Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Behoud de Reformatie

Jaargang: 
5
Datum: 
02 feb. 2011
Nummer: 
4
Schrijver: 
C.A. Teunis
ID:
785
Rubriek: 

In 2017 hopen we te gedenken dat het 500 jaar geleden is dat de Here een groot werk begon onder zijn volk. De kerk was in verval geraakt en verstrikt in eigenwillige godsdiensten en de prooi van wantoestanden. Verstikkend was het ontbreken van de zekerheid van het geloof. De leer dat de zaligheid verdiend moest worden door het zelf doen van goede werken nam alle vreugde weg uit het leven van iedereen die serieus in overeenstemming wilde leven met de wil van God. Luther was één van hen.
Vorig voorjaar werd er al een begin gemaakt met de herdenking van de Reformatie die in 1517 in gang werd gezet. Toen verscheen het boek ‘Rome en Reformatie’. In dit artikel willen we enige aandacht schenken aan dit boek.


Overeenkomsten en verschillen

In de aanloop naar 31 oktober 1517 wordt in het hierboven genoemde boek ingegaan op overeenkomsten en verschillen na vijfhonderd jaar Hervorming. Op het moment van de uitgave van dit boek duurde het nog meer dan zeven jaar voordat het 500 jaar geleden zou zijn dat Maarten Luther de 95 stellingen bevestigde aan de deur van de slotkapel te Wittenberg.
Hoe komt het nu dat er dan nu al een begin gemaakt wordt met de herdenking?
Het voorwoord van het boek geeft daar antwoord op. De oorzaak ligt bij de uitgever, de heer H.P. Medema. Hij verlangt naar een eenheid die de kloven overstijgt.
Dit verlangen deelt hij met de schrijvers van het boek. Dat zijn Dr. Gerard de Korte, rooms en bisschop van Groningen en Leeuwarden en Dr. Willem J. Ouweneel, evangelicaal, schrijver en professor. Alle drie geven ze aan over het realisme te beschikken dat zij niet alles kunnen bereiken wat zij hopen. De uitgever geeft in het voorwoord nog aan dat hij hoopt en bidt dat de uitgave van het boek tot gevolg heeft dat de harten van de gelovigen uit de roomse kerk en uit de traditie van de reformatie zich tot elkaar neigen.

Dit voorwoord geeft niet aan hoe die eenheid er dan uit zal moeten zien. Ook wordt niet duidelijk gemaakt wat de plaats is van de kerk of gemeenschappen die zich kerk of gemeente noemen. Evenmin geeft het voorwoord aan wat het gevolg zal zijn van een getrouwe prediking van het Woord van God.
Hiermee wordt tekort gedaan aan het kerkvergaderend werk van Christus. Want wij geloven dat de Here van ons vraagt om zijn Woord getrouw te bewaren en daarnaar te leven. En het is de Zoon van God die uit het hele menselijke geslacht zich een gemeente vergadert, beschermt en onderhoudt, en Hij doet dat door zijn Geest en Woord in eenheid van het ware geloof (HC 21). En het is de Heilige Geest die het geloof in ons hart werkt door de verkondiging van het heilig evangelie en het versterkt door het gebruik van de sacramenten (HC25). Vandaar dat wij geloven dat niemand zich van deze heilige vergadering afzijdig mag houden (NGB art. 28). Dan wordt kerkelijke eenheid werkelijkheid.

