaag, in de al zo lang aangetoonde deformatie en onbekeerlijkheid, zal de roeping zich bij de kerk te voegen toch niet mogen ontbreken.
Deze roeping missen we in het document, omdat het bestaan van deze kerk wordt verzwegen. Ja, er worden wel dingen gezegd, onder het kopje "Hoe moet het verder?" We citeren weer:

    "Het gaat heel duidelijk niet over zaken die alleen vaktheologen aangaan. We zijn er als kerkleden allemaal bij betrokken, omdat we er ook allemaal schuldig aan zijn. De dwalingen zijn immers via ons aller hart de kerk binnen gekomen. En als we dan verder willen dan betekent dat berouw en bekering voor allen. Het is heel leerzaam het gebed van Nehemia er op na te lezen. Maar het moet wel anders, want de kerk is stuk, de breuken zijn geslagen. Want er zijn mensen vervreemd in hun eigen kerk, die Psalm 122 of Psalm 133 niet of nauwelijks meer op de lippen durven nemen.

Het document eindigt met een aanhaling uit een rede van ds. Van der Wolf. Daarin zegt deze o.a.:

    "Wie afdwaalt wordt gewaarschuwd. Teruggeroepen naar de zorg van de Goede Herder zelf. Zo leert ons de liefde van Christus dat. Hij dringt ons daartoe.
    Broeders en zusters, dát is onze roeping. En bedenkt u daarbij, dat het een zaak van leven of dood is. De kerk is ons speeltje niet. Niet ons stiltecentrum. Niet onze proefpolder. Ons bedrijf. Ons wetenschapsinstituut. De kerk is Góds tempel, Góds bouwwerk. En die kerk heeft kerk te zijn. Zoals ze geroepen is. In elke tijd weer. Naar het onveranderlijke, onvergankelijke Woord van haar Here en Koning.
    Hem mogen we dienen. Dat is het evangelie van Jezus Christus en die gekruisigd. Hem mogen we dienen. En de vreugde daarover, de vrijmoedigheid daartoe en de vastberadenheid daarin blijven we van Hem verwachten. Zo dienen we. Niet anders dan in liefde tot Hem, gehoorzaam aan zijn woord en in een gehoorzame levenswandel. Dat zal tegenstand oproepen. Zelfs in eigen kring. Dat is met de crisis gegeven. Dat zal minachting kweken. Mogelijk vervreemding, verwijdering en zelfs uiteindelijk ook: scheiding. Met alle pijn die ik daarbij heb, zeg ik dan vanavond: het zij zo. De crisis binnen de kerk, doet ons er pijnlijk van bewust zijn dat de kerk in de crisis staat. Dat moeten we niet ontlopen. Daar mogen we niet voor wegvluchten. Want boven die strijd troont de Christus. De Christus die ons deze vraag stelt: “En gij, wie zegt gij dat Ik ben?"

Met opzet citeren we breed. Waardevolle en bemoedigende Schriftuurlijke woorden, in beide citaten. Heel duidelijk een oproep om vast te houden aan Christus. Maar hoe wordt dat concreet? Als we goed lezen dan worden de leden van de GKv toch allereerst opgeroepen om te waarschuwen, om te strijden. Aarzelend wordt gewezen op de uitéindelijke mogelijkheid van scheiding. Dat waren woorden uit 2006.
Waarschuwen, de strijd aangaan. Ja, maar hoe lang nog? Blijft dat maar steeds de roeping van de HERE? De initiatiefgroep wijst zelf op de parallellen met de synodaal gereformeerde kerken. Zou dan de afloop van de verontrusting in die kerken ook niet een duidelijke les voor vandaag moeten zijn?

Roeping

In het visiedocument lezen we, op pagina 6:

    "De verschuivingen die plaatsvonden hebben rampzalige gevolgen voor het kerkelijke samenleven. Het accent is verschoven van het gezag van de Schrift naar de ervaringswereld van de bijbellezer, en dat is ook hier duidelijk te merken.
    Argumenten op grond van Schrift en belijdenis leggen geen gewicht meer in de schaal. Er is geen enkele mogelijkheid om nog ergens tegen in beroep te gaan. Daardoor is de kerkelijke weg afgesneden. Brieven worden slecht of niet meer beantwoord. Argumenten worden niet meer gewogen.
    Een bezwaar lijkt niet meer gezien te kunnen worden als een verdediging van de zaak van Christus. Een bezwaar wordt vrijwel altijd gezien als een persoonlijke aanval op voorstanders van de ontwikkelingen waartegen bezwaar gemaakt wordt.
    Iemand die bezwaar maakt tegen bepaalde kerkelijke ontwikke¬lingen wordt verweten een kerkbreker te zijn. Bezwaren worden soms uitgelegd als kwaadwilligheid of laster, kwaadsprekerij over ambtsdrager, het niet meer liefhebben van de kerk van Christus. Bezwaren worden vaak niet meer aangehoord, laat staan weerlegd. De kerk laat haar bezwaarde leden heengaan met hun bezwaren."

