Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Afval van Gods verbondskinderen

Jaargang: 
3
Datum: 
24 jun. 2009
Nummer: 
24
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
535


    Jes.1: 1-3:
    1 Het gezicht van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij heeft gezien over Juda en Jeruzalem in de dagen van Uzzia, Jotam, Achaz en Jechizkia, koningen van Juda.
    2 Hoort, hemelen, en aarde, neigt uw oor, want de HERE spreekt: Ik heb kinderen grootgebracht en opgevoed, maar zij zijn van Mij afvallig geworden.
    3 Een rund kent zijn eigenaar en een ezel de krib van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip, mijn volk geen inzicht.

Jesaja

De profeet Jesaja trad op in Juda onder 4 koningen, lezen we in het opschrift boven dit boek: Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia. Een periode van zo’n ruim 50 jaren, waarin de profetieën van Jesaja zijn opgetekend. In een tijd dat Israel, en speciaal Juda, van de HERE afviel en de straf van de ballingschap tegemoet ging. Een tijd van grote teleurstellingen voor de profeten en de getrouwen in die dagen. Maar vooral een tijd waarin aan de HERE groot onrecht werd gedaan. Toch bleef de HERE omzien naar Zijn volk. Hij bleef trouw. In zijn waarschuwen, in zijn straffen. Maar ook in Zijn ontferming, Zijn bewaring. Naast Zijn heiligheid en rechtvaardigheid toonde Hij ook Zijn goedertierenheid en barmhartigheid. Zo was de naam van de profeet Jesaja zelf tot een getuigenis. Die naam vertelde Wie God voor zijn volk was ook in deze tijd van afval: “de HERE is verlosser”. Een heerlijk en troostvol getuigenis voor toen en voor nu. Daardoor worden ook de profetieën van Jesaja gekenmerkt: De HERE is het Die verlost, Hij alleen. Maar Hij verlost door récht: Sion zal door recht verlost worden (Jes.1:27). Dat is de goddelijke stijl van onze Verbondsgod. Zo is Hij. Zo kennen we Hem ook door Christus. Als de God die in Christus onze zonden niet ongestraft liet, maar tegelijk ons wil redden van de eeuwige ondergang.
In Jesaja 1 wordt eerst een situatieschets gegeven van het volk Juda. In die schets spreekt de HERE. Daarin taxeert, beoordeelt en oordeelt Hij. Jesaja maakt direct duidelijk dat hij slechts de woorden van de HERE doorgeeft (vers 2):

    Hoort, hemelen en aarde, neigt uw oor, want de HERE spreekt.

Deze profetie is maar niet een overdenking van Jesaja zèlf. Of het resultaat van zijn Godservaring. Jesaja geeft aan dat hij slechts diensknecht is van God. Hij geeft geïnspireerd door de Heilige Geest, de woorden door die van God zijn.

Hemelen en aarde

Die eerste woorden brengen de hoorders gelijk in een heel bijzondere verhouding. Een verhouding zoals die er eigenlijk bij elke preek zou moeten zijn. Een houding van eerbied en ontzag, omdat de HERE als de God van het verbond tot zijn volk, tot zijn kinderen spreekt. Dat zijn geen woorden die het volk per definitie plezierig in de oren moeten klinken. Woorden waardoor ze gevleid worden, zoals dat tegenwoordig in veel preken gebeurt. Waarin de boodschap eigenlijk niet anders is dan “God houdt van jou”. Nee, hier spreekt de HERE Zijn woorden, die Hij nodig vindt voor het heil en behoud van Zijn volk. Dat zijn woorden ten leven, dat is evangelie, maar niet een evangelie naar de mens, ook niet een evangelie naar de religieuze mens.
De HERE die spreekt, roept de hemel en de aarde tot getuigen. Waarom? Omdat Hij Zijn volk ervan doordringen wil dat het woorden zijn die te maken hebben met Gods eed van vloek of zegen. Dat God teruggrijpt op verbondswoorden, die God zijn volk voorgehouden heeft en waar het volk ooit ja op heeft gezegd. Deze woorden sluiten aan bij Deut. 32, het afscheidslied van Mozes. In dat hoofdstuk worden ook de hemel en de aarde tot getuige geroepen in verband met het naleven van het verbond. En in verband met de voorzegde afval van het verbond.
Er was nogal wat gebeurd in de tussentijd tussen Mozes en Jesaja. De voorzegde afval was inderdaad gekomen. Het volk had zich getoond als Jessurun, die vet was geworden en achteruit had getrapt. De afgoden hadden hun plaats gekregen in de harten van Israël. Ja, ze hadden inderdaad het verbond met de HERE verlaten.
Dat hadden hemel en aarde moeten vaststellen. De elementen, die heel de schepping omvatten. Nu moeten hemel en aarde de aanklacht van de HERE horen, dat de afval werkelijkheid is geworden. Die afval raakt Gods hele schepping. Want die schepping draagt er de vloek van. Die schepping ziet daarom ook uit naar de verlossing van die vloek.