De grondslag

De schrijvers geven aan dat er meningsverschillen tussen hen bestaan, maar geven daarbij ook aan dat datgene wat verbindt belangrijker is dan datgene wat hen scheidt.
Ze verklaren dat hun gemeenschappelijke grondslag ligt in de Bijbel, met name het Nieuwe Testament. Daarbij geven ze aan de Bijbel te verstaan in verband met de ‘traditie’ zoals die is weergegeven door kerkvaders en in de bekende geloofsbelijdenissen van de kerk: De Apostolische Geloofsbelijdenis en de Geloofsbelijdenis van Nicea. Ze willen zich profileren als rechtzinnige christenen. Het woord christen moet dan opgevat worden als een volgeling van Jezus Christus en gezalfd met de Heilige Geest. Jezus Christus is voor hen allereerst de Messias (gezalfde Koning), in Hem kreeg God zichtbaar gestalte op aarde, de eeuwige Zoon van de Vader, waarachtig mens en waarachtig God die voor alle mensen gestorven is en de zonden verzoend heeft van allen die in Hem geloven. Zij geloven dat de mens niet gerechtvaardigd wordt op grond van eigen verdiensten, maar alleen door de genade van God op grond van het bloed van Christus. Geloof is volgens hen de concrete aanvaarding van de heerschappij van Christus over het persoonlijke en kerkelijke geloofsleven.
Zij wensen vast te houden aan de betekenis van de ‘traditie’, dat is volgens hen al datgene wat de vroegere kerk of afzonderlijke leraren van de kerk over de Schrift hebben gezegd; ook geloven ze in de betekenis van het persoonlijk geweten. De Bijbel is voor hen het Woord van God en tegelijk een voluit menselijk boek, dat als zodanig vatbaar is voor historisch-kritisch onderzoek.
De schrijvers geloven ook dat Christus zijn kerk gesticht heeft op Petrus als de rots. Van de sacramenten zeggen ze te geloven dat dit gewijde handelingen zijn waarin Christus Zelf in de kracht van de Geest present wordt gesteld. Daarbij geven ze aan dat er minstens drie sacramenten zijn: de heilige doop ofwel doopsel, de heilige eucharistie ofwel avondmaal en de ziekenzalving ofwel het heilig oliesel. Maria heeft een bijzondere betekenis, zij mag niet aanbeden worden omdat ze geen God is, maar ze mag wel vereerd worden.
In dit alles benadrukken zij de gemeenschappelijke basis en dat is Jezus Christus waarvan beiden belijden: Mijn Heer en mijn God, ook al zijn er niet te vermijden geschilpunten.

Hoe juist is de grondslag

In de grondslag die de schrijvers aangeven komen woorden voor die sympathiek klinken. Maar ook komen er beweringen in voor die bij ons alarmbellen doen rinkelen.
Instemming kunnen we geven aan het noemen van de Bijbel als grondslag. Natuurlijk, dat is het Woord van God. En dat Woord is onfeilbaar. Alleen dan komt wel de vraag op welke Bijbel wordt bedoeld. De Nieuwe Bijbelvertaling is mede tot stand gekomen onder verantwoordelijkheid van de Katholieke Bijbelstichting. Dat geeft te denken, want deze bijbelvertaling ademt een remonstrantse geest, want de menselijke medewerking voor de zaligheid is invertaald in de bijbeltekst. En dat kan de roomse kerk, met de leer van de goede werken, wel accepteren.
Als we daarbij mede in ogenschouw nemen de nadrukkelijke plaats die de traditie krijgt, kunnen we begrijpen dat de roomse kerk ook de apocriefe boeken in de Bijbel een plaats heeft gegeven. En dat verklaart weer dat de Bijbel, het Woord van God, in twee uitvoeringen te koop is: een uitgave met apocriefe boeken en een uitgave zonder apocriefe boeken. Wat is nu het Woord van God?
De grondslag lijkt heel degelijk geformuleerd maar blijkt al gauw een bouwsel te zijn van eigen ideeën. Dat wordt nog versterkt door het feit dat de schrijvers verklaren dat de Bijbel ook een voluit menselijk boek is dat open staat voor historisch-kritisch onderzoek. Dat houdt in dat de lezer van de Bijbel overgeleverd wordt aan de menselijke willekeur van Schriftbeschouwers. Dat kan nooit goed gaan in een mensheid die alleen maar bestaat uit zondige mensen, die allemaal geneigd zijn om God en hun naasten te haten.
Hun gemeenschappelijke grondslag is vervuild, want de vertaling van de Bijbel is onbetrouwbaar en het gezag van de Bijbel komt niet verder dan menselijk gezag en dat is per definitie onderhevig aan zonde. Deze grondslag van de schrijvers kan geen zekerheid geven omtrent het bereiken van hun doel: eenheid die kloven overstijgt.

