Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Asafs twijfel overwonnen

Jaargang: 
3
Datum: 
04 feb. 2009
Nummer: 
4
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
462


    12 Ik zal de daden des HEREN gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, 13 van al uw werken gewagen en uw daden overdenken. 14 O God, in heiligheid is uw weg; wie is een God, groot als God? 15 Gij zijt de God, die wonderen werkt, Gij hebt onder de volken uw macht doen kennen. 16 Gij hebt uw volk met machtige arm verlost, de zonen van Jakob en Jozef. Sela. 17 De wateren zagen U, o God, de wateren zagen U, zij sidderden, zelfs de diepten beefden. 18 De wolken goten water uit, het zwerk deed de donder horen, ook vlogen uw pijlen rond. 19 Het gedreun van uw donder rolde voort, de bliksemen verlichtten de wereld, de aarde sidderde en beefde. 20 Uw weg was in de zee, uw pad in grote wateren, zodat uw voetsporen niet werden gekend. (Ps. 77: 12-20)

In de vorige overdenking zagen we Asafs vertwijfeling uitkomen in vers 1-11 van Psalm 77. Vertwijfeling om de kerk en over de houding van de HERE, vanwege het niet hoorbaar en zichtbaar reageren van de HERE. Vanaf vers 12 komt er een wending in deze Psalm. Want de profeet heeft opgemerkt: zó kom ik er niet. Als ik de trouw van de HERE aan zijn kerk ter discussie ga stellen, dan stort mijn wereld in (vs 11). Dan is mijn houvast verdwenen. Dan wordt ik doorboord. Dat is een niet te verdragen idee. Asaf moet de vragen naar het “waarom” en naar het “hoe” maar laten rusten. Dat brengt hem niet verder, dat verteert hem. Daaronder bezwijkt zijn geloof anders.

De machtige daden van de HERE

Daarom gaat Asaf nu letten op wat de HERE in het verleden heeft gedaan aan Zijn kerk. Alleen zó kan hij Hem beter leren kennen en begrijpen. Door Gods machtige daden en Zijn wonderen te gedenken die Hij vroeger heeft verricht. Vers 12:

    Ik zal de daden des HEREN gedenken. Ja ik wil gedenken uw wonderen van ouds. Van al uw werken gewagen en uw daden overdenken.

Het moet ons niet ontgaan met welke naam de HERE hier wordt aangesproken. Voor het eerst in deze psalm niet met Adonai of Elohim, maar met Jahweh, de naam voor de Verbondsgod, de God die heet: Ik ben Die Ik ben. De God van de onveranderlijke trouw. De dichter zegt ik zal de daden van Jahweh gedenken!
In dichterlijke opgetogenheid klinkt nu: ja inderdaad, dàt ga ik doen. Dàt is de weg die ik met mijn verdriet en zorgen moet gaan. En hij herhaalt dit in vers 13 om hier een streep onder te zetten. Asaf stelt vast: mijn gedachten moeten naar het werk van de HERE uitgaan! De dichter richt zich nu ook rechtsreeks tot de HERE: “Op Ù als mijn Verbondsgod en op ùw wonderwerken wil ik mij richten.” Zo alleen kan ik weer rust en zekerheid krijgen. Want zoals U Zich heeft geopenbaard, zo bent U. Daar mag ik me aan vast houden.

Hoe ondoorgrondelijk zijn Gods wegen

En als de dichter dan de grote daden van de HERE beschrijft als machtige wonderen, dan horen we vervolgens geen enkele klacht meer. Dan is het rustig geworden in zijn hart. De dichter gaat nu beter zien dat de HERE Zijn grote kracht en macht juist heeft gebruikt om Zijn volk te verlòssen. Dan komt hij diep onder de indruk van de majesteit en de trouw van God. En ook van de Gods heiligheid, vers 14:

    O God, in heiligheid is uw weg; wie is een God, groot als God?

De dichter houdt nu zijn hand voor zijn mond om nog verder te klagen. Hij beseft zijn kleinheid en is nu vol verwondering over de grootheid van de HERE en Zijn heiligheid.
Dan komt er ook de erkenning dat de weg van God gaat “in heiligheid”. De dichter laat ons zien: als Gods schepselen zullen wij Gods weg moeten aanvaarden. Want God gaat in Zijn heiligheid en grootheid wegen die voor ons ondoorgrondelijk zijn.
“O God, in heiligheid is uw weg”. Hoort u hoe vol overgave de dichter de HERE nu in aanbidding aanspreekt. O God. Na al wat hij aan klachten en verzuchtingen aan de HERE heeft geuit, komt nu deze belijdenis over zijn lippen: “wie is een God groot als God?”.
Asaf zegt daarmee: ik mag de HERE toch niet iets narekenen of iets voorschrijven? Zoals ook elders in de Schrift wordt aangegeven:

    De HERE is groot en zeer te prijzen, Zijn grootheid is ondoorgrondelijk (Ps 145:3)

    Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het Woord des HEREN, Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten (Jes. 55:8).

    O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen! (Rom. 11:33)!

