Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

10 vragen en antwoorden over profeten

Jaargang: 
10
Datum: 
14 dec. 2016
Nummer: 
24
Schrijver: 
Annet de Ruig
ID:
1692


Profeten maken een belangrijk deel uit van het Oude Testament. Ik wil ingaan op wat algemene aspecten van de profeten. De bekende profeten treden pas vanaf de koningentijd op. Waren er profeten voor die tijd? Wat is hun taak? En is er ook een hiërarchie onder profeten? In dit artikel behandel ik 10 vragen en antwoorden over profeten.

1. Vanaf wanneer traden er profeten op?

De profeten traden vaker en meer op bij de komst van de koningen. Samuël trad op als profeet tegenover de allereerste koning van Israël: Saul. De opkomst van de profeten viel samen met het op de achtergrond raken van de priesterdienst.

De eerste koning, Saul, moordde het hele priestergeslacht uit toen hij dacht dat zij samenspanden met David. En slechts twee generaties later had koning Salomo genoeg gezag om Abjathar uit het priesterambt te zetten en hem uit zijn woonplaats te verdrijven (1 Kon. 2:26-27).

Deze tijd typeert zich door meer goddeloosheid. Dit vormt de aanleiding voor God om profeten te roepen in Zijn dienst.

Ook eerder traden er profeten op, want Abraham (Gen. 20:7), Mozes (Deut. 18:15, 34:10), Aaron (Ex. 7:1) en David (Hand. 2:30) worden in de Bijbel 'profeet' genoemd, omdat God door hen gedeelten van Zijn plan heeft bekendgemaakt.

2. Welke taak had een profeet?

Profeten ontvingen dus niet, zoals koningen, hun ambt door erfopvolging. Maar ze kregen een roeping van de Heere. Soms hadden de profeten een waarschuwende boodschap voor de koning en soms voor het volk. Altijd waren ze eropuit om het volk of de koning terug te brengen naar het verbond met God. Als het volk ontrouw was aan de geboden van de Here, afgoden achterna liep of zelfs overging tot kindermoord (als offers voor de afgoden) dan stuurde de Here een profeet om hen te laten weten hoe Hij erover dacht. Heel vaak waarschuwden ze de mensen wat God zou doen als zij hun levens niet zouden veranderen. Maar naast een onheilspellende boodschap was daar altijd ook Gods belofte. Namelijk als het volk zich bekeerde, dan zou de Heere Zijn zegen weer geven.

De profeten hadden verscheidende taken:

» Profeten moesten als het ware koningen 'nuchter' houden. Zodat de koningen met beide benen op de grond bleven staan en niet het idee kregen dat zij de alleenheersers waren. De HEERE heeft macht over de hele aarde en de koningen stonden ook onder Zijn bewind. Zij waren slechts dienaar.

» De verbondsrelatie met God herstellen, door op te roepen tot geloof en bekering.

» Zeggen hoe de HEERE het wil hebben. Het gaat Hem niet om uiterlijke godsdienst. Godsdienst moet echt zijn en vanuit het hart komen: 'Heeft de HEERE evenveel behagen in brandoffers en slachtoffers als in het gehoorzamen aan de stem van de HEERE? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerkzaam zijn beter dan het vet der rammen.' (1 Sam. 15:22).

3. Waren er alleen in Israël profeten?

Niet alleen in Israël kwamen profeten voor. Ook in omringende landen waren er profeten. Denk bijvoorbeeld aan de profeten van de Baäl, in de tijd dat Elia profe-teerde. Zij waren profeten van afgoden. Die profeten hadden een heel andere functie. De profeten van de afgoden probeerden de toekomst voor een koning te voorspellen door in een trance te raken. Daarvoor gebruikten ze soms letterlijk drugs. De profeten van Israël echter profeteerden Gods woord over de toekomst, doordat God hen dat openbaarde. En Israëls profeten verkondigden die openbaring van God altijd met het doel om het hart van het volk te zoeken. Daarom zie je ook dat de ware profeten bijna altijd zeiden: er zal onheil komen, als u zich niet bekeert. Ging het volk voort in de slechte wegen, dan kwam Gods oordeel. Bekeerden ze zich, dan zouden ze gered worden uit Gods oordeel.