De Schriftgetrouwe geloofsbelijdenis

Het staat vertrouwenwekkend dat als belijdenisgeschriften de Apostolische Geloofsbelijdenis en de geloofsbelijdenis van Nicea worden genoemd. De argeloze lezer zal dat verheugd constateren. Maar een enigszins oplettende lezer zal zich toch afvragen waar de schrijver, die vanuit de protestantse traditie afkomstig is, de winst van de Reformatie van 1517 gelaten heeft. De terugkeer naar het vertrouwen op het Woord van de Here heeft onder meer gestalte gekregen in de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels. Geen woord daarover bij het noemen van de grondslag. Juist bij het toewerken naar eenheid ontbreken de drie formulieren van eenheid.
Dat blijkt gevolgen te hebben. De betekenis die aan de traditie en het persoonlijk geweten worden toegekend hebben zo hun gevolgen voor de inhoud van het geloof dat de schrijvers belijden.

Leven uit het geloof

De Reformatie was een terugkeer naar het zuivere Woord van God. Het was Reformatie, vernieuwing. Belangrijk was de vernieuwende ontdekking van de rechtvaardiging van de goddeloze. Ouweneel zegt over de leer van de rechtvaardiging uit geloof dat dit een geloof is dat door de liefde werkt, dat wil zeggen dat zich waarmaakt in goede werken, daarbij verwijst hij naar Jac. 2:14-26.
Hier gaat hij tekort door de bocht. Want de apostel Jacobus verzet zich hier tegen de opvatting dat geloof zonder werken zalig kan maken. De boodschap die Jacobus geeft is dat iemand die werkelijk gelooft in Jezus Christus herkenbaar wordt aan zijn gedrag, die gaat goed doen, omdat hij gaat leven naar het Woord van God; de ware gelovige wordt niet herkenbaar omdat hij zelf zijn geloof waar maakt. Even verderop zegt Ouweneel dat een mens slechts behouden wordt door het geloof in Jezus, zonder bemiddeling van welke kerkelijke instantie dan ook. Dat is juist, maar hij houdt tegelijkertijd zijn uitspraak in stand dat het geloof zich waarmaakt in goede werken, en dat is onjuist.

Rechtvaardiging, alleen door het geloof

De gelovige is rechtvaardig alléén door het geloof. Een bevrijdende ontdekking. Een werkelijkheid die ook voor ons vandaag bevrijdend is. De Here wil ons bevrijden van onze zonden. Hij doet dat Zelf, omdat wij dat niet kunnen. Dat geeft pas zekerheid. Als de Almachtige hoogstpersoonlijk optreedt, wie zal dan tegenspreken?
In de Reformatie kwam weer aan het licht dat wet en evangelie beiden een plaats hebben in het verlossende werk van God. De wet maakt ons duidelijk dat we zondaren zijn en voor eeuwig ten onder gaan als we menen zelf onze zaligheid te kunnen bewerken. Het evangelie is de blijde boodschap dat Jezus Christus ons wil verlossen van de last die wij door onze zonden op ons laden. Hij doet onze schulden weg. Door genade worden wij behouden en dat niet uit onszelf: het is een gave van God; niet uit werken opdat niemand roeme (Ef. 2:8,9).
Het gaat om het Woord van God. Wij moeten buigen voor het volstrekte gezag van het Woord van God. En verwerpen daarom elk historisch-kritisch onderzoek dat dit gezag aantast. De mens wordt alleen maar gerechtvaardigd als hij zich geheel en al toevertrouwd aan God. Dat is de God die toornt over de zonden en die in zijn oneindige barmhartigheid Zijn Zoon zond, om al onze schulden te betalen en daardoor de zondaar te behouden.
Dat is het geloof van de kerk. De kerk heeft als rots de belijdenis dat alleen Christus het fundament is van zijn gemeente. Buiten Hem is er geen mens die onze rots kan zijn. In dit geloof is het vereren van Maria contrabande.
De rechtvaardiging van de gelovige is een gift van God.

