Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

“Om mijne sonden”

Jaargang: 
2
Datum: 
16 jan. 2008
Nummer: 
2
Schrijver: 
T.L. Bruinius
ID:
211
Rubriek: 

Zo’n vierhonderdvijftig jaar geleden overleed Jakob Reefsen. Tweeënzeventig jaar mocht hij worden. Hebt u ooit van hem gehoord? Misschien onder de naam waaronder hij beter bekend werd: Jacobus Revius. Jacobus Revius stierf in 1658. Dat is midden in de bekende Gouden Eeuw. Zoals veel deftige en gestudeerde mensen in die tijd “verlatijnste” hij zijn geboortenaam. Reefsen werd Revius. Hij wordt wel één van de grootste christelijke dichters in Nederland genoemd. Het is de moeite waard om eens aandacht te besteden aan deze dominee-dichter.

Dominee-dichter

Jakob werd geboren in Overijssel, in 1586. Hij groeide op in Holland, in Amsterdam, maar kwam later weer terug in zijn geboortestad, Deventer. Hij werd namelijk predikant. Gereformeerd predikant. Zevenentwintig jaar mocht hij het Woord bedienen in de stad Deventer. Van 1614 tot 1641. Daarna vervulde hij nog andere kerkelijke functies. Maar het was niet door zijn prediking dat ds. Revius bekend werd. Behalve predikant was hij ook dichter. Daarnaast hield hij zich ook bezig met de geschiedenis van land en kerk en gaf hij commentaar op politieke gebeurtenissen. (Een groot deel van zijn leven zijn de Nederlandse gewesten nog verwikkeld in de Tachtigjarige Oorlog.) Een breed ontwikkeld mens. Vooral als dichter is Revius bekend geworden. Met zijn dichtwerk heeft hij een plaats gekregen in de Nederlandse literatuur. Zijn bekendste werk heet “Over-ysselsche Sangen en Dichten”. Die gezangen en gedichten handelen niet over het gewest Overijssel maar ze zijn in die provincie door hem geschreven. In de tijd dat hij predikant was in Deventer.

Gereformeerd

We zeiden al, Revius was een gereformeerd predikant. Dat bleek ook uit zijn woorden en daden. In de strijd tussen remonstranten en contra-remonstranten koos hij de kant van de remonstranten. De kant van Gomarus en van de Dordtse Synode. De kant van trouw aan Gods Woord. Hij mocht ook meewerken aan de Statenvertaling. Maar dat hij een gereformeerd predikant was bleek ook uit zijn dichtwerk.
De Nederlanden golden in die tijd als een protestantse, calvinistische, ja als een gereformeerde natie. De gereformeerde leer en de gereformeerde kerk werden door de overheid beschermd en bevorderd. De tijd waarin Revius opgroeit is de tijd van de Tachtigjarige Oorlog, de oorlog bovenal voor vrijheid van geloof en geweten.
Maar ook al zijn de Nederlanden een gereformeerde natie, het betekent niet dat alle inwoners nu gereformeerd genoemd kunnen worden. De Grote Reformatie is in ons land een langdurig proces geweest. In het begin van de zeventiende eeuw is hooguit zo’n tien procent van onze voorouders ècht gereformeerd te noemen. Gereformeerd uit overtuiging. Gereformeerd in leer en leven. Daarnaast zijn er velen die maar meelopen omdat het voordelig is. Of veilig. Of omdat familieleden, vrienden of bekenden ook gereformeerd zijn. Een gereformeerde natie, ja, maar allemaal gereformeerde inwoners, gereformeerd in leer en leven? Nee, beslist niet. En dat betekent dat er voor de gereformeerde predikanten enorm veel werk te doen is. De mensen moeten echt leren wat het betekent dat je gelooft. Wat het betekent dat je van Christus bent. Wat dat inhoudt voor je dagelijks leven. Voor je denken, je spreken en je doen. Ze moeten leren dat geloven heel praktisch als gevolg heeft dat je breekt met het oude, zondige leven. Dat er sprake is van scherpe antithese. Dat je bereid bent om trouw naar de kerk te komen en te luisteren naar Gods Woord. Dat je graag wilt leren en dat je je graag door dat Woord laat troosten, onderwijzen en leiden. Dat je ook je gezin op christelijke wijze wilt leiden. En kinderen wilt opvoeden in de Here.
Ja, de doorwerking van de reformatie in het dagelijks leven is een grote zaak in de zeventiende eeuw. Het is een strijd.
De roomse kerk had daar nooit zo’n punt van gemaakt. Als je je kerkelijke plichten nakwam, dan zorgde de kerk er verder wel voor dat het goed kwam met je. Daar had je de geestelijken voor. In het dagelijks leven kon er heel veel op door. Werd het te gek dan was er altijd de biecht en de aflaat. Dat is rooms. Er was dan ook in het dagelijks leven veel goddeloosheid. Maar de reformatie leert anders. Kinderen van de Here hebben een eigen verantwoordelijkheid. Ze moeten zelf hun leven inrichten naar Gods Woord. Zo vraagt de Here het in zijn verbond. Predikanten en andere voorgangers prediken, onderwijzen, leven voor. Maar de gelovige mens heeft een zelfstandige plaats in het verbond. Hij moet zelf ja zeggen tegen zijn roeping. Hij moet zelf ernst maken met zijn levensheiliging. Het mag duidelijk zijn dat in die tijd, waarin de gereformeerde kerk in naam groot is, maar waarin aanvankelijk maar een klein aantal leden zich er van bewust is wat het betekent gereformeerd te zijn, de strijd om de doorwerking van de reformatie zwaar is.

