Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

“Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld” (Johannes 18 : 36)

Jaargang: 
2
Datum: 
15 okt. 2008
Nummer: 
36
Schrijver: 
Ad.J. Koekkoek
ID:
394
Rubriek: 


Sinds vorig jaar wordt aan de Vrije Universiteit één dag per week onderwijs gegeven over de vragen in verband met ‘de kerk in de context van de islam’. De hoogleraar die deze opdracht heeft gekregen, prof. B. Reitsma, sprak voor de zomervakantie zijn rede uit ter gelegenheid van de aanvaarding van zijn ambt. De titel was: De kerk in de context van de islam: macht of minderheid? Hij voegde er als ondertitel aan toe: "Over de betekenis van Joh.18:36 voor de houding van de kerk ten opzichte van de islam."
Een vorige keer (27 augustus) schreven we over het eerste deel van deze rede, en maakten we kennis met de reactie van een middeleeuws Christen, Pseudo- Methodius, op de opkomst van de islam. Van hem is een geschrift bekend uit ca. 690, in de vorm van een ‘Apocalyps’, een voorspelling van toekomstige gebeurtenissen. Uit dit geschrift spreekt het verlangen om de machtsontplooiing van de islam te beantwoorden met machtsmiddelen van christelijke zijde.
Reitsma zet tegenover het geschrift van ‘Methodius’ (en overeenkomstige opvattingen in onze tijd) de uitspraak van onze Here Jezus Christus, dat zijn Koninkrijk niet van deze wereld is, en dat daarom zijn knechten dan ook niet voor Hem gestreden hebben toen Hij gevangen werd genomen, Johannes 18:36. Na een uitvoerige bespreking van deze tekst trekt Reitsma uit het gezegde een aantal conclusies, onder andere met betrekking tot de mogelijkheid en wenselijkheid van christelijke politiek.
Vorige keer herinnerden we er al aan dat we in de geschiedenis de houding van ‘Methodius’ vaker tegenkomen. We zien dan dat ‘de kerk’ zich met behulp van ‘de sterke arm’ probeert te handhaven. In onze dagen vinden we dat terug in de claim van bepaalde politieke partijen, dat zij tegenover de islam willen opkomen voor ‘de joods-christelijke traditie’ die onze cultuur heeft gestempeld, en daartoe de regering willen oproepen.
Om onze houding als christenen in deze zaken te bepalen is het van belang te luisteren naar het betoog van Reitsma, en de conclusies waartoe hij komt te overwegen. Maar omdat de uitleg van de genoemde tekst uit het evangelie van Johannes in zijn betoog een centrale plaats inneemt, willen we eerst hier aandacht aan geven.

De evangelieschrijver en zijn lezers in hun wereld

Het lijkt er op het eerste gezicht op dat prof. Reitsma volgens de beproefde richtlijn te werk gaat dat we een tekst altijd in zijn verband moeten laten staan en lezen. In zijn opvatting betekent dat voor de uitleg van Johannes 18:36 het volgende.
Om te beginnen schrijft Johannes zijn evangelie met ‘een groeiende kloof tussen het Jodendom en de christelijke gemeente’ in gedachten. Ook kan het zijn dat ‘de spanningen tussen de kerk en het Romeinse rijk’ Johannes ertoe hebben aangezet zijn evangelie te schrijven.
Maar van welke kant je het ook benadert, het is volgens Reitsma duidelijk ‘dat de christelijke gemeente waarvoor het evangelie geschreven wordt een minderheid is te midden van een potentieel vijandige meerderheid.’ Vervolgens vindt Reitsma in het evangelie van Johannes nogal wat verwijzingen naar de verwachtingen die binnen het Jodendom in de eerste eeuw na Christus leefden ten aanzien van het komende Koninkrijk. Men verwachtte een ingrijpen van Gods kant in de geschiedenis van zijn volk, het begin van de lang verwachte heilstijd, die als een tweede uitleiding uit de ballingschap wordt ervaren. "God zal dan als Koning tot zijn volk komen, Israëls vijanden verslaan, zijn volk verlossen en zijn macht en heerschappij opnieuw vestigen. Hij is al Koning, de jure, (rechtens) maar hij zal zich nu ook de facto (feitelijk) als Koning manifesteren."(7) Bij deze gedachten sluit Johannes naar Reitsma’s mening aan wanneer hij over het Koninkrijk schrijft.
Wanneer de evangelist daarom Jezus typeert als de Koning van een Rijk dat niet van deze wereld is, vinden we hierin terug de verwachting die onder de Joden leefde van de Koning met wie de heilstijd aanbreekt, omdat van nu af aan God zelf weer de regering op zich neemt. "In het komen van Jezus in de wereld komt JHWH tot zijn volk, om als Koning over Israël te heersen." (10) Het rijk waarover Christus spreekt, is dus van een totaal andere orde dan de reguliere aardse koninkrijken. Het staat tegenover het Romeinse Rijk, dat door Pilatus wordt vertegenwoordigd, en waar Israëls leiders mee samenspannen (Joh.19:15). Het is een compleet nieuwe werkelijkheid, die niet tot stand komt door wapens of geweld, maar door lijden. Het is juist het lijden van ‘de eschatologische Koning’, dat de nieuwe heilstijd doet aanbreken. In hen die deze Jezus als Koning erkennen, wordt het Koninkrijk van Jezus zichtbaar. Zij delen echter ook in het lijden van hun meester, omdat zij net als Hij niet van deze wereld zijn; daarom haat de wereld hen.(17)

