Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

1846: De opbouw van het kerkverband

Jaargang: 
5
Datum: 
07 sep. 2011
Nummer: 
31
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
908
Rubriek: 

Het vorige hoofdartikel ging over de synode van 1843. Een synode waarvan geen Acta verschenen zijn, slechts korte aantekeningen, omdat het een mislukte bijeenkomst was. Hoewel men wel verenigd was in de handhaving van het besluit dat de Dordtse Kerkorde weer van kracht was, kon men op de een of andere manier toch niet goed samenwerken. Er waren zoveel afgevaardigden weggelopen dat de fut eruit was.
Onder de zegen van de HEERE ging het drie jaar later de goede kant uit. Op de synode van Amsterdam 1846 begon de verdere opbouw van het kerkverband van de afgescheiden kerken.


De constituerende vergadering

De synode was bijeen geroepen door de drie Particuliere Synodes van het Noorden. Ze kwam bijeen op 16 september 1846 in Groningen en vergaderde tot 24 september.
Op verzoek van de afgevaardigden heeft ds. T.F. de Haan de synode geopend. Er bleken van zes Particuliere Synodes afgevaardigden aanwezig te zijn, één Particuliere Synode (Zeeland) wilde aan de synode niet deelnemen. Er waren 11 predikanten en 9 ouderlingen.
Er moest apart gesproken worden met afgevaardigden uit Gelderland-Overijssel en Noord-Holland. Voor beiden gold dat alleen als zij de vergadering als synode erkenden die bindende besluiten kon nemen, zij als afgevaardigden met stemrecht konden worden toegelaten.
De afgevaardigden van Gelderland-Overijssel stemden daarin toe. Die van Noord-Holland, onder wie ds. S. van Velzen, bleven bij het standpunt van de hen afvaardigende Particuliere Synode, namelijk dat de vergadering als voornaamste taak zou hebben de hereniging met de zogenaamde Christelijk-Afgescheiden of Oud-Gereformeerde Gemeenten in Nederland.
De vergadering besloot dat de afgevaardigden van Noord-Holland alleen als adviseurs zouden mogen optreden en dat alleen als zij gevraagd zouden worden om raad en inlichtingen te geven. Dit betekende dat ds. Van Velzen op deze synode geen rol van betekenis kon spelen, althans niet in de vergaderingen.
Vervolgens werd ds. D. Postma van Wildervank (een jonge dominee, 28 jaar oud) verkozen tot preses. Naast hem twee scriba’s en een secundus preses.

Leergeschillen

De eerste zaak die aan de orde kwam betrof een verzoek van de Particuliere Synode van Zuid-Holland om uitspraken te doen over enige verschillen in de leer.
Die worden in de Acta uitvoerig uiteengezet. Ze betroffen vooral de vraag hoe men de kerkleden moet beschouwen. Moet men degenen die belijdenis hebben afgelegd ook voor 'ware begenadigden' houden, zonder daaraan te twijfelen?
In plaats van de benaming 'gelovigen' gebruikte men dus die van 'begenadigde'. Dat houdt dan blijkbaar meer in dan alleen de uitdrukking ‘belijdende leden'. Het is een overblijfsel van de opvatting dat iemand zich pas dan als gelovig of begenadigd mag beschouwen wanneer hij een bijzondere werking van de Heilige Geest heeft ervaren en daarvan getuigenis kan afleggen. Als consequentie van die opvatting meende men dat iemand die twijfelt geen ware gelovige is. En verder ook dat alleen 'begenadigden' als kerkleden mochten worden aangenomen en zelfs dat alleen kinderen van zulke ‘begenadigden' gedoopt mochten worden, omdat alleen zij in Christus geheiligd zijn.
De synode bleef bij de Schriftuurlijke belijdenis, dat de kerk niet over het hart oordeelt en dat dus ieder die zijn geloof belijdt en ernaar leeft moet worden aangenomen als lid en aanvaard als gelovige, ook al zijn er hypocrieten in de kerk. En dat de heiligheid van de kinderen van de gelovigen geen inwendige heiligheid is.