4. Opereerde een profeet altijd alleen?

Bij Elia en Elisa lezen we van groepen profeten die in scholen bij elkaar leefden in gemeenschappen of in heiligdommen. Interessant is hoe deze profetenscholen ontstonden. Alle jongens in Israël kregen Torah-les. En moesten de Torah uit hun hoofd kennen. De beste leerlingen van het dorp werden leerlingen van een profeet en deze verdiepten zich in de Schriften. Zo kwamen er profetenscholen. Een profeet leefde dus niet altijd op zichzelf (bijvoorbeeld Elia en Elisa). Maar sommigen traden wel alleen op, zoals Jeremia en Jesaja.

5. Hoe vatten de profeten moed?

Er was moed voor nodig om in het openbaar te zeggen: 'Dit is wat God zegt', terwijl in die tijd de mensen een totaal andere weg gingen. Maar daar waren de profeten die God gebruikte wel toe bereid. Een bekend voorbeeld hiervan is Jesaja. Hij vond zichzelf onrein om de woorden van God te mogen spreken.

Jesaja 6:5:'Wee mij want ik verga! Ik ben immers een man met onreine lippen en woon te midden van een volk met onreine lippen. Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien'.

Een van de serafs vloog toen naar Jesaja toe met een gloeiende kool in zijn hand.

Jesaja 6:7: 'Zie deze heeft uw lippen aangeraakt. Zo is uw misdaad van u geweken en uw zonde verzoend. Daarna hoorde ik de stem van de HEERE. Hij zei: Wie zal ik zenden? Wie zal er voor ons gaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij.'

Kortom: als de HEERE jou roept voor een taak, geeft Hij ook de kracht en de moed hiervoor.

6. Waar profeteerden de profeten?

Profeten traden op in verschillende gebieden van Israël.

7. Op welke volgorde staan de profeten in de Bijbel?

De profeten staan niet op chronologische volgorde in de Bijbel. Zo treden Haggaï en Ezra op indezelfde tijd. Evenals Habakuk, Jeremia en Ezechiël. En Jesaja en Micha treden ook op in dezelfde tijd. In de Bijbel is er voor gekozen om de 'grote profeten' bijeen te nemen en de 'kleine profeten'. Hiermee wordt bedoeld: de uitgebreidere profetieën, zoals Jeremia en Jesaja, en de kortere, zoals Habakuk en Maleachi.

8. Wordt er onderscheid gemaakt in profeten?

Alle profeten brengen Gods Woord. Dus ze zijn allen even belangrijk. Wel spreken we over de 'grote profeten', zoals Jeremia en Jesaja, en over de ' kleine profeten', zoals Micha en Zefanja. Maar dat heeft de eenvoudige reden dat de Jeremia en Jesaja qua Bijbelboek langer zijn.

9. Wat betekent het woord profeet?

Ons woord 'profeet' komt van het Griekse woord prophèteuo. Dit betekent voorspellen of profeteren. In de Septuaginta (de Griekse vertaling van de Bijbel) wordt het woord profeet gebruikt voor het Hebreeuwse woord 'navi'. Dat betekent: 'wij zullen brengen'.

10. Zijn er nog steeds profeten?

Je zou kunnen zeggen dat Christus onze grootste en laatste profeet is. Christus heeft dit ambt vervuld. Omdat Hij de verbondsrelatie met God helemaal heeft hersteld. Hij heeft de Schriften uitgelegd en ons de toekomst voorzegd. Ook Hij gaat in tegen uiterlijke eredienst. Ons geloof in Hem moet echt zijn en kenmerkt zich als oprechte liefde en gehoorzaamheid tot Zijn dienst.

Hij heeft ons zelfs tot profeten gezalfd, door Zijn Geest (Zondag 12). Wij mogen de naam van de Heere voor het volk en de mensen uitdragen en belijden. Laten we de Bijbelse profeten tot voorbeeld nemen. Onze taak op ons nemen en moedig Gods wil verkondigen in deze wereld! In onze daden. En waar mogelijk ook met onze woorden.

Voor het beantwoorden van de vragen heb ik gebruik gemaakt van: De grote bijbelatlas, Barry J. Beitzel; De bijbel gaat open, Mary Batchelor; Chronologie van de Bijbelse geschiedenis,

HSV-kanttekeningen.