Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

Advent, de komst van de Messias

Jaargang: 
1
Datum: 
12 dec. 2007
Nummer: 
44
Schrijver: 
H. Griffioen
ID:
194
Rubriek: 

”In de achtste maand, in het tweede jaar van Darius, kwam het woord des HEREN tot de profeet Zacharia, de zoon van Berekja, de zoon van Iddo:” (Zacharia 1:1)

De profeet

Zacharia, een jonge man van 20 jaar oud, spreekt staande op het tempelplein het van de HERE ontvangen woord.
En als hij gesproken heeft dan zal het de volgende 500 jaar stil blijven; is hij niet een van de laatste profeten van het Oude Testament?
De in visioenen ontvangen nachtgezichten beelden onderwerpen uit die bijna allen te maken hebben met de herbouw van de tempel.
Ja, de tempel moet herbouwd worden, het volk is immers al twintig jaar terug uit de ballingschap. Het tempelplein is op het moment van zijn spreken dan ook niet veel meer dan een ruimte grenzend aan de fundamenten van de tempel.
Mogelijk zijn er bouwactiviteiten want 2 maanden eerder is de herbouw begonnen.
Veel betekent het in de ogen van de mensen nog niet. Men is onzeker of het wel goed komt.
In deze tijd van twijfel komt het woord van de HERE tot Zacharia, de priesterzoon.
De boodschappen komen in wisselende beelden, maar zij hebben steeds betrekking op de herbouw van de tempel, soms ook op de herbouw van Jeruzalem en een enkele keer schiet de profetie door naar de Messiaanse tijd en komt de Messias in het beeld.
Wij willen nu enkele weken voor het vieren van het kerstfeest, die Messias-tekeningen uit de tekst lichten en nagaan wat er van de komende Verlosser, vijf eeuwen voor zijn komst, gezegd wordt.
Zal het gaan over zijn geboorte? Of zullen de woorden betrekking hebben op zijn werk?

De Scheut

Want zie Ik zal mijn Knecht, de Spruit doen komen.
En ik zal de zondeschuld van dit land op één dag wegdoen. (Zacharia 3:8b en 9b)

Wij zijn al drie hoofdstukken ver, voordat de profeet vooruit gaat grijpen op de komst van de Messias. Eerst wees Zacharia het volk op hun zonden. Zij zijn vanwege hun zondeleven in de ballingschap geweest en nu zij terug zijn hebben zij hun zondige praktijken nog steeds niet beëindigd.
Laten zij nu hun zonden afleggen en zich toeleggen op de herbouw van de tempel.
Ja, de HERE zegt dat Hij in liefdesijver voor het volk ontbrand is, Juda en Jeruzalem wacht een grote toekomst. Het volk wordt aangeduid met de liefdevolle naam: “mijn oogappel”. Van de kant van de HERE, naast vermaning, veel woorden van bemoediging.
Wanneer de Hogepriester Jozua aangeklaagd wordt en met schone klederen ontzondigd is en zo het herstel van het hogepriesterschap wordt uitgebeeld, dan wordt daar in een tussenzin melding gemaakt van de Messias.
Hij wordt aangeduid met de naam: de Spruit. Hier vinden wij de eerste woorden bij Zacharia, waarmee hij spreekt over de komende Messias.
De profeet Jesaja had, tweehonderd jaar eerder, eenzelfde boodschap als volgt onder woorden gebracht: “Er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen (Jesaja 1:11).
We kennen deze beelden, het gaat om de geboorte van de Here, in het huis van David.
Het koningshuis, door aanhoudende zonde tot verval geraakt, bij de terugkeer der ballingen nog aanwezig in de persoon van stadhouder Zerubabel, maar daarna 500 jaar later nog slechts zichtbaar in twee gewone weinig opvallende mensen: de timmerman Jozef en zijn jonge vrouw Maria. Uit hun optrekken naar Bethlehem, de stad van David, is nog te zien, dat ze uit het oude koningshuis stammen.
En waarom kan Jesaja spreken van de Scheut en Zacharia van de Spruit?
Dit beeld is terug te vinden bij een bos dat gekapt wordt. De bomen hebben hun tijd gehad, ze worden omgehakt. Vervolgens worden de stammen afgevoerd en een nieuwe aanplant overwogen.
Kijk nu toch eens, bij een van de weggehakte bomen zit er nog leven in de stronk.
Waar eens een machtige reus stond, schiet een nieuwe scheut uit, een Spruit, een Rijsje.
Wat zal daarvan komen? Zal nu toch de boom nog weer gaan groeien? Weer opnieuw uitlopen?
Ja, wat de profeten Jesaja en Zacharia betreft, wat de HERE aangaat, is deze Spruit het begin van een machtige boom. Een boom die nooit opnieuw geveld zal worden, want de Scheut is het begin van een eeuwig Koningschap.