Kinderen

Wat de HERE nu gaat spreken is van ontzettende diepe betekenis. Niet alleen voor de tijd van Jesaja, maar voor alle tijden waarin deformatie van de kerk moet worden opgemerkt. De HERE geeft de diepe betekenis aan die de afval voor Hèm heeft. Niet zoals wij die taxeren, en waarbij we dan misschien denken: het valt allemaal nog wel mee. Maar hierin horen wij de diepte die God voor onze oren blootlegt.
De HERE spreekt (vers 2b):

    Ik heb kinderen grootgebracht en opgevoed, maar ze zijn van Mij afvallig geworden.

.
God is Schepper van hemel en aarde. Schepper en Verlòsser van zijn volk. En daarom tegelijk Váder van Zijn volk. Hij is God de Vader van zijn verbondskinderen, over wie Hij Zich in zijn goedheid heeft ontfermd. Israel was Gods kind, die Hij in Zijn genadige ontferming had uitgekozen. Niet omdat de Israëlieten het waard waren, maar omdat Hij hen in Zijn welbehagen had uitgekozen en hen zo Zijn liefde had getoond. Hij had hen als Zijn kinderen met Zijn vaderlijke zorg omringd. Hij had hen grootgebracht en opgevoed zegt vers 2.
Hij had hen grootgebracht: hen het nodige voedsel gegeven, lichamelijk en geestelijk. Hij had ze van allerlei gaven voorzien. Denk aan het voedsel dat niet opraakte, aan de kleren die niet versleten in de woestijn. Denk aan de rijke gaven van het beloofde land, dat overvloeiende was van melk en honing. God gaf Zijn verbondskinderen geen stenen voor brood. Hij hield het ze voor:

    Open maar uw mond, bid tot mij vrijmoedig, pleit op mijn verbond, al wat u ontbreekt schenk Ik, als u ‘t smeekt, mild en overvloedig.

En Hij had hen als zijn kinderen ook opgevoed: door Zijn wet, de tempeldienst der verzoening, door de profeten, door Zijn grote daden.

Van Mij afvallig!

Maar - en dit is het trieste - tegenover al die liefdevolle vaderlijke zorg, staat nu: “maar zij zijn van Mij afvallig geworden.”. Dat moet verbijstering oproepen. Van Míj zijn zij afvallig geworden. Hoe is dat mogelijk? Israël dat zo rijk gezegend was, verwierp Gods heerlijke verlossing en brak Zijn verbond. Het verwierp daarmee haar liefhebbende Vader Zèlf, Die het zoveel gunstbewijzen had getoond, ja alles had geschonken, dat nodig was. Niet maar op één punt. Maar over de hele linie.
De verbijstering om die verblinding wordt opgeroepen door het volgende vers 3:

    Een rund kent zijn eigenaar en een ezel de krib van zijn meester.

Zelfs stomme dieren weten beter dan deze afvallige mensen, van wie ze zijn, van wie ze voedsel krijgen. Een rund loopt nog naar zijn eigenaar. En een ezel die wil het goede voedsel van zijn meester. Maar deze mènsen kènnen hun Vader niet meer. Ze hebben zijn liefde verworpen. Daardoor zijn ze van Hem vervreemd. Vervreemd, zoals de heidenen dat zijn. Ze luisteren niet meer naar Zijn stem. Als gevolg daarvan zijn ze nu ook verduisterd geraakt in hun verstand.
(wordt vervolgd)