Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Afscheid

Jaargang: 
9
Datum: 
22 apr. 2015
Nummer: 
15
Schrijver: 
S. de Marie
ID:
1499


1 Sam. 12:1-5:

1 Samuël nu zeide tot geheel Israël: Zie, ik heb naar u geluisterd in al wat gij tot mij gezegd hebt, en heb een koning over u aangesteld. 2 Nu dan, zie, de koning gaat u voor; ik echter ben oud en grijs geworden, en zie, mijn zonen zijn bij u; van mijn jeugd af tot op deze dag ben ik u voorgegaan. 3 Hier ben ik. Getuigt tegen mij in tegenwoordigheid des HEREN en in tegenwoordigheid van zijn gezalfde: wiens rund heb ik genomen? Wiens ezel heb ik genomen? Wie heb ik verdrukt? Wie heb ik verongelijkt? Uit wiens hand heb ik een geschenk aangenomen en heb daarom mijn ogen toegedaan? Dan zal ik het u teruggeven. 4 En zij zeiden: Gij hebt ons niet verdrukt en gij hebt ons niet verongelijkt en gij hebt uit niemands hand iets aangenomen. 5 Toen zeide hij tot hen: De HERE is getuige tegenover u, en zijn gezalfde is op deze dag getuige, dat gij bij mij niets gevonden hebt. Zij zeiden: Hij is getuige.

De HERE verworpen

In zijn afscheidsrede komt Samuël terug op de eigenwillige beslissing van het volk, om een koning te willen zoals de andere volken die hebben. Samuël heeft hen al twee keer uitgebreid daarover aangesproken. In hoofdstuk 8 heeft Samuël de wens die het volk tot hem had geuit, eerst aan de HERE voorgelegd. Want deze wens `mishaagde Samuël zeer´. De HERE zei toen tegen Samuël:

Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet u hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn. Juist zoals zij gedaan hebben van de dag af, toen Ik hen uit Egypte leidde, tot op de huidige dag, dat zij Mij hebben verlaten en andere goden gediend, zo doen zij nu ook tegen u. Nu dan, luister naar hen, maar waarschuw hen ernstig en zeg hun aan, hoe het optreden zal zijn van de koning die over hen regeren zal (1 Sam. 8:7-9).

Ook al waarschuwde Samuël het volk voor de drukkende last van een koning, het volk wilde niet naar hem luisteren. In hoofdstuk 10 wordt dan beschreven hoe Samuël Saul als koning aanwees. Maar dat deed hij niet zonder het volk de woorden van de HERE voor te houden: ze hadden de HERE verworpen (1 Sam. 10:18,19).

Getuigen

Nu Samuël zijn richtersambt neerlegt, spreekt hij nogmaals tot het hart van het volk over deze zaak. Ze gaan nu een nieuwe fase in en zullen zichzelf moeten beproeven hoe ze staan tegenover de HERE. Samuël vraagt daarvoor aandacht voor de tijd van zijn 30-jarige ambtsperiode als richter en nog langer als profeet. Hij wil dat ze beseffen welke goede tijd ze nu versmaden. Welke goede ambtelijke zorg ze nu opzij zetten om maar een koning te krijgen.

Samuël laat hen daarbij getuigen van zijn betrouwbaar-heid als richter. Ze hebben wel zijn zonen beticht van onbetrouwbaarheid (1 Sam. 8:5), maar dat geldt niet voor hem. Nooit heeft hij steekpenningen aangenomen. Nooit is hij uit geweest op oneerlijke winst. Nooit heeft hij iets gestolen. Hij is hen altijd toegewijd geweest. Hij is hen altijd voorgegaan vanaf zijn jeugd tot nu toe. Er is toch in hemzelf geen reden geweest dat hij nu wordt afgedankt? Samuël wil graag dat het volk dit toestemt, ja als het ware met een eed bekrachtigt. Ze zijn toch al die tijd goed bearbeid geweest?

Waarom verdedigt Samuël hier zichzelf zelfs met het tot getuige roepen van God en de nieuwe koning? Daarvoor zijn drie redenen te noemen.

Wat heb Ik u aangedaan?

Ten eerste wil Samuël laten zien dat hij recht van spreken heeft. Als ambtsdrager is hij onkreukbaar geweest. Daarom kan hij nu met gezag spreken, ook als hij hen straks hun zonden voorhoudt en van straf moet spreken.

Ten tweede wil Samuël laten zien dat de HERE Zelf via het richtersambt alle jaren getrouw is geweest en hen in niets tekort heeft gedaan. Door een koning te kiezen zetten ze in feite de HERE Zelf aan de kant.

Ten derde wordt het volk elk argument ontnomen voor hun handelen. Men had en heeft geen reden voor klachten over de goede leiding en zorg. Daarom had het volk de opvolging van Samuël gewoon in Gods hand moeten laten.

We horen eenzelfde soort verdediging in het rechtsgeding van God tegen zijn volk Israël in Micha 6. Daar zijn de bergen en de heuvelen de getuigen en daar begint de HERE zijn aanklacht met:

Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan en waarmee heb Ik u vermoeid? Getuigt tegen Mij.

Zo ontneemt Samuël namens de HERE het volk alle argumenten om bij Gods dienstknecht of God Zelf een oorzaak te vinden voor hun ontevredenheid. Het volk kan nu niet anders dan Samuëls verdediging in alles toestemmen.

`Nee, we hebben niets tegen u. God is getuige dat er geen onrecht heeft plaatsgehad in uw ambtsdienst.´

Bij nieuwe ontwikkelingen in de kerk is het belangrijk dat men zich afvraagt: waaruit komt dit voort? Is dit voortgaan op, of afgaan van de oude paden? Komt deze ontwikkeling voort uit herstel van onrecht, of komt het voort uit ontevredenheid vanwege zelfzucht of zucht naar de wereld? Is het drang tot noodzakelijke reformatie of drang tot eigenwilligheid?

Is er het besef dat we tekort zijn geschoten in onze dienst aan de HERE, of voelen we ons door Hem beknot in onze eigenwillige vrijheid? Kortom: is het uit God, of is het uit de mens?