En hoe gaat de profetie nu verder? Wat gebeurt er met de Spruit, de komende Koning? Zal hij een staat voeren van pracht en praal? Zal men van verre komen om zijn grootheid te zien?
Vers 9b geeft een onverwachte wending aan de profetie: de HERE heeft andere plannen met deze nieuwe Koning. Er zal “iets” met deze laatste telg uit het geslacht van David gebeuren, dat voor de wereld onbegrijpelijk is, maar voor het volk van God een onvoorstelbare uitkomst. Het plan luidt als volgt: “en Ik zal op één dag de ongerechtigheden van dit land wegdoen!”
Het is een wending die het volk op het tempelplein hoogstwaarschijnlijk ontgaan is en als het al opgemerkt is, zal deze snel in het vergeetboek raken.
Als de Messias eindelijk gekomen is, staat het zijn discipelen in ieder geval niet meer voor de geest. Hun Meester doet wonderen en mogelijk zal Hij de Romeinen uit het land verdrijven, maar dat zijn Missie te maken heeft met zondenvergeving, dat verwachten zij niet.
Het is echter de kerk van de nieuwe bedeling, Gode zij dank, niet ontgaan! De apostel Paulus roemt in deze bijzonderheid, wanneer hij schrijft: “Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd”. (1 Kor.2:2)
Het kruis op Golgotha, het enige offer van Christus: in één dag wordt de zondeschuld weggedaan!
En zo zien wij dat in de beide versdelen zowel over de geboorte van het Koningskind als over de lijdende Knecht des HEREN wordt gesproken.
Advent en Pasen door deze woorden voorzegd.

De Tempelbouwer

En zeg tot hem: Zo zegt de HERE der heerscharen: zie een man wiens naam is Spruit.
Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en hij zal de tempel des HEREN bouwen.
Ja, hij zal de tempel des HEREN bouwen en hij zal met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn troon en hij zal priester zijn op zijn troon; heilzaam overleg zal er tussen hun beiden zijn. (Zacharia 6:12,13)

Tegen de achtergrond van de werkzaamheden van het moment, de herbouw van de tempel onder de leiding van stadhouder Zerubabel, schiet de profetie door naar de grote Tempelbouwer.
Eerst horen we opnieuw van de uitspruitende stronk van de omgehouwen boom, en daarna de overgang naar de grote Messiaanse taak: de Gemeente van de HERE te zullen bouwen, zoals alleen de hemelse Tempelbouwer dat kan.
Het uitspruiten geeft daarbij aan, dat de Persoon om wie het gaat, een voor de mensen onooglijk begin kent: zoals wij het nu weten, was dat de geboorte in de stal in Bethlehem.
Maar wat uitspruit wordt later groter en grootser, en wij denken aan zijn hemelvaart.
En met zijn plaatsnemen in de hemel, stijgt hij ver uit boven de tempelbouwer van het moment. Dan wordt Hij de Tempelbouwer, die werkt aan het geestelijk huis, zoals daarover geschreven wordt in 1 Petrus 2:5.
Vervolgens vernemen wij, dat deze Stichter van Zijn Gemeente, in de hemel bijzondere posities inneemt.
Als Heerser zit Hij op de troon en we herkennen de woorden van de Heiland uit Matteüs 28:18. Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde.
Deze Heerser heeft tegelijk ook Priesterlijke waardigheid, en Hij is ons ten goede daar, als de Priester Koning Melchisedek.
Samenvattend mogen we zeggen, dat hier gesproken wordt van het Koningskind èn van de Priester-Koning, hetgeen heen wijst naar het offer van zijn leven.