De stem van de bezwaarden wordt niet meer gehoord. De stem van Schríft en belíjdenis vindt geen gehoor meer. De oproep tot bekering wordt niet aanvaard. Net zoals die in 2003 niet werd aanvaard. Moet dan niet de conclusie getrokken worden, dat er nog maar één weg tot reformatie overblijft? Broeder H.P. de Roos verwoordde het in zijn e-mail-column "Opgemerkt", nr. 249, met de woorden:

    “Dat betekent niet minder dan het verlaten van de regel van het ‘in gesprek blijven’. Wat ds. Wilschut bij herhaling, bijna als een stokpaardje, in ‘Nader Bekeken’ stelt, dat hierover ‘een open gesprek’ moet komen, is hier gelogenstraft. Het is niet meer mogelijk. De gemeenschap der heiligen is opgebroken. En wie die wil terugvinden, zal zich moeten afscheiden van de vrijgemaakte kerken, teneinde aan hun zonden geen deel meer te hebben, en zich voegen bij het adres van de wáre kerk, met hoeveel tegenzin van de oude mens dat misschien ook gaat. Want de belijdenis der kerk dwingt ertoe: Wij geloven, aangezien deze heilige vergadering is een verzameling dergenen, die zalig worden, en dat buiten haar geen zaligheid is, dat niemand, van wat staat of kwaliteit hij zij, zich behoort op zichzelve te houden, om op zijn eigen persoon te staan; maar dat zij allen schuldig zijn zích zelve daarbij te voegen en daarmede te verenigen; onderhoudende de enigheid der Kerk, zich onderwerpende aan haar onderwijzing en tucht, de hals buigende onder het juk van Jezus Christus, en dienende de opbouwing der broederen, naar de gaven, die hun God verleend heeft, als onderlinge lidmaten eenszelfden lichaams. En opdat dit te beter kan onderhouden worden, zo is het ambt aller gelovigen, volgens het Woord Gods, zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn, en zich te voegen tot deze vergadering, hetzij op wat plaats dat God ze gesteld heeft (artikel 28 NGB)."

Proces?

De roeping is duidelijk. Van harte hopen we dat een ieder die het visiedocument leest deze zelfde conclusie mag trekken. Met het uitspreken van die hoop besluit broeder De Roos zijn column. En daar sluiten we ons graag bij aan.
Vaak horen we: ja, maar vrijmaking is een proces. Kijk maar naar de Afscheiding. Die heeft vele jaren geduurd. Kijk maar naar de Vrijmaking van 1944; nog in 1949 heeft een vrijmaking plaatsgevonden. Dat horen we niet alleen van verontrusten in de GKv, we horen het ook van broeders en zusters in de eigen kerken. En men wil daarmee dan zeggen: gun ze de tijd, en wees daarom niet zo concreet over de kerkelijke roeping, dat kan hen als ze nog niet zover zijn, alleen maar afstoten. Wij zagen onze roeping en handelden daar naar. Maar anderen zijn misschien nog niet zover. Geef ze de ruimte, en leer hen zelf maar ontdekken welke consequenties ze moeten trekken. Want het gaat om een proces. En processen strekken zich altijd uit over langere tijd.
We menen dat dit niet een juist gebruik is van dat begrip proces. Niet in de kerkelijke situatie van vandaag. Ja, als je terugkijkt op de geschiedenis, en je kijkt naar een totale beweging van reformatie in de kerkgeschiedenis, dan kun je inderdaad zeggen: de Grote Reformatie was een proces. De Afscheiding was een proces. Doleantie en Vereniging waren een proces. De Vrijmaking van 1944 was een proces. Want niet iedereen maakte zich op het zelfde moment los.
Dat is een constatering. Maar die constatering mag niet gebruikt worden als een verontschuldiging, of zelfs als een soort norm, wanneer de HERE ons persoonlijk roept tot bekering en reformatie. De geschiedenis van de kerk leert ons dat zoiets vernietigende gevolgen kan hebben. Als de HERE Mozes roept, of Samuël, Jeremia, of zijn discipelen, dan is de boodschap niet: Ik hoef nog geen antwoord, het gaat om een proces, u bent er misschien nu nog niet klaar voor. Als de HERE roept, hebben we heel gewoon te luisteren en te doen. Dat mogen, ja, dat moeten we ook toepassen op de roeping tot bekering en reformatie van de ontrouw geworden kerk. We zeggen toch niet tegen de HÉRE: HERE, wacht nog even, ik zit nog in een proces? De HERE wil dat wij gehoorzamen aan zijn geopenbaarde wil. Díe is de norm. Maar de verborgen wil van God, namelijk langs welke processen wij en anderen zijn wil zullen beantwoorden, dan wel tegenstaan, is voor ons niet de norm. Want die wil is voor ons verborgen.