Regeling voor de roeping tot predikant

In de eerste tijd na de Afscheiding was er nogal wat verwarring en kwamen er misstanden voor bij de aanstelling van predikanten. Er waren wel bepalingen gemaakt door eerdere synodes, maar die werden slecht nageleefd. Zo had ds. Scholte nota bene tijdens zijn schorsing in het hele land her en der predikanten aangesteld.
De bestaande regeling werd aangescherpt: voortaan moest geheel volgens de kerkorde een kandidaat eerst preparatoir (beroepbaar stellend) examen doen en na het aannemen van een beroep peremptoir (toelatend) examen afleggen.
Het preparatoir examen moest worden afgenomen door gecommitteerden van de Particuliere Synode, omdat er in de classes niet voldoende predikanten waren. Het peremptoir examen moest dan door de Particuliere Synode, waaronder de beroepende kerk ressorteerde, worden afgenomen, waartoe de andere Particuliere Synodes verzocht werden daarin mee te doen door afgevaardigden naar dat examen te zenden.
Men hoopte op deze manier een bredere basis te leggen onder de aanstelling van predikanten en zo de wildgroei daarin te beteugelen.

Theologische School

In verband met deze zaak droeg de synode aan enkele broeders op om met een ontwerp te komen voor het stichten van een Theologische School.
Deze broeders zijn voortvarend te werk gegaan en hun voorstel is als bijlage bij de Acta gevoegd. Zij presenteren aan de kerken hun voorstel, dat er twee hoogleraren zullen worden benoemd, die de vakken onderling verdelen; daarbij ook een leerkracht voor het onderwijs in de talen. De hoogleraren zijn lid van de kerkeraad ter plaatse, ook van de classis en Particuliere Synode en adviseur van de Generale Synode. De School moet gevestigd worden op een goedkope plaats. Ook wordt een regeling getroffen voor steun aan hulpbehoevende studenten.

Ambtsgewaad

De kerken die zich afgescheiden hadden omdat zij bezwaar hadden tegen enig gezag van de meerdere vergaderingen en daarom de Dordtse Kerkorde niet als regel voor het kerkverband wilden aanvaarden, beweerden dat ze daartoe wel moesten komen vanwege besluiten van synodes inzake het ambtsgewaad van de predikanten.
Maar dat was niet meer dan een uitvlucht – immers steeds hebben de synodes er de nadruk op gelegd dat dit een middelmatige zaak is.
Na uitvoerige discussies besloot de synode dat dit een zaak is van de plaatselijke kerkeraden en dat het er bij een besluit over het al of niet gebruiken van het ambtsgewaad vooral op aankomt geen aanstoot te geven.
Enkele broeders waren van oordeel dat de synode had moeten besluiten tot de handhaving van het ambtsgewaad en zij dreigden zelfs hun overtuiging uit te dragen door middel van een brochure.
De synode vermaande hen dat vooral niet te doen. De Acta melden daarvan - en dat is ook voor ons vandaag van belang:

    dat de gebreken van Sion niet moeten worden gehoord te Dan, noch verkondigd op de straten van Askelon; en zij beschouwt het nadelig dat broeder tegen broeder in strijd staat; waarover de vijanden zouden juichen en de kinderen Gods bedroefd zijn, dewijl het hunne begeerte is dat degenen die geloven één hart en ééne ziel mogen zijn.

En zij legde er de vinger bij dat het bij de tegenstanders van het ambtsgewaad niet zozeer ging om die zaak zelf, als wel omdat het voortvloeide uit hun niet gereformeerd beginsel van kerkregering.
Zij noemde haar besluit: ‘zachte, liefelijke en welluidende banden en regels’ en wie die ‘verscheurt en van zich werpt’ is schuldig aan scheurmakerij.

