Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

1840: De echte Reformatie – terug naar de Dordtse Kerkorde

Jaargang: 
5
Datum: 
25 mei. 2011
Nummer: 
20
Schrijver: 
P. van Gurp
ID:
875
Rubriek: 

Na een onderbreking van drie maanden gaan we nu verder met de verhalen over het eerste begin van het kerkverband na de Afscheiding van 1834. Kerkgeschiedenis is altijd heel leerzaam om te zien hoe door allerlei dwalingen en strijd heen Christus Zijn gemeente blijft vergaderen in de eenheid van het ware geloof.
Met name de geschiedenis van de kerken na de Afscheiding moet ons een les zijn voor het heden. Niet in een geest van: wat wij in de kerken meemaken vandaag is niets bijzonders, het was al vaker in het verleden precies zo. Ook toen, net als nu, leidde eigenwilligheid tot verbreking van de eenheid en tot smaad over de naam van de HEERE.
Maar we lezen het verhaal over vroeger om ons te waarschuwen en te troosten.


Het conflict

We zagen al dat op de generale synode van Utrecht 1837 en later op de vergadering van opzieners het niet mogelijk bleek het conflict binnen de kerken op te lossen.
Het conflict concentreerde zich op de persoon en de opvattingen van Scholte. Dat was niet alleen maar een persoonlijk conflict van Scholte tegenover Van Velzen, maar vooral een kerkelijk en met name een kerkrechtelijk conflict.
Op het eerste gezicht leek het alleen maar een zaak te zijn van het kerkrecht. Maar er zat toen al meer achter.
In eerste instantie ging het over de betekenis van de kerk. Er heerste een afkeer van de binding aan de kerkorde. Niet alleen bij Scholte, ook bij andere voorgangers. Heel duidelijk kwam dat uit in het voorbehoud met betrekking tot de kerkorde. De zogenaamde Utrechtse kerkorde van 1837 gaat uit van het beginsel dat geen enkele regel voor het kerkelijk leven bindend is, die niet duidelijk in Gods Woord is uitgedrukt.
Dat betekent bijvoorbeeld dat een regeling van de periodieke aftreding van ambtsdragers vrijblijvend is. Maar het kwam vooral ook uit in de opvatting dat kerkelijke vergaderingen geen gezag hebben. Geen enkele meerdere vergadering heeft gezag over mindere vergaderingen, laat staan over een kerkeraad.
Wij horen dezelfde klanken vandaag. Het staat letterlijk zo in de brochure van de Vijverhoeve. Maar ook binnen het zogenaamde voorlopige kerkverband worden die opvattingen gehuldigd: het zouden maar menselijke regeltjes zijn, waarvan je mag afwijken als je zelf van oordeel bent dat dat in het belang van de kerken is. Of wanneer het volgen van die regels je in gewetensnood brengt.
Dit is uiteindelijk niet maar alleen een zaak van het kerkrecht, maar van de leer. Heel duidelijk was dat bij Scholte. Hij week af van de gereformeerde leer niet alleen inzake de kerk, maar ook over de inhoud van de belijdenis en dat kwam ook uit in zijn prediking.
Scholte was van oorsprong Luthers. Ook hij, evenals Luther, achtte de kerkleer en het kerkbestuur van minder belang. Over de binding aan de belijdenis en de kerkorde oordeelde hij dat daarmee Gods Woord onderworpen werd aan kerkelijke banden.
Langzamerhand is zijn afwijking van de gereformeerde leer duidelijk aan het licht gekomen. Op de synode van Amsterdam 1840, maar vooral ook enkele jaren later.
Onder dit licht vervolgen we er nu het verhaal van de kerken na 1834.

De synode

De synode kwam bijeen van 17 november tot 5 december. Het was een gehavend kerkverband, dat hier vertegenwoordigd was: zes provincies waren aanwezig, viereneenhalve provincie lieten verstek gaan. De grote opgave was nu: werken aan meer eenheid op een verantwoorde basis.
De synode besloot dat zij de wettig bijeengeroepen vergadering was overeenkomstig het besluit van de voorgaande synode.
Er waren tien predikanten en dertien ouderlingen aanwezig.
Later kreeg ook ds. L.G. Ledeboer zitting. Hij was als particulier op de synode aanwezig. Hij had zich juist afgescheiden van de Nederlandse Hervormde kerk en werd door de synode meteen, zonder de regels daarvoor te volgen, als herder en leraar tot het kerkverband toegelaten en hoewel door geen kerkelijke instantie afgevaardigd toch als lid van de synode aanvaard. Later zou blijken dat de toelating lichtvaardig was van deze bijzondere predikant, die ten slotte eindigde buiten de kerk.