Door de Geest gedreven

Er zijn in dit gedeelte van Reitsma’s rede waardevolle opmerkingen te noteren. We denken aan de notie van de christelijke gemeente als minderheid temidden van een potentieel vijandige meerderheid. Of aan het feit dat het Koninkrijk verschijnt overal waar Jezus als Heer wordt erkend, en dat dit lijden meebrengt. Maar over het geheel genomen stelt zijn uitleg van de tekst uit Johannes 18 toch teleur.
Zo valt het op dat Reitsma uitsluitend aandacht schenkt aan het Evangelie van Johannes en wat deze evangelist over het Koninkrijk zegt. Dat plaatst hij in de context van Johannes’ tijd, en dat heeft natuurlijk zijn waarde. Maar wanneer we daarbij blijven staan, blijft een belangrijke, zeg maar essentiële regel voor het lezen van de Bijbel ongebruikt. Deze regel, dat in een woord uit de Schrift alle andere woorden van de Schrift meeklinken. Want achter al die uiteenlopende schrijvers was één Geest werkzaam, zoals wij belijden in Artikel 3 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis:

    Wij belijden dat dit Woord van God niet is voortgekomen uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege gesproken hebben, zoals de apostel Petrus zegt (2 Petr.1:21).

Wie daar geen oor voor heeft gekregen zal, met alle kennis over de schrijver en zijn lezers en de wereld waarin zij leefden, in zijn verklaring toch tekort schieten. Want nu verwijst Reitsma niet of nauwelijks naar de andere evangeliën, waar toch veel vaker en uitvoeriger dan bij Johannes het Koninkrijk van God ter sprake komt. We denken bijvoorbeeld aan de gelijkenissen van het Koninkrijk in Mattheüs 13 en 25 en in Lucas 12. Terwijl vervolgens deze Nieuwtestamentische boodschap, het Evangelie van het Koninkrijk, ten diepste onbegrijpelijk is voor wie het Oude Testament dicht laat. Het gaat immers niet maar om de verwachtingen ten aanzien van de eindtijd die in Jezus’ dagen onder de Joden leefden, en waarin de Oudtestamentische openbaring zeker een rol speelde. Het gaat erom dat wij als christenen in de eenentwintigste eeuw geloven dat in Christus de beloften, "die onder het oude testament van het begin af aan de vaderen gegeven zijn" (Avondmaalsformulier) zijn vervuld. En dat van dat geloof onze zaligheid afhangt.
Juist met het oog op de actuele situatie waarin wij leven, is het van het grootste belang dat wij goed zicht hebben op het Koninkrijk van God in het licht van heel de openbaring.

Het Koninkrijk Gods naar de Schriften

We schreven eerder over dit onderwerp in ons blad (jaargang 1, nr. 25) We wezen er toen op dat het van belang is, onderscheid te maken tussen Gods eeuwig koningschap en het geschapen aardse koninkrijk dat aan onze stamvader Adam werd toevertrouwd.
Bij Gods koningschap denken we aan het feit dat de Here God Koning is over alle dingen; dat Hij die macht ook metterdaad uitoefent; en dat het gevolg daarvan is: zegen of vloek. Bij koninkrijk denken we aan een bepaald gebied waarover dat koningschap wordt uitgeoefend.
Dat betekent concreet dat er geen plek voor ons denkbaar is, niet op aarde en niet in de hemel, die niet valt onder Gods zeggenschap.
Naast Gods Koninkrijk, dat is van eeuwigheid tot eeuwigheid, is er ook een geschapen koninkrijk van God.
Dat is het koninkrijk van de mens, waarover de eerste mens