Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

1843: De afgescheiden kerken bewaard op hun grondslag

Jaargang: 
5
Datum: 
06 jul. 2011
Nummer: 
26
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
886
Rubriek: 

Het vorige hoofdartikel ging over de synode van 1840. Die stond voor het grootste deel in het teken van de terugkeer naar Dordrecht, met name de Dordtse Kerkorde. De synode besloot de zogenaamde Utrechtse kerkorde van 1837 ter zijde te stellen en terug te keren tot de Dordtse Kerkorde en verplichtte de predikanten om die kerkorde te ondertekenen. Enkele predikanten hadden daar grote bezwaren tegen en spraken uit dat zij in hun ambtelijke arbeid zich niet aan dat besluit gebonden achtten.
Het is duidelijk, zo schreef ik, dat dat moest uitlopen op een scheuring. Dat is ook gebeurd en wel op de synode van 1843.


De constituerende vergadering

Ds. A. Brummelkamp was door de synode aangewezen om de volgende synode bijeen te roepen. Hij heeft dat gedaan in een rondschrijven aan alle Particuliere Synodes.
In die beschrijvingsbrief worden dan allerlei zaken opgesomd die de verschillende Particuliere Synodes ter behandeling op de agenda hadden gezet.
Die constituerende vergadering vond plaats op 26 juli in het kerkgebouw van de Afgescheiden gemeente in Amsterdam.
Van deze synode zijn geen Acta officieel vastgesteld. Er zijn slechts aantekeningen van de beide scriba’s, alsmede de lastbrieven van de Particuliere Synodes en andere ingekomen stukken. In de uitgave van de Handelingen van de algemene synodes van de Afgescheiden kerken heeft ds. H. Bouma die bewaard gebleven bescheiden verzameld en gepubliceerd.
Er waren niet minder dan 41 afgevaardigden, meer dan eerder bij verschillende synodes. Ds. H. de Cock was in 1842 overleden en werd in de grote verdeeldheid die zich openbaarde node gemist. Onder de afgevaardigden was ook ds. H.P. Scholte aanwezig, die notabene vanwege de synode van 1840 geschorst was, maar die rustig was doorgegaan met zijn ambtelijke werk.
Voordat de vergadering kon worden geconstitueerd en een moderamen verkozen moest duidelijk worden of de afgevaardigden instemden met de leer en de kerkorde van Dordrecht.
Daartoe las ds. Brummelkamp de lastbrieven voor.

Drie partijen

Uit die lastbrieven blijkt dat er met betrekking tot de Dordtse Kerkorde drie standpunten waren.
1. Alleen de afgevaardigden van particuliere synodes, die onvoorwaardelijk de Dordtse Kerkorde aanvaarden als de enige regel voor de kerkregering, kunnen leden van de synode zijn;
2. wij kunnen niet deelnemen aan het werk van de synode wanneer deze blijft bij haar besluit van de voorgaande synode om de Dordtse Kerkorde weer in te voeren;
3. wij laten het aan de synode over om over de al of niet herinvoering te besluiten.
Daaruit blijken de grote tegenstellingen tussen de verschillende ressorten met betrekking tot de synode van 1840 en haar besluit inzake de Dordtse Kerkorde. Die tegenstellingen waren sinds 1840 alleen maar verscherpt. Was er op die synode nog de mogelijkheid naar elkaar te luisteren, in de daaropvolgende jaren hadden de kerken in de verschillende ressorten hun meerdere vergaderingen gehouden en dat betekende dat zij over het algemeen zich in hun eigen standpunten verhardden.
De kerken in het Noorden waren het meest uitgesproken voor de Dordtse Kerkorde. Daar werd over het algemeen strenge tucht geoefend, bijvoorbeeld over een kerklid dat een kerkdienst van de Nederlands Hervormde Kerk had bijgewoond!
Daartegenover stonden de Geldersen onder leiding van Brummelkamp, die zich tegen een bindende kerkregering verklaarden.
De toespraak die ds. S. van Velzen namens de Particuliere Synode van Noord-Holland hield liet aan duidelijkheid niets te wensen over. We geven daaruit enkele citaten.

