Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

1840: In de storm van de strijd de kerk bewaard

Jaargang: 
5
Datum: 
23 feb. 2011
Nummer: 
7
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
796
Rubriek: 

We gaan verder met de verhalen over het eerste begin van het kerkverband na de Afscheiding van 1834. Al heel spoedig na dat bevrijdende begin kwam de onderlinge strijd. De vorige keer zagen we dat die strijd zich al aankondigde toen op de synode van Utrecht ernstig verschil van mening openbaar werd met betrekking tot de kerkorde. In plaats van de gewone Dordtse Kerkorde werd een aangepaste kerkorde ingevoerd, waar het gezag van de meerdere vergaderingen en de bindende kracht van haar besluiten niet langer in voorkwamen.
Dat was een duidelijk signaal voor de komende strijd.
Dat oude verhaal over zondige eigenwilligheid moet ons ook nu weer waarschuwen tegen diezelfde hardnekkige zonde.
Maar mag ons ook troosten dat Christus Zijn kerk bewaarde.


Een particuliere bijeenkomst

De reformatie van de kerk ging bijzonder voorspoedig voort. Er was een onstuimige groei van de kerken. Zo kort na de Afscheiding waren er al tweehonderd plaatselijke kerken, die door tien predikanten verzorgd moesten worden. Onder hen waren er die een hele provincie voor hun rekening moesten nemen.
Er konden meteen classes gevormd worden en ook particuliere synodes. In het najaar van 1840 is dan ook de derde Generale Synode gehouden.
In maart van datzelfde jaar was er echter al een vergadering gehouden van 'opzieners'. Het verslag van die vergadering is opgenomen in de uitgave van de Acta van de synodes van de Afgescheiden kerken.
Het was een particuliere, dat is bijzondere, bijeenkomst. De broeders die die bijeenkomst bezochten waren niet afgevaardigd, maar ze kwamen daar op eigen initiatief. Het was dan ook geen kerkelijke vergadering, maar ze was bijeengeroepen door ds. Brummelkanmp. Het enige doel van deze samenkomst was om te proberen een conflict te beëindigen tussen twee kerkeraden, namelijk die van Utrecht waar H.P. Scholte predikant was en van Amsterdam waar S. van Velzen de voorganger was.

Het conflict

Scholte had veel invloed op de gemeente te Amsterdam. Hij preekte er vaak en gaf ook adviezen, toen die gemeente, na enkele beroepen te hebben uitgebracht, nog steeds vacant was. Hij had de gemeente in Amsterdam gesticht en was er een graag gehoorde prediker.
Maar wij weten dat hij een kerkelijke vrijbuiter was, die niets moest hebben van opgelegde regels door meerdere vergaderingen.
Zoals wij al eerder zagen vond hij een kerkorde eigenlijk overbodig, de Bijbel was volgens hem genoeg. En als men dan toch een synode wilde houden, dan waren haar besluiten niet meer dan adviezen, die je ook naast je kon neerleggen.
Dat die besluiten volgens artikel 31 van de kerkorde bindend zouden zijn, daar wilde hij niets van weten. Volgens hem had de meerdere vergadering geen enkel gezag over een kerkeraad.
We kunnen vandaag wel zeggen: er is niets nieuws onder de zon.
In feite was dat eigenwilligheid, die zeker bij hem ontaardde in heerszucht. Hij kon het niet laten zich met de gang van zaken in de gemeente te Amsterdam te bemoeien. Ook toen de gemeente zo gelukkig was dat ds. Van Velzen het op hem uitgebrachte beroep aannam.
Deze was een heel andere overtuiging toegedaan. Hij wilde zich houden aan het gewone, Schriftuurlijke kerkrecht, inclusief artikel 31.
Nu had Van Velzen in zijn kerkeraad enkele broeders, twee ouderlingen en twee diakenen, die meer luisterden naar Scholte dan naar hun eigen dominee en die het hem echt moeilijk maakten. J.A. Wormser was het brein van die groep.