Terug naar de Dordtse Kerkorde

Het voornaamste punt op de agenda was de kwestie van de kerkorde. Vier van de zes vertegenwoordigde provincies vroegen om herinvoering van de Dordtse Kerkorde.
In de bespreking werd opgemerkt dat de Afscheiding een reformatie was, dat is een terugkeer tot de bronnen van de kerk: de drie Formulieren van Eenheid en de Dordtse Kerkorde. Dus niet alleen een terugkeer naar de gereformeerde leer, maar ook naar de 'dienst, tucht en regering van de Dordtse Kerkorde’.
Na de Utrechtse synode hadden hier en daar provinciale synodes hun eigen kerkordes opgesteld.
In de bespreking maakten drie leden bezwaar. Zij bleven pleiten tegen aanvaarding van de Dordtse Kerkorde. Dat zou volgens hen inhouden het invoeren van menselijke regels, terwijl toch de Heilige Schrift genoeg moet zijn.

De synode besloot met grote meerderheid om weer gewoon de Dordtse Kerkorde als regel voor het kerkrecht te aanvaarden.
Daarbij sprak zij nadrukkelijk met schaamte uit dat het aannemen van de Utrechtse kerkorde verkeerd was geweest en dat dat oorzaak was geworden van verdeeldheid en scheuring.
In een aparte verklaring sprak de synode nog uit dat allerlei eigengemaakte kerkordes daarmee vervallen zijn en terzijde gesteld worden. En dat alles is niet vrijblijvend: op ieder ligt de last om volgens die kerkorde te handelen als middel tegen heerschappijvoering en tot onderlinge liefde en eenheid. De predikanten moeten de kerkorde ondertekenen! De ouderlingen moeten beloven om zo de gemeente te regeren. Eventuele huishoudelijke reglementen (nodig om van de overheid vergunning te krijgen tot het houden van godsdienstoefeningen) moeten onderworpen zijn aan de kerkorde.

Verantwoording van tegenstemmers

In de Handelingen van de synode zijn enkele nota’s opgenomen van tegenstemmers, namelijk van de predikanten Brummelkamp en Van Raalte en de ouderling De Moen.
Daarin wordt al openbaar dat deze broeders hun eigen weg verder zullen gaan, wat binnen enkele jaren (in 1843) zou leiden tot de vorming van een eigen kerkverband, dat meer dan twintig jaar zich heeft gehandhaafd tot de synode van 1854.
Brummelkamp blijft de Utrechtse kerkorde verdedigen en blijft bezwaren houden tegen kerkelijke vergaderingen die gezag zouden hebben. Hoogstens kunnen gemeenschappelijke bijeenkomsten gehouden worden om met elkaar te overleggen.
Van Raalte gaat nog een stap verder. Zijn opvatting is dat het in strijd is met de Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 32 om in de kerken menselijke vonden en wetten in te voeren – die moeten worden verworpen. Het weer invoeren van de Dordtse Kerkorde is volgens hem niets minder dan goddelijk gezag verlenen aan menselijke geboden en de gewetens binden. Hij spreekt dan ook openlijk als zijn plan uit dat hij kerkelijke gemeenschap zal oefenen met gemeenten die deze kerkregering afwijzen.
Het verste gaat ouderling De Moen. Zonder bewijzen stelt hij dat er in de kerkorde sommige beginselen zijn die tegen de Heilige Schrift ingaan. En hij veroordeelt de broeders die voor de invoering van deze kerkorde hebben gestemd. Volgens hem zèggen ze wel dat ze zich alleen aan Gods Woord houden, maar ze maken regelingen die tegen Gods Woord ingaan.
Het is duidelijk dat dit moest uitlopen op een scheuring. In de jaren na 1840 is heel vaak op synodes geprobeerd om deze broeders tot andere gedachten te brengen het was tevergeefs.