Pleidooi voor het handhaven van de Dordtse Kerkorde

Zonder kerkorde kan er geen kerkelijke vergadering worden gehouden en uiteraard ook geen synode.
De treurige gevolgen van het verwerpen van de kerkorde hebben we in het kerkverband ondervonden. De verdeeldheid over deze zaak brengt dadelijk de schromelijkste verwarringen mee.
Wij hebben daarvan reeds treurige bewijzen ondervonden en zij zijn er nog. Iemand die als Leraar door de bevoegde kerkelijke vergaderingen geschorst is, gaat op sommige plaatsen voort met de prediking en de bediening der sacramenten.
Die hier openbaar als een scheurmaker is bestraft, voor wie de gelovigen vermaand worden te bidden dat hij mag ontwaken uit de strikken van de duivel, diezelfde wordt op andere plaatsen toegelaten om de heilige tekenen en zegelen van het genadeverbond uit te delen! Als dat zou kunnen mogen we wel tegenover het woord van de Heere Jezus Christus stellen dat een rijk, tegen zichzelf verdeeld, wel kan bestaan. Maar wij moeten als één Rijk samenwerken en dan moeten wij in die zaken hetzelfde beginsel, één kerkorde hebben.
Elk lid van de synode moet de kerkorde aannemen, elke predikant is zelfs daartoe verplicht.
Door die aanneming zou vereniging onder afgescheidenen en niet-afgescheidenen bewerkt worden.
Tot nu toe is er veel twist geweest. Zeven jaar lang hebben de afgescheidenen grotendeels hun krachten verkwist met onderling te strijden over zaken die de regering van de kerk betreffen.
Hoe geheel anders zou onder Gods zegen de toestand van de afgescheiden gemeenten zijn, indien de ijver die in het begin openbaar werd, was gebleven voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd.
Er werden echter vreemde leringen geopperd, er werd getwist en de liefde verkilde.
De eenvoudigen werden bevreesd, wantrouwend, verward en velen van de vromen, die vroeger geneigd waren zich met ons te verenigen, werden weer ver van ons verwijderd.
De kerkorde moet niet alleen worden aangenomen, zij moet ook gehandhaafd worden.
Wij stoten niemand weg, hoewel wij de Dordtse Kerkorde aannemen en volgen; maar wij kennen geen andere weg tot heil van de kerk, geen andere weg om aan de treurige twisten een eind te maken en in waarheid tot welzijn van de gemeente verenigd werkzaam te zijn en in plaats van terug te stoten, bidden wij hen van ganser harte dat zij verenigd met ons deze weg willen bewandelen.

De breuk

De afgevaardigden die tegen de Dordtse Kerkorde waren lieten zich niet overtuigen maar kwamen er tegen in opstand. Zij bleven bij hun standpunt dat meerdere vergaderingen geen gezag hebben over mindere vergaderingen en dat haar besluiten niet bindend verklaard kunnen worden. Tegenover de stelling van de kerken in Noord-Holland dat het blijven bij de Dordtse Kerkorde de eenheid van de kerken zou bewerken stelden zij dat als zij nu toegaven de eenheid daardoor juist verbroken zou worden.
De voor- en tegenstanders van de Dordtse Kerkorde konden elkaar niet overtuigen. Met name ds. Scholte, hoewel hij als geschorste predikant geen enkel recht van spreken had, bleek de felste tegenstander van het handhaven van het besluit van 1840 inzake de herinvoering van de Dordtse Kerkorde.
Dit alles leidde ertoe dat op de tweede dag onder leiding van Scholte niet minder dan de helft van de afgevaardigden de vergadering verliet (20 van de 41). Onder hen waren ook de predikanten Brummelkamp, Gezelle Meerburg en Van Raalte.* Deze laatsten verklaarden dan dat zij zoveel in hun vermogen was zouden trachten de kerken bij elkaar te houden.