Wormser

Wormser was deurwaarder in Amsterdam, goed bedreven in het opstellen van verklaringen en bezwaarschriften. In een geschrift, dat tegen Van Velzen was gericht, keerde hij zich fel tegen de Dordtse Kerkorde en sloot zich aan bij de verdediger van het independentisme John Owen, die beweerde dat meerdere vergaderingen ‘geloof, godsdienst en goede zeden verderven’.
Het ligt voor de hand dat die afkeer van de kerkorde bij Wormser gepaard ging met een gebrek aan kerkelijk besef.
Hij heeft een boek geschreven over de kinderdoop dat over het algemeen een goede naam heeft. Zo is bekend geworden zijn stelling: leer de natie haar doop verstaan en de natie zal zijn gered.
Hij schreef in dat boek dat er 'tussen al de christelijke gezindheden eenheid bestaat, tenminste in de doop'. Hij ging zelfs zo ver om daaruit de conclusie te trekken dat een kerk die de doop van andere kerkgemeenschappen erkent daarom nooit zichzelf als de enige ware kerk kan noemen. Met andere woorden, hij ging uit van een eenheid boven geloofsverdeeldheid. Later heeft hij samen met Brummelkamp zeer geijverd voor het stichten van een interkerkelijke inrichting voor de opleiding tot de dienst des Woords.
Uiteraard moest dat wel botsen met een dominee die steeds vasthield aan de belijdenis inzake de kerk en aan de Dordtse Kerkorde.
Toen hij en zijn aanhang niets konden uitrichten tegen de gereformeerde prediking en het onderwijs van Van Velzen
namen zij hun toevlucht tot laster. Zo verspreidden zij de laster dat Van Velzen een ‘heerser zou zijn, onoprecht, een sluwe draaijer en dat hij een dode orthodoxie preekt’, anders gezegd: dat de stem van de Goede Herder niet gehoord werd. Nee, dan Scholte! Dat is andere kost! Zoals die preekt!

Beschuldiging door Scholte

Op zondag 1 december 1839 is Scholte in Amsterdam en bezoekt hij de kerkdienst waar Van Velzen preekt. De tekst is Joh.14:16b: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.
Na afloop praat hij met Van Velzen, maar zegt niets over diens preken. Dat komt even later!
Er komt namelijk op 18 december een brief van de kerkeraad van
Utrecht, waarin onder meer de beschuldiging staat dat ds. Van Velzen. preekt ‘slechts een geraamte van leerstellige waarheden, zonder den levenden Christus, zonder den levendmakenden Geest, zonder het levendig geloof’. Ook nu weer de klacht dat de stem van de Goede Herder in de prediking niet werd gehoord.
Er worden geen bewijzen gegeven voor deze ernstige beschuldiging
als zou het evangelie van de vrije genade verduisterd worden.
Scholte overhandigt persoonlijk de brief aan de kerkeraad van Amsterdam in een kerkeraadsvergadering, waar Van Velzen niet aanwezig is wegens een bezoek aan gemeenten in Friesland.
Een week later houdt de kerkeraad een vergadering met de gemeente om over die beschuldiging te handelen. Van de 13 kerkeraadsleden zijn er vier die ook bezwaren hebben tegen de prediking van Van Velzen.
De kerkeraad besluit een brief te zenden naar de kerkeraad van Utrecht waarin hij de beschuldigingen van de hand wijst en ze voor laster verklaart. Zo lang deze raad ‘in twistgierigheid en lasteren voortgaat’, kan Amsterdam hem niet als een college van opzieners en dienstknechten van de HEERE erkennen. De zaak zal worden voorgelegd aan een nationale synode.
De brief wordt niet ondertekend door de vier eerder aangeduide ambtsdragers. Zij zijn namelijk van oordeel dat de beschuldigingen geen laster en leugen zijn. Op grond daarvan worden zij een week later geschorst.