Leren

Midden in die strijd om echte doorgaande reformatie staat Revius. Hij heeft de gave om te kunnen dichten. En hij gebruikt die gave ook. In dienst van zijn Here. Hij gebruikt zijn dichtkunst om de mensen te leren.
Hij is daarin niet uniek. We kennen in de zeventiende eeuw meer grote dichters die hun gaven gebruikten in dienst van de kerk. Die met hun dichtwerk hun volksgenoten en geloofsgenoten wilden leren over de betekenis van Gods Woord. U hebt vast wel gehoord van Jacob Cats. “Vader Cats”, van wie de liederen en gedichten vaak naast de Bijbel lagen in de huiskamers van veel gewone Nederlanders. Anderen in die tijd zijn Constantijn Huygens en Jodocus van Lodensteyn.
Met hun gedichten en liederen willen ze de gewone Nederlanders, de gewone kerkmensen, onderwijzen en bemoedigen.
Wij kennen dat niet meer zo. In onze tijd heeft poëzie meestal een heel andere bedoeling. Er zijn gelukkig nog altijd christelijke, ook gereformeerde dichters die weten dat ze met hun talenten de Here en ook hun naasten moeten dienen. Maar in onze maatschappij en in de populaire kunstwereld is de kunst, ook de dichtkunst, allang iets heel persoonlijks geworden. Heel individueel. Helemaal gericht op zelfexpressie van de autonome mens. In de zeventiende eeuw is daar nog geen sprake van. In die tijd is de kunst nog dienend. Gericht op de gemeenschap. Gebaseerd op Gods geboden.
En zo dient ook Revius zijn geloofsgenoten met tientallen liederen en gedichten waarin hij, naast historische onderwerpen, heel veel Bijbelse onderwerpen behandelt.
Veel van die gezangen zijn lang bekend gebleven in de kerken. En nog altijd is een aantal van zijn liederen deel van het bekende “Liedboek voor de kerken”.

Weelderig

Wij kennen die liederen van Revius en zijn tijdgenoten bijna niet meer. Ze zouden ons misschien ook niet meer zo aanspreken. Het Nederlands waarin ze geschreven zijn staat waarschijnlijk ver van ons af. In de kunstgeschiedenis noemen we de tijd van Revius de “Barok”. Het is een tijd waarin in schilderkunst, bouwkunst en schrijf- en dichtkunst gebruik gemaakt wordt van rijke kleuren. Mooie versieringen. Prachtige vormen. Gloedvolle woorden. Fraai gebouwde zinnen. Weelderig taalgebruik. Dat is ook te zien in het werk van Revius. Een kind van zijn tijd was hij. Hij schildert met woorden. En in zijn dichtregels komt ook sterk het gevoel naar voren. Ze roepen emoties op. Als je sommige gedichten op je laat inwerken zijn ze daardoor heel indringend.
Maar je moet er wel even voor gaan zitten. En toch, als je gewend bent aan de taal, dan zijn de gedichten van Revius eigenlijk ook heel eenvoudig. Dan hebben ze vaak een heel eenvoudige boodschap. Voor de gewone kerkmensen in de zeventiende eeuw heel goed te begrijpen.

