Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Apostolische Geloofsbelijdenis contra Islam (8)

Jaargang: 
3
Datum: 
23 dec. 2009
Nummer: 
44
Schrijver: 
W. Ensing
ID:
604
Rubriek: 


De kerk bestaat in het moslimgeloof niet: niet als gebouw en niet als gemeente van Christus.
In Efeziërs 5: 25 en 26 lezen we: “Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, ...”
De gemeente, dat is de Kerk: het lichaam van Christus. En de Kerk is daarom heilig, omdat zij in Christus geheiligd is.
Het is ook een algemene Kerk, omdat ze niet tot één land of volk beperkt blijft. Zij heet christelijk, omdat Christus haar levende Hoofd is in de Hemel. De Kerk – Christus’ gemeente – is niet door mensen gesticht maar door Christus zelf. In Openbaring 5: 9 staat: “... want Gij zijt geslacht en Gij hebt (hen) voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie; en Gij hebt hen (= de gemeente) voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde.”
Christus vergadert Zijn gemeente in de gemeenschap van het ware geloof. Zo ontstaat er een gemeenschap der heiligen. Er zijn heiligen die reeds ontslapen zijn, Hebreeën 12: 23: “...en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben ...”. Dat is de triomferende Kerk. In i Korintiërs 1: 2a gaat het om de Kerk hier op aarde: “...de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen, ...”. Deze geheiligden hebben wel een opdracht: Ieder lid moet bereid zijn – om Christus wil – zijn gaven ten nutte en ter zaligheid van de andere gemeenteleden, gewillig en met vreugde te gebruiken. (Filippenzen 2: 4 en I Petrus 2: 10). En dat doen de leden van de gemeente uit dankbaarheid aan God en voor de vergeving van de zonden door de kruisverdienste van Christus. Immers alleen God kan vergeven; Hij is de rechter. Dat lezen we in Jesaja 43: 25: “Ik, Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil en Ik gedenk uw zonden niet.” En dat doet God om Christus’ wil. “Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn.”

De Islam kent dit allemaal niet. Hun “kerk” is de moskee, een gebouw, geen gemeente. De gemeente is de Umma, die in het gebouw samenkomt. Elke moskee in ons land is een stukje Islamitische grond en dat zal nooit meer worden prijsgegeven. De moskee is de plaats van de nederwerping, meestal op tapijten, in de richting van Mekka. Vooral mannen zijn verplicht om tenminste op vrijdag naar de moskee te gaan om daar zich neer te buigen voor Allah. Dat de samenkomsten niet op zaterdag worden gehouden is vanwege het geschil met de Joden; ook niet op zondag vanwege de christenen die Allah’s woord veranderd zouden hebben. Vrouwen mogen ook in de moskee komen maar wel in een aparte ruimte. Ze moeten dan wel gesluierd zijn: alleen gezicht en handen mogen gezien worden. De mannen zouden eens afgeleid kunnen worden door het zien van de heupen van de vrouwen.
De moskee is dus de plaats voor het gebed, liefst vijf maal per dag, maar dat mag ook elders gebeuren. De schoenen moeten wel van de voeten, want de plaats is heilig.
In de moskee wordt Allah’s naam geprezen. Hierin beleeft de moslim de gemeenschap met de anderen van de Umma. De onderlinge band ontstaat door het vervullen van dezelfde plichten. Dat is dus geen gemeenschap der heiligen, die haar gemeenschap vindt in Christus als de Verlosser.
De moslim is onvoorwaardelijk trouw aan de broeders van het geloof. Alle neuzen gaan letterlijk en figuurlijk dezelfde kant op, nl. naar Mekka.
In de moskee wordt ook gepreekt maar meestal komt de inhoud van de preek steeds op hetzelfde neer. Ook komt het nogal eens voor dat de preek een politieke inhoud heeft. En natuurlijk wordt in de moskee ook de Koran gelezen en onderwezen. Naast de lofprijzing voor Allah is er ook de zegenbede voor Mohammed.

En dan nu nog iets over de vergeving van de zonden.
In Soera 40: 3 lezen we: “(Allah) is de vergever van de boosheid en de ontvanger van het berouw; die hevig is in kastijding en machtvol. Geen ander god is er dan hij. Tot hem is de gang.”
Er is geen sprake van gerechtigheid. Als er voldaan is aan de eisen van de Koran, dan is er vergeving: Insh Allah, als Allah het wil.

Tot Slot
In het liturgisch gebed, achter in ons kerkboek, in het gedeelte voor de verbreiding van het evangelie, lezen we de bede voor de arbeid van de zending onder de Joden en heidenen .... In de oude versie werden daarbij ook de Mohammedanen genoemd.
Moslims willen niet als Mohammedanen aangesproken worden. Dat doet tekort aan Allah.
Vroegere zendelingen – ik denk aan ds. Merkeleijn op Java – hebben zich veel moeite getroost in de prediking aan Moslims. De zojuist genoemde predikant werkte 26 jaar op het zendingsveld en heeft niemand gedoopt.
Wij hoeven niet meer zo ver te reizen om het Evangelie aan de Moslims te brengen. Ze wonen nu onder ons, zijn onze buren. De Here heeft de zending wel heel dichtbij gebracht. Kansen door God ons gegeven.
Leviticus 19: 10: “Ook zult gij uw wijngaard niet afzoeken en het afgevallene van uw wijngaard niet oplezen; dit zult gij voor de armen en de vreemdelingen laten liggen ...”
Leviticus 19: 33: “En wanneer een vreemdeling bij u in uw land vertoeft, zult gij hem niet onderdrukken.”
Vers 34: “Als een onder u geboren Israëliet zal u de vreemdeling gelden, ....” We zien hierin dat vreemdelingen onder Gods bijzondere zorg staan. Zijn eer is het om de hulpelozen te helpen. (Psalm 146: 9).
Deze eertijds vreemdelingen zijn medelanders geworden. Merken zij aan ons dat wij christenen zijn? En hoe dan wel? Bidden wij wel eens voor hen, die een Allah aanbidden, die onze God niet kan zijn? Lopen wij ze schichtig voorbij in de winkelstraat, met de gedachte: Wat doen die mensen hier eigenlijk?
Misschien kunnen we daar eens over nadenken of er met elkaar eens over praten.