De voortgang van het werk

Over het vervolg van de synode moeten we helaas kort zijn.
Eerst kwam aan de orde de vraag of men wel met het werk verder kon gaan. De broeders waren het er goed over eens dat zij hun werk als synode moesten voortzetten.
Eerst was de verkiezing van een moderamen aan de orde, dat kon nu pas plaatsvinden. Preses werd ds. Van Velzen, het scribaat werd waargenomen door de predikanten P. Dijksterhuis en E. Lindeman.
Na die eerste twee hectische dagen was de eenheid toch nog niet teruggekeerd. Hoewel de achtergebleven broeders wel overtuigd waren dat zij de enige ware weg bewandelden met betrekking tot de kerkorde bleek het in de toepassing daarvan heel moeilijk om gezamenlijk besluiten te nemen.
Er kwamen verschillende gecompliceerde zaken aan de orde die in de weg van appèl volgens artikel 31 van de kerkorde waren ingediend. Dat ging onder meer over het examineren van een bepaalde kandidaat, over de schorsing van een predikant, over een conflict tussen een classis en een Particuliere Synode en over andere tuchtzaken – kortom geen duidelijke beleidszaken.
Na enkele dagen vergaderen bleek het toch niet goed mogelijk verder te gaan. Geregeld staakten de stemmen of was er slechts een kleine meerderheid, de besprekingen brachten geen oplossing en het einde was dat men op aandringen van de preses besloot uiteen te gaan en te wachten op betere tijden.
Ook het werk van de laatste dagen werd nietig verklaard - wij doen alsof er helemaal geen synode is geweest, zo besloot men. Het zou tot 1846 duren voor er opnieuw een synode kon samenkomen.

De wacht bij het Schriftuurlijke kerkrecht

Als we deze synode moeten beoordelen is er zo oppervlakkig gezien niet veel dat tot blijdschap of dankbaarheid stemt. Er was dan toch een definitieve scheur gekomen in het nog jonge kerkverband, nog maar negen jaar na de Afscheiding.
Ondanks allerlei pogingen in de komende jaren om met de uitgetreden kerken toch weer tot kerkelijke eenheid te komen is die scheur blijven bestaan tot 1854, bijna twintig jaar. Pas toen kwamen de tegenstanders van de Dordtse Kerkorde zo ver dat zij toch nog deze als de regel voor de kerkregering aanvaardden, inclusief het gezag van de meerdere vergaderingen en de bindende kracht van haar besluiten.
Toch moeten wij, ondanks het verdriet over een scheuring die tegen Gods Woord inging, dankbaar zijn. De pogingen om af te komen van het besluit van de synode van 1840 inzake de Dordtse Kerkorde en een andere koers uit te zetten in de richting van vrijblijvendheid ten opzichte van kerkelijke besluiten van meerdere vergaderingen leden schipbreuk. De kerken werden bewaard bij haar grondslag.
Duidelijk blijkt dat ds. Van Velzen heel veel heeft betekend om de kerken in het rechte spoor te houden! Hij stelde duidelijk en klaar de tegenstellingen in het licht en bleef er op wijzen dat eenheid alleen gevonden wordt in de onderwerping aan de waarheid.
We zien hier duidelijke parallellen met de scheuring in de jaren zestig toen het ook ging om de bindende kracht van de besluiten van meerdere vergaderingen. De zogenaamde buitenverband kerken wilden niets weten van zo’n kerkverband, waar de meerdere vergaderingen gezag hebben. In feite hebben zij geen kerkverband en is elke kerk gerechtigd eigen wegen te gaan.
Dat is een ontwikkeling die we sinds onze vrijmaking in 2003 in de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt zich zien voltrekken in een grote vaart. Kerken krijgen het groene licht voor een eigen koers of ze nemen die vrijheid.
Die ziektekiem van de eigenwilligheid hebben we helaas ook in De Gereformeerde Kerken (hersteld) zien doorwerken waardoor er hier en daar scheuringen kwamen. Openlijk wordt in die kring uitgesproken dat meerdere vergaderingen geen enkel gezag hebben over mindere vergaderingen en helemaal niet over een kerkeraad. Men kan volgens die opvatting dus een besluit van een meerdere vergadering naast zich neerleggen.
Ook nu, bij alle verdriet om deze verbreking van de eenheid in de waarheid, zijn we geroepen tot dankbaarheid dat de HEERE ervoor gezorgd heeft dat de kerken niet de weg zijn opgegaan van een uitgehold kerkverband van het sanctioneren van eigenwilligheid, maar bewaard gebleven zijn op het fundament.