Diversen

- de toelating van predikanten door middel van een examen werd nauwkeurig geregeld. Er was heel wat wildgroei ontstaan bij het toelaten van 'oefenaars' tot het ambt van dienaar des Woords;
- inzake de zondagsrust kwam de vraag op hoe kerkeraden moeten handelen met gemeenteleden die op zondag werken, bijvoorbeeld door het houden van veerschepen, het tol-garen, het verkopen van melk en dergelijke. In het antwoord van de synode wordt teruggegrepen op de oordelen van de synode van Dordrecht 1618 -1619, ‘met sterke afmaning van alle werken die niet tot de Godsdienst, noodzakelijkheid en liefdadigheid behoren’;
- de synode keurt het redactiebeleid van DE REFORMATIE, dat onder leiding van Scholte en Wormser stond, af: ‘het is daar een verschrikkelijke tuimelgeest’ (geest van oproer).
Met nadruk wordt gewaarschuwd: het is geen kerkelijk blad!
- de psalmberijming: ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is. Laat de mensen die perse de berijming van Datheen willen zingen maar rustig hun gang gaan – de melodie is toch dezelfde;
- pogingen tot contact met Scholte lopen op niets uit. Een commissie van de synode die met hem moet gaan spreken en hem moet opwekken zich te bekeren kan ook niets uitrichten, zodat hem aangezegd wordt dat hij geschorst zal worden.
Daartegenover willen Scholte en de zijnen niets weten van de besluiten van de synode.
Wormser verklaart dat een kerk ‘welvaren kan zonder zodanige algemene vergaderingen, welke in de volgende eeuwen gebleken is het schadelijkst element geweest te zijn om geloof, godsdienst en goede zeden te verderven’.
Wat Scholte betreft: zijn neiging tot het ‘interkerkelijke' werd al meer levendig en hij meende de eenheid van geloof te bewerken door de ruime verkondiging van Gods Woord en dat deze eenheid bestaan kan bij verschil van kerkorde;
- petitie aan Koning Willem II, die in datzelfde jaar koning was geworden. Het was een smeekbede om vrijheid van godsdienstoefening. Een commissie uit de synode heeft die petitie aan de koning overhandigd in een audiëntie met hem. Hij heeft vriendelijk met hen gesproken en geluisterd naar hun toelichting op de petitie. Zij legden er daarbij de nadruk op dat het gaat 'om het welzijn van geheel het Vaderland'.
Zij riepen de koning ook op zijn invloed aan te wenden tegen de voortgaande ontheiliging van de zondag (notabene al in 1840!) en voor de vrijheid van gereformeerd onderwijs.

De verdeeldheid bleef en na de synode kwam het in 1843 dan tot een openlijke breuk met de predikanten Brummelkamp en Van Raalte en hun achterban.

Ds.H.de Cock

Voor de vader van de afscheiding Hendrik de Cock was het de laatste synode, waarop hij veel werk heeft verzet, ook met betrekking tot de verdeeldheid. Hij overleed in 1842, slechts 41 jaar oud, acht jaar na de Afscheiding.
De laatste jaren van zijn leven heeft hij vooral besteed aan de opleiding tot de dienst des Woords. Hij heeft 30 studenten 'afgeleverd' en bij zijn dood had hij nog 35 studenten.
In 1841 openbaarde zich bij hem een borstkwaal, waarvan hij aanvankelijk wel weer beter werd, maar in september 1842 kreeg hij een bloedspuwing op de kansel! Het duurde toen niet lang meer voor zijn einde kwam.
Het verhaal gaat dat na zijn begrafenis zijn studenten zijn graf hebben bewaakt tegen mogelijke grafschennis, waarvoor ze vreesden als uiting van de haat van zijn tegenstanders. Zijn vrouw, die twee jaar jonger was, is in 1889 overleden en heeft hem 47 jaar overleefd! In de overlijdensadvertentie schreef zij:

    Het geloof op God, die door Het geloof in Zijnen Zoon zijn God en Vader geworden was, deed hem tot in de laatste oogenblikken zijn weg met ruimte bewandelen; mij nalatende 5 kinderen, waarvan 3 te jong zijn om hun verlies te beseffen.