Scheuring

Ondanks de belofte van de geschorste ambtsdragers dat zij zich aan hun schorsing zullen onderwerpen, vormen ze meteen een tegenkerkeraad, noemen zich weer met dezelfde naam ‘Christelijke Afgescheiden gemeente te Amsterdam’ en beleggen zij eigen kerkdiensten. Ze maken dat alles, inclusief hun beschuldigingen, publiek bekend in het tijdschrift DE REFORMATIE (een particulier tijdschrift van Scholte en Wormser).
En wie gaat dan voor in die afgescheiden groep? Ja, wie anders dan Scholte, die ook het Heilig Avondmaal bedient! En een maand later is er al, samen met vijf andere gemeenten, een voorlopig kerkverband gevormd!
Van de vier geschorste ambtsdragers onttrekt zich er een en wordt weer Hervormd, ook enkele leden van deze groep volgen hem en na enige jaren valt de groep Wormser uiteen.
Prof. C. Trimp, emeritus-hoogleraar in de predikkunde, heeft verscheidene nagelaten preken van Van Velzen nagezien en geeft als zijn welgefundeerde en goed geargumenteerde oordeel dat ze voluit pastoraal zijn en getuigen van veel vreugde in het werk van de HEERE.

De kerkeraad geeft een brochure uit onder de titel De schorsing van vier kerkeraadsleden – Een berigt van de ware toedracht, door ds. Van Velzen opgesteld.
Het slot van die brochure wil ik de lezers niet onthouden:

    Daarom, dierbare broeders! Die Den hemelschen Bruidegom JEZUS liefhebt, laat ons waken en bidden dat wij niet in verzoeking komen. Gods Woord is vast. Op grond van dat Woord zeggen wij het den Heere na: het zal worden ééne kuddde en één Herder. In dat Woord vinden wij hoe sommigen afgedwaald zijn maar terug gebragt werden. De Heere doet dit ook nu! In dat Woord zien wij hoe sommigen als huichelaars openbaar zijn geworden. En ook is het ons voorspeld dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk der hemelen; maar die volstandig zal blijven tot het einde toe zal zalig worden.

De aanklacht weerlegd

Zoals gezegd: de aanklacht tegen ds. Van Velzen en de kerkeraad van Amsterdam kwam aan de orde op de vergadering van opzieners die op 6 en 7 maart 1840 te Amsterdam werd gehouden.
Er waren acht predikanten aanwezig, inclusief Scholte en Van Velzen, verder 22 ouderlingen uit verschillende gemeenten, overal vandaan, ook de leden van de kerkeraad van Amsterdam en de geschorste ambtsdragers. De vergadering stond open voor de gemeente van Amsterdam en er waren veel leden van de gemeente aanwezig.
De verkiezing voor het moderamen had als resultaat dat ds. Brummelkamp voorzitter werd en ds. Van Raalte en ds. De Cock beiden scriba.
Dan komt de ernstige beschuldiging tegen Van Velzen inzake zijn prediking aan de orde zoals we die hierboven hebben meegedeeld.
Scholte beweert dat er geen stellige beschuldiging is gedaan, maar dat dit zijn kerkeraad te Utrecht ter ore was gekomen als een gerucht. Maar uit nader onderzoek blijkt dat het nota bene Scholte zelf was die dat gerucht had uitgestrooid.
Hij heeft deze zaken in DE REFORMATIE publiek gemaakt.
De vergadering berispt hem over het schandelijke van deze handelwijze om zijn beschuldiging te publiceren.
Op aandrang van de vele aanwezige kerkleden van Amsterdam heeft de vergadering Scholte aangemaand om de bewijzen voor zijn beschuldiging op te geven. Maar Scholte kan niets naar voren brengen, waarop de vergadering uitspreekt dat het laster is. Bovendien is het een miskenning van de ouderlingen van Amsterdam, die immers moeten toezien op de leer en de prediking van hun voorganger.
Verder werd er gesproken over het feit dat de vier geschorste ambtsdragers afzonderlijke kerkdiensten zijn gaan houden. Dat werd als trouwbreuk gezien omdat zij immers beloofd hadden om zich te zullen onderwerpen aan de schorsing.
De vergadering oordeelde dan ook dat dit alles ten ernstigste af te keuren is en niet anders kan worden beschouwd dan als scheuring van de gemeente of op zijn minst tot scheurmakerij leidende.
Tenslotte oordeelde de vergadering ‘dat de openbare bekendmaking dezer dingen, als zijnde een tentoonstelling van de broeders voor de wereld en als een beroep op de publieke opinie, schandelijk, bedroevend en den christen onwaardig is’. Aldus het officiële verslag.