Ick bent

Een bekend lied van Revius dat de eeuwen overleefd heeft is het onderstaande. Er zijn vast wel “oudere” lezers die het herkennen.
Hy Droegh Onse Smerten
T'en sijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,Noch die verradelijck u togen voort gericht,Noch die versmadelijck u spogen int gesicht,Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten,

T'en sijn de crijghs-luy niet die met haer felle vuystenDen rietstock hebben of den hamer opgelicht,Of het vervloecte hout op Golgotha gesticht,Of over uwen rock tsaem dobbelden en tuyschten:
Ick bent, ô Heer, ick bent die u dit hebt gedaen,Ick ben den swaren boom die u had overlaen,Ick ben de taeye streng daermee ghy ginct gebonden,
De nagel, en de speer, de geessel die u sloech,De bloet-bedropen croon die uwen schedel droech:Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden.

Om mijne sonden

We laten het maar gewoon staan in de oude zeventiende eeuwse spelling. Het is een goed voorbeeld van de dichtkunst van Revius. Een goed voorbeeld van het rijke, beeldende taalgebruik. Maar ook, en dat is belangrijker, een goed voorbeeld hoe de dichter het evangelie heel dicht bij de lezer brengt. Het gedicht is zo opgebouwd dat je al lezend onontkoombaar bij die ene conclusie komt: Want dit is al geschiet, eylaes! om mijne sonden. Dat is de boodschap. Daar gaat het om. We moeten niet naar anderen wijzen. We moeten niet de Joden de schuld geven van de kruisiging. Niet de soldaten. Hoe waar het ook is dat de Joden de Here Jezus aan het kruis lieten slaan, en hoe waar het ook is dat de soldaten hem sloegen en vernederden, het gaat er om dat Christus stierf aan het kruis voor de zonden van de zijnen! Voor ònze zonden. Voor mijn zonden! Ja,ik ben persóónlijk schuldig. Ja, Hij nam ook mijn schuld op zich. Zo persoonlijk is het Evangelie.
Misschien vinden we het prachtige zeventiende eeuwse taalgebruik nu wel wat overdreven. Misschien zal een gereformeerd theoloog bezwaren aanvoeren tegen de sterke nadruk op het gebruik van “ick”. En zeker, we moeten ook oppassen voor een piëtistisch, een teveel naar binnen gericht spreken over de kruisiging. Maar zie het lied dan in het raam van Revius’ tijd. Tegen de achtergrond van hardnekkig rooms zuurdeeg en enorm gebrek aan geloofskennis.

Dan zien we ook de betekenis van ds. Jacobus Revius. Dan zien we waarom het goed is eens naar hem te kijken. Los van het feit dat hij in de literatuurgeschiedenis een plekje heeft. Dan zien we een trouwe dienaar van het goddelijke Woord, die zijn gave om met taal te werken inzette voor het werk van de kerk. Die zijn talenten gebruikte voor de doorgaande reformatie in die bijzondere zeventiende eeuw. Dan zien we hoe de Here aan het werk was in de geschiedenis. In de bouw van zijn kerk en de komst van zijn Koninkrijk. Door zo´n eigenlijk heel gewone dominee met een bijzonder talent. In een heel gewoon klein land met een toch heel bijzondere geschiedenis.
Zo moeten we altijd kijken. Naar het werk van de Here. Hoe Hij, onze God, de hele geschiedenis door gewone mensen en gebeurtenissen gebruikt voor de voortgang van zijn werk: de volmaking van het getal van de uitverkorenen, de komst van de Jongste Dag, de herschepping van Hemel en aarde. Als we daar oog voor hebben, voor wat de Here eens deed in onze eigen historie, dan kunnen we ook beter zien hoe diezelfde onveranderlijke Here ook vandaag aan het werk is. Dat helpt om moed en vertrouwen te hebben. Dat helpt ons geloof te sterken. Christus stierf aan het kruis. `Om mijne sonden`! Ik mag deel hebben aan die volmaking van Gods verlossingswerk.