Scheurmakers

De synode hield zich vervolgens bezig met de droevige scheuring in het kerkverband, waardoor er schismatieke Particuliere Synodes en predikanten zijn gekomen.
De synode roept hen dan op, ja 'bidt' hen zich weer met het kerkverband te verenigen in leer, tucht, dienst en kerkregering - een uitdrukking die nog altijd gebruikt wordt in verband met de zusterkerkrelatie met buitenlandse kerken.
Wanneer zij dat doen zullen hun predikanten worden erkend. Als zij dat echter weigeren zullen hun predikanten bij een eventuele overkomst eerst door de classis worden ondervraagd alvorens te worden toegelaten als predikant.
- Wat kerkleden betreft die lid zijn geworden van een schismatieke groep: zij moeten met alle voorzichtigheid behandeld worden en uiteindelijk moet aan hen geschreven worden dat zij vanwege hun handelwijze niet meer bij de gemeente erkend worden, anders gezegd: dat zij zich metterdaad onttrokken hebben aan opzicht en tucht van de kerkeraad. Met andere woorden - zo staat het in de Acta: ’zonder het gewone formulier van afsnijding op hen toe te passen’.
- Ten aanzien van de kerkeraad van Assen, die zich niet aan de Dordtse Kerkorde wil houden, is de synode van oordeel dat hun afgevaardigden wel op de classis mogen worden ontvangen, evenwel zonder stemrecht.
Dat was een milde geste!

Diversen

- Gereformeerd onderwijs: de kerken worden aangespoord bij de koning een rekwest in te dienen om ruimte te scheppen voor gereformeerd onderwijs. Een voorname reden voor de emigratie naar Amerika van zoveel afgescheidenen was dat hun kinderen geen gereformeerd onderwijs konden krijgen!
- Dankdag: voortaan moet deze gehouden worden op de eerste woensdag van november - een regeling die nog altijd van kracht is;
- Kerkgrenzen: er is een klacht van de kerkeraad van Beilen dat kerkleden uit Tiendeveen, dat onder Beilen ressorteert, in Hoogeveen kerken. De synode verwijst dat terug naar de Particuliere Synode - we lezen niet wat deze besloten had;
- Tijdschrift: in plaats van DE REFORMATIE (het blad van Scholte) wordt een kerkelijk orgaan opgericht. De redacteuren worden door de synode benoemd, alsmede twee broeders die er op moeten toezien dat de artikelen gereformeerd zijn.

Conclusie

Wij mogen spreken van een gezonde ontwikkeling. De synode past het Schriftuurlijke kerkrecht toe op allerlei gebied. Zo verwijst zij meermalen kerkleden, die zich op de synode beroepen zonder dat zij de kerkelijke weg gaan, naar hun kerkeraad of classis. Ook heeft zij een begin gemaakt met de oprichting van een theologische school en de aanstelling van predikanten beter geregeld.
Ook in dit deel van de geschiedenis van de Afgescheiden kerken – en dat is ònze geschiedenis! – is er veel wat ons tot lering moet dienen.
Na afloop van de slotzitting wordt er een dankstond gehouden, waarin de preses preekt over Jeremia 31:20:

    Is Efraïm voor Mij niet een dierbare zoon, is hij voor Mij niet een lievelingskind?
    Want zo dikwijls als Ik tot hem spreek, denk Ik nog voortdurend aan hem.
    Daarom is Mijn binnenste onrustig, Ik zal Mij zeker over hem ontfermen, spreekt de HEERE.

‘Zoo is men dank betuigende en heil wenschende broederlijk uiteen gegaan’.

Dit was dan de eerste synode na de ‘wegloopsynode’ van 1843, waar twintig afgevaardigden de synode verlieten en zich afscheidden van het wettige kerkverband.
Ook toen zonder zich te beroepen op Schrift en belijdenis en zonder de duidelijke uitspraak dat zij zich volgens artikel 28 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis afscheidden van degenen ‘die niet van de kerk zijn’.
Ze vormden in hun schismatieke kerkverband wel classes en Particuliere Synodes, maar geen Generale Synode.
Het verwerpen van het gezag van de meerdere vergaderingen, dat de eigenlijke reden van hun afscheiding was, maakte de weg vrij voor de hiërarchie van enkelen, vooral van predikanten. Met name speelde ds. A. Brummelkamp in deze hele ontwikkeling een centrale rol.
Over die ontwikkelingen hoop ik een volgend artikel te schrijven. En dat steeds met het doel de eer van de HEERE, Die altijd weer Zijn kerk bewaarde en terugbracht bij Schrift en belijdenis. En verder om de geschiedenis als een les voor het heden te beschrijven.