De sacramenten

De schrijvers van het boek zeggen dat in de sacramenten Christus present wordt gesteld. Ouweneel werkt dit nader uit door te beweren dat traditionele protestanten de term sacrament gebruiken voor gewijde kerkelijke handelingen waarbij een bepaalde substantie in symbolische zin gebruikt wordt. Zoals het water bij de doop en het brood en de wijn bij het avondmaal. Daarom noemt hij de ziekenzalving met olie, die beschreven wordt in Jacobus 5:14-16, ook een sacrament.
Hier vergist hij zich, want het gebruik van de olie heeft hier niet een symbolische waarde zoals bij avondmaal en doop. Het gebruik van de olie bij de ziekenzalving in die tijd, geeft aan dat door de dienst van de oudsten het wonder van de gezondmaking plaats vond ter bevestiging van de boodschap die zij brachten. En die boodschap is: vergeving van zonden en eeuwig leven alléén door Jezus Christus.
Eén van de winsten van de Reformatie is dat de kerk een zuiver zicht gekregen heeft op de sacramenten. Wij belijden dat een sacrament een heilig en zichtbaar teken en zegel is dat door God is ingesteld om ons, door het gebruik ervan, de belofte van het evangelie nog beter te doen verstaan. Dat is veel meer dan een kerkelijke rituele handeling en het bewaart ons voor de zonde om het sacrament te zien als een middel waardoor wij onze zaligheid kunnen verkrijgen.

De kloven gevuld

We zijn op weg naar 31 oktober 1517. Dan gedenken we de dag dat de Here zijn volk ging uitleiden uit het diensthuis van de roomse kerk. Het Woord nam de plaats die Hem toekomt. Dan ontstaat er vrijheid om te leven omdat dan de macht van de zonde gebroken is.
Het op de juiste manier gedenken van de Reformatie is het onverkort vasthouden aan de enig juiste bron die door de Reformatie weer ontdekt is: Het Woord van God, zonder dat daaraan iets is toegevoegd en zonder dat daaraan iets is afgedaan (Deut. 12:32, Op. 22:18,19).
Het Woord van de HERE is zuiver. Daarom is Hij een schild voor allen die bij Hem schuilen (2 Sam. 22:31, Ps. 18:31). Dat geeft pas moed om onze levensweg te lopen.

Zeker als wij ons op een weg bevinden waar kloven zijn. Een kloof is een diepte met steile wanden. Gevaarlijk. Onoverkomelijk voor de reiziger. Hoe zal hij in het beloofde land komen?
Het enige dat uitkomst geeft is het onverkort vertrouwen op het Woord van de Here. Dat Woord maakt alles effen voor iedereen die, in verootmoediging, berouw en bekering, een toevlucht zoekt bij de Here. Dan geven we namelijk toe dat wij, uit onszelf, niet alles kunnen bereiken wat we willen. En dan maken we mee dat de Here onze weg perfect effent, vlak maakt. We maken dan mee dat Hij de kloof van moedeloze vertwijfeling vanwege kerkelijke verdeeldheid doet verdwijnen in de weg van gehoorzaamheid aan Zijn Woord. De Here wil niet dat wij die kloof overstijgen. De Here wil dat die kloof gevuld wordt (Luc. 3:5) en daardoor verdwijnt. En dat vullen van die kloof doet Hij Zelf, omdat wij dat niet kunnen. Door zijn Woord neemt Hij de kloof van onze moedeloze vertwijfeling weg, door een waar geloof.
Ja, Here, uw Woord is de waarheid, al uw rechtvaardige verordeningen zijn voor eeuwig (Psalm 119:160, Joh. 17:17).