De kosten berekend

Wat het in die tijd betekende om zich vrij te maken en zich bij de afgescheiden kerken te voegen wordt duidelijk uit het voorbeeld van A.M.C. van Hall. Hij was een advocaat, die de afgescheidenen verdedigde. Hij leefde van 1808 tot 1838. In 1836 heeft hij zich bij de ware kerk gevoegd. Die overgang naar dat kleine en verachte groepje heeft hem en zijn vrouw veel strijd gekost.
Het was eerst maar een heel kleine gemeente die in zijn huis samenkwam, slechts negen leden, van welke slechts drie konden lezen. Maar, aldus zijn getuigenis, de Heere heeft mij en Suze van stap tot stap geleid en ook door tekenen versterkt.
In een brief van hem aan De Clerq beschrijft hij wat de Afscheiding voor hem betekende:

    Een gang dáár waar geen weg schijnt te zijn. Het verlaten van de kerkgemeenschap van de Hervormden staat gelijk met het betreden van een pad, dat voor onze vleselijke ogen en voor ons natuurlijk verstand niet gebaand is, omdat men daardoor in de ware zin van het woord een woestijn binnentreedt, waarin de vuur- en wolkkolom de enige wegwijzer is.
    Ik ben er zeker van, dat gebrek aan zelfverloochening en vleselijke gerustheid in allerlei zaken de scheiding in de weg staat. Geloof mij, er ligt meer in de scheiding dan een afzondering van het genootschap. De daadwerkelijke gemeenschap met broeders eist verloochening van rust, wereldse gewoonten, geld en huiselijke genoegens. Het is een harde weg, waarop iedere scherpe steen en doornstruik ons op de proef stelt, of wij daarin wandelen om Christus’ wil. Niets liefelijks is daarin voor het vlees. Maar hoe hevig de strijd ook mag zijn, het is een heerlijke strijd. Ofschoon het dagelijks sterven hard valt, de toegeeflijkheid voor enige geliefkoosde zonden is op de duur nog harder voor de christen.

Het was een groot verlies voor de kerken toen hij op zo jeugdige leeftijd overleed. Voor hem was het louter winst. Hij had samen met zijn vrouw van te voren goed de kosten overrekend, voordat hij besloot Christus te volgen op het smalle pad van het zich voegen bij dat gesmade en vervolgde volk.

* In het NEDERLANDS DAGBLAD van 3 juni geeft Willem Bouwman naar aanleiding van het vertrek van ds. H.G. Gunnink van de synode van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt iets weer uit de geschiedenis van het weglopen van een synode. Hij noemt dan wat er gebeurde op de synode van Rotterdam-Delfshaven 1964, waar twaalf afgevaardigden de synode verlieten en op die van de afgescheiden kerken van 1849, waar twee afgevaardigden eveneens vertrokken, maar opmerkelijk niets over de gebeurtenis op de synode van 1843, die zulke ingrijpende gevolgen heeft gehad voor de kerken.