De vergadering werd de volgende dag voortgezet. Scholte was afwezig; hij weigerde de dringende vermaning van de voorzitter op te volgen om in de vergadering te komen.
De broeders konden niet veel meer doen dan beide partijen op te wekken tot liefde, vrede, eendracht en geestelijke verdraagzaamheid.
Aan de voorzitter was door de vergadering opdracht gegeven het verslag uit te geven. Op zijn eigen naam geeft hij 'in de geest van de vergadering' zijn conclusies.
Daaruit blijkt dat Scholte op de schriftelijk tot hem gerichte vermaning om zijn schuld te bekennen niets heeft geantwoord. Maar hij gaat wel voort in het bevestigen van de door hemzelf aangerichte scheuring, met het verachtelijk maken en lasteren van de bediening van Van Velzen.
Dat betekent dat Scholte de oorzaak is van al deze ellende. Brummelkamp vermaant dan ook de verschillende gemeenten, in het bijzonder die te Utrecht, 'niet toe te laten dat Scholte de dienst van Herder en Leeraar in haar midden waarneme, totdat hij openlijk en met der daad schuld bekent, en van deze, de gemeente verwoestende, handel zal zijn teruggekeerd’.
Dat was een heel duidelijke en diep ingrijpende uitspraak. Maar het was dan ook een aangrijpende zaak: een van de eerste voorgangers en leiders van de afscheiding blijkt een scheurmaker te zijn die zich verhardt onder de vermaningen.

Deze geschiedenis moet ons een les zijn voor het heden. Eigenwilligheid leidt tot verbreking van de eenheid en tot smaad over de naam van de HEERE.
Maar tegelijk een grote troost, ook voor nu: de Heere Jezus Christus is toen in al die moeite, in die storm van strijd, voortgegaan Zijn gemeente te vergaderen. De braambos brandde – en werd toch niet verteerd!
Dat bleek in 1840 ook nog uit een brief die de vergadering bereikte. Die brief kwam van verontrusten in de Hervormde Kerk. Zij vroegen zich af of de afgescheidenen wel bleven bij Schrift en belijdenis, gezien de twisten onder hen. En verder dat zij bang waren niet veilig te zijn in het kerkverband van de Afgescheiden kerken. Daarop antwoordde Brummelkamp in de geest van de vergadering ‘dat het onze innige begeerte is om de schapen van den Heere Jezus te leiden op eene goede weide, het verlorene te zoeken, het weggedrevene weder te brengen, het gebrokene te verbinden en het kranke te sterken, maar ook het vette en sterke in ‘s Heeren kracht tegen te staan, gelijk zulks den Herder achter den Heere betaamt’.
Tenslotte moest nog het gerucht worden tegengesproken als zou die vergadering zeer onstuimig, vol ruzie en geschreeuw zijn geweest. Scholte had zelfs gezegd: wij zijn er nog levende afgekomen.
Met nadruk spreekt Brummelkamp dat gerucht tegen als een goddeloze aantijging, die geheel in strijd met de waarheid is.

Volgende keer D.V. over de synode van 1840.