Dé God, Die wonderen werkt

De dichter heeft zijn God weer gevonden. Als de trouwe God van het Verbond die Zijn weg gaat in heiligheid en in majesteit. Wat een heerlijke belijdenis in dagen van benauwdheid.
De dichter gaat nu verder bewijs leveren voor wat hij belijdt. Vers 15:

    Gij zijt de God die wonderen werkt, Gij hebt onder de volkeren uw macht doen kennen

.
Gij zijt dè God. Dat is: Gij zijt dè enige ware God, Die wonderen werkt. Gij alléén doet wonderwerken. Daarom zal ook alleen U aanbeden, geëerd en gediend moeten worden.
Het bewijs van Gods grootheid en heiligheid is er niet alleen voor de dichter. Dat bewijs is er voor Gods volk in zijn geheel. Maar zelfs voor andere volken. De heerlijkheid van God, de bewijzen van Zijn macht, wijsheid, goedheid, rechtvaardigheid, zijn aan te wijzen, zijn openbaar, zijn kenbaar. Ook al gaan ze ons begrip te boven. Dat geldt voor ons, dat geldt voor heel de wereld. Die bewijzen moet een ieder dringen tot God.
Nu gaat Asaf vervolgens vol bewogen vreugde vertellen van die wonderen die de HERE gewerkt heeft. En daarvan noemt hij de wonderlijke uitleiding van Zijn volk door de HERE uit Egypte. Vers 16:

    Gij hebt uw volk met machtige arm verlost.

Letterlijk: met machtige arm los-gekocht. God kocht Zijn volk dat in slavernij was, los. Het was een bevrijding een uileiding uit het diensthuis. Uit het diensthuis van de zonde. Die redding kon er alleen zijn op grond van het offer van Christus. Het was een genadige los-koping. Een wonderwerk ook tegen alle verwachting van mensen in. Tegen de verwachting van de Egyptenaren en tegen de verwachting van Zijn eigen zondige volk, die hier de zonen van Jacob en Jozef worden genoemd. Het was geheel Gods werk.
God had Zijn volk in Egypte ondanks hun zonden daar bewaard, vanwege Zijn verbond, als zonen van Jacob.
Daarbij had Hij Jozef ook als middel in Zijn hand gebruikt. Jacob en Jozef worden hier waarschijnlijk genoemd, omdat zij het waren die in Egypte waren gestorven maar die uitdrukkelijk hun lichamen in Kanaän, het beloofde land, wilden laten begraven als teken van geloof in Gods verbondsbeloften.
Nu, God heeft als trouwe Verbondsgod Zijn volk daadwerkelijk verlost met Zijn machtige arm. Hij betoonde Zich trouw, in Zijn almacht en in Zijn goedertierenheid.
Daarvoor bedwong Hij dan de machtige wateren en liet Hij het bliksemen en donderen. God toonde zich de almachtige God Die alle natuurelementen in Zijn Hand heeft. Die dit alles gebruikte voor de verlossing van Zijn volk. Die zo – tegen alle menselijk inzicht en verwachting in – Zijn verbond hield en Zijn doel bereikte. Daartegen was niets en niemand bestand. In felle kleuren tekent de dichter de macht van God over heel Zijn schepping.
Hij is dé God, de grote God Die wonderen werkt, en Die dat getoond heeft. Heel Gods Woord spreekt daarvan. Van de machtige verlossing uit Egypte.

Gij hebt Uw volk met machtige arm verlost

Nooit zal Israël dat mogen vergeten. Maar ook wij en onze kinderen zullen dat nooit mogen vergeten! Ook wij zijn als kerk toch betrokken bij de verlossing van Israël. Dat machtige werk deed God aan Zijn kerk. De kerk die er nog steeds is. Hij deed dat dus aan ons als kerk, die daar ook nu met grote verwondering naar terug mag kijken. Ja, die dat steeds weer voor ogen moet hebben in haar ontmoeting met God. In haar leven met God.
Dan is er vandaag voor de kerk intussen nog veel meer reden om in aanbidding en ontzag naar de HERE op te zien. In vertrouwen en in hoop. Want de HERE is doorgegaan met Zijn machtige arm om los te kopen, om te bevrijden. Van zondemacht en doodsmacht. Toen de Here Jezus Christus Zijn kerk loskocht aan het kruis van Golgotha en toen Hij door God werd opgewekt uit de dood. Toen waren ook dat grote wonderen van Gods almacht en kracht en trouw. Wonderen die de uitleiding uit Egypte nog ver overstijgen. Daardoor mogen wij nu weten en belijden: God heeft Zijn wondermacht en kracht getoond toen Hij de Here Jezus Christus opwekte uit de doden en tot Zich nam in de hemel. Net zó overweldigend groot is nu Zijn kracht aan allen die geloven. Ef. 1: 19, 20 zegt daarvan, dat de HERE ons met dezelfde sterke macht doet geloven en de eindbestemming van de heerlijkheid doet bereiken, als waarmee Hij Christus heeft doen opwekken uit de doden en Hem aan zijn rechterhand in de hemel heeft doen zetten.
Zo mogen wij verder gekomen zijn dan Asaf. Wij hebben nog meer gezien van de machtige wonderdaden van de HERE. In lijden, sterven, opstanding en hemelvaart van Gods Zoon, bereidde Hij Zijn kerk de weg naar het beloofde land van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
Wíj kunnen daarom nog minder dan Asaf blijven staan bij de vraag van vers 10:

    Vergeet God genadig te zijn? Sluit Hij Zijn barmhartigheid in toorn toe?

Wij weten nu: nee, God vergeet Zijn kerk niet genadig te zijn, God sluit Zijn barmhartigheid niet toe in toorn. Dat deed God alleen aan onze Here Jezus Christus. Toen Hij Hem op Goede Vrijdag aan het kruis had verlaten. Zodat wij nooit meer door Hem verlaten zouden worden.
(wordt vervolgd)