Echte eenheid in de waarheid

Ons wordt wel verweten dat wij ons koud en liefdeloos opstellen naar verontrusten in de GKv. We hebben alleen maar kritiek. We spreken veel te scherp en stoten af door onze houding. We zijn niet bereid mee te denken en mee te werken aan activiteiten van verontrusten en keuren interkerkelijke samenwerking, ook met leden van de GKv af. Dús ……
Het is niet waar.
Nog altijd voelen de meeste leden van onze kerken zich nauw verbonden met de verontruste broeders en zusters. De vrijmaking heeft ontzaglijk veel pijn gedaan en verdriet opgeleverd. Juist ook in het verbreken van kerkelijke banden met trouwe broeders en zusters, met mede-strijders, met vrienden en familieleden. In vrijwel alle gezinnen. We willen niets liever dan samen met allen die trouw willen zijn aan Schrift en belijdenis in één kerk verder gaan. Die wens horen we ook te hebben. Dat is naar de Schrift. Juist daarom spreken we scherp. Juist daarom houden we afstand. Omdat het behoud van al die mensen die nog strijden in de GKv ons een zorg is. Ons aan het hart gaat. O ja, soms worden er wel dingen gezegd op een bittere toon. Soms worden zaken hard gebracht die ook zachtmoedig gezegd kunnen worden. En er gebeuren ook na de vrijmaking in de kerken verkeerde dingen. Geen enkele zonde is ons vreemd. Daarover past ook verootmoediging en schuldbelijdenis. Maar daar gáát het niet om. Waar het om gaat is dat wij bezorgd zijn om straks ook te moeten constateren "Doch het volk antwoordde hem niets." Waar het om gaat is dat we ons afvragen: gaan ook de verontrusten in de GKV nu niet aan beide zijden mank? Aarzelen ze niet te lang om te kiezen, om ronduit en openlijk het werk van de HERE dat Hij al heeft gedaan, te erkennen, en om nu zelf gehoorzaam achter Hem aan te gaan? In trouwe dienst aan de God van het verbond? Waardoor er pas echte eenheid in de waarheid is (art. 28 NGB)? De verontrusten in de synodale kerken stonden voor de keus. Zij bleven mank, ze riepen op tot bekering, en tegelijk konden of wilden ze niet breken met de valse kerk. Hún strijd is uitgegaan als een nachtkaars. Stilletjes. Opeens was het er niet meer.

Wekelijks gaat vanaf de kansels het gebed voor hen die nog strijden in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt. Ook in de gezinnen en op de verenigingen heeft dat gebed voor de verontrusten om inzicht, kracht en geloofsmoed te mogen ontvangen, een vaste plaats.
Wat zou die eenheid naar Gods wil een schitterende zaak zijn. In de eerste plaats in de ogen van de Here Jezus Christus, de Koning van de Kerk. Graag willen we daarom ook vanaf deze plaats de roeping volgens Gods Woord herhalen, zoals art. 28 NGB deze doet uitgaan naar alle gelovigen:
scheidt u toch af van hen die niet bij de kerk horen, en voegt u zich toch bij de vergadering op iedere plaats waar God haar gesteld heeft, die zich door Gods genade wel mag doen kennen als de ware kerk, naar art. 29 NGB.
"En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen". (Openbaring 18:4).
"Ik was verheugd, toen men mij zeide: Laten wij naar het huis des HEREN gaan. Onze voeten staan in uw poorten, o Jeruzalem." (Psalm 122:1b, 2).