Voor het moment zagen de toehoorders van deze profetie, als “koning” optreden, de Davidszoon Zerubabel. Tegelijk was er de Hogepriester Jozua, die in de te bouwen tempel zijn werk zou gaan doen. Deze twee functionarissen waren de leiders van het volksleven van Juda na de teugkeer uit de ballingschap.
In hun oren was het alleen al bemoedigend te horen dat de tempelbouw doorgezet zou worden, dat de tempel afgebouwd zou worden. Vier jaar later was het inderdaad zover: de tweede tempel herbouwd.
Maar wat er gezegd werd van “heilzaam overleg tussen hen beiden”, dat is voor ons als nieuw-testamentische kerk, veel beter te verstaan.
De Gemeente van de Here wordt niet alleen gebouwd, maar daar is ook de Heerser-Priester, onze Koning die tegelijk het Lam van God is.
Vrijspraak van zonden en een vast Koninkrijk, wat de toekomst ook brengt: wij kunnen er tegen!

De Koning

Jubel luide, gij dochter van Sion; juich gij dochter van Jeruzalem! Zie uw Koning komt tot u, Hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinne jong.
(...) en Hij zal de volken vrede verkondigen en zijn heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee en van de rivier tot het einde der aarde. (Zacharia 9:9,10b)

Voor de profeet en zijn hoorders zijn inmiddels 2 jaar verstreken, de herbouw van de tempel moet al flink gevorderd zijn, nieuwe tijden zijn aangebroken.
Een tijd van welvaart gaat samen met trouwe inzet voor het werk van de HERE.
De HERE is in ijver voor Sion ontbrand, de volkeren die Israël in ballingschap leidden ontvangen hun gerechte straf.
Met Juda gaat het van goed naar beter!
Tegen deze achtergrond wordt door de woorden van de profeet het toekomstig heil ontsloten.
Zal het een herhaling worden van Davids en Salomo’s Gouden Eeuw?
Dan spreekt de profeet over een koninklijke stoet, zoals dat te verwachten is in Israël.
De Vredevorst rijdend op een ezel. Geen paarden, want bij het volk van God is de sterkte in de HERE. Zo zal de toekomstige Vorst komen zoals het behoort.
Eén met zijn volk, een Helper, die de klacht van de eenvoudigen kan aanhoren en begrijpen.
De ideale Koning. Maar dat Hij, de Zoon, zo nederig zich zou aandienen, zoals wij weten dat Hij gedaan heeft, dat hadden de eerste hoorders van de profetie niet kunnen vermoeden.
De mens bewondert gemakkelijk pracht en praal, en toch kan de arme in nood geen betere Helper verwachten, dan Hij die meevoelt, omdat Hij zelf in heilige armoede en nederigheid zich vertoonde. Met deze laatste woorden wordt de intocht van de Heiland, zoals die is beschreven in Matteüs 21, door de schrijver van de Korte Verklaring getypeerd.
Jubel en juich daarom, de van God gezonden levensredder is inderdaad gekomen, al moest het nog heel lang duren.
Na zijn hemelvaart is zijn rijk veel groter dan dat van zijn voorvaderen David en Salomo, het omspant de gehele aarde. En de vrede die in dat rijk genoten wordt, en in de kerk gekend wordt, is geweldiger en verstrekkender dan de vrede van welk land dan ook.
We zien hier de Heiland getekend in zijn Koningschap, juist voor zijn lijden en sterven, en uitlopend naar de verste toekomst: de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Verraden

Toen wogen zij mijn loon af, dertig zilverstukken
Maar de HERE zeide tot mij: werp dat de pottenbakker toe; een heerlijke prijs, waarop ik hunnerzijds geschat ben! (Zacharia 11:12b,13a)

De tekening van het wedervaren van de Heiland gaat hier bij Zacharia al heel ver.
Wij zien het gebeuren, zoals het in Matteüs 27:5 beschreven wordt: “En zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij (Judas) zich .....”.
De Here verkocht voor de prijs die gewoonlijk voor de vergoeding van een gedode slaaf gold. Dertig zilverlingen en de Zoon van God gaat in andere handen over. De Here wordt gevangen genomen en alles werkt heen naar zijn lijden en sterven.
In de profetie van Zacharia is er evenzo sprake van een grote minachting voor het werk van God. Zo zal het ook gebeuren dat men het herderschap van God en van zijn Zoon in het geheel niet naar waarde weet te schatten.
Op weg naar de viering van het jaarlijkse kerstfeest, vinden we in deze woorden voldoende reden om onszelf af te vragen: stel ik het komen van de Here in Bethlehem op hoge prijs?
Is mij daar àlles aan gelegen? Is zijn herderschap mijn hoogste goed?

Doorstoken

Zij zullen Hem aanschouwen die zij doorstoken hebben, en over Hem een rouwklacht aanheffen (Zacharia 12:10b)

De profetie van Zacharia spreekt in het verband van de aangehaalde woorden over een geestelijk vernieuwing van Gods volk. Door de Heilige Geest bewerkte genade en smeking. Gods kinderen staan open voor de genade-werking van de Geest, zij worden er andere mensen door en de heerlijke vernieuwing van het leven doet hen smeken om nog meer verandering van hun leven.
In deze omstandigheden zal men tot groot berouw komen, over het verwerpen en doden van een van de volksgenoten.
Dit lijkt allemaal erg algemeen, zoiets kan immers te alle tijde voorkomen, maar de Heilige Geest geeft de evangelist Johannes de vrijmoedigheid om deze woorden te betrekken op de kruisiging van de Here.
In Johannes 19: 32 tot 34 lezen we: “De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was, braken zij zijn benen niet, maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit.”
In vers 37 vindt de toepassing plaats: “en weer zegt een ander schriftwoord: zij zullen zien op Hem die zij doorstoken hebben.”
Wat een wonder, weer een profetisch woord, dat zo’n lange tijd, eeuwen later uitwerkt in het leven van de Messias.

Verzoenend

Te dien dage zal er een bron ontsloten zijn voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem ter ontzondiging en reiniging. (Zacharia 13:1)

Het lijkt wel of nu de Messiaanse teksten elkaar steeds sneller opvolgen. Hier de woorden van de profeet die bij de komst van de Here de verzoening centraal stellen.
Wat zal er gebeuren? Wanneer Hij komt dan zal het Volk van God de zonden vergeven kunnen worden. Dan is er de Zondeloze die zijn leven offert voor de zondeschuld van allen die in Hem geloven.
Geen woorden over zijn koninklijke geboorte maar onmiddellijk een verwijzing naar zijn werken. Hoe mooi het ook is, het Kind in de kribbe, toch gaat het in zijn komen om zijn verzoeningswerk.
Bij de geboorte komt het sterven al in het beeld. Toen de Engel des HEREN aan Jozef in de droom verscheen, zei Hij: (Matteüs 1:21) “Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden.”

Geslagen

Zwaard waak op tegen mijn herder, tegen de man die mijn Metgezel is, luidt het woord van de HERE der heerscharen, sla de herder, zodat de schapen verstrooid worden.... (Zacharia 13:7a en b)

Een laatste voorzegging van de komst en het leven van de Messias. Onze gedachten gaan bij deze woorden onmiddellijk uit naar de hof van Gethsemane.
De Herder, de Metgezel of de Zoon, wordt gevangen genomen om gedood te worden.
Dat is het zwaard dat op Hem afkomt.
Maar wanneer Hij geboeid is en weggevoerd wordt, dan zijn de discipelen verdwenen, verstrooid.

De Redder

Binnenkort hopen we het kerstfeest weer te vieren en de komst van de Heiland in de wereld te gedenken.
De zeven teksten die hierboven besproken werden hadden allen betrekking op dat komen in de wereld. Tweemaal werd er gewezen op zijn komst als de Scheut in het afgeknotte koningshuis van David. Zevenmaal, dus in alle aangehaalde teksten, wordt er gesproken van zijn lijden en sterven.
De aankondiging van de Engel gedaan aan Jozef: “Want Hij is het die zijn volk zal redden van hun zonden”, geeft precies aan waar het in Gods verlossingsplan om te doen is.
Misschien is het goed om tijdens de komende kerstdagen, als er gesproken wordt over het “Kind in de kribbe”, dat wij bij de tekening van dat aandoenlijke tafereel in de stal te Bethlehem, in dat Kind direct al zien “de lijdende Knecht des HEREN”.
Dat hebben we dan geleerd, door te luisteren naar de jonge profeet Zacharia, die op het tempelplein deze woorden sprak, over de Messias die vijf eeuwen later geboren zou worden, om ons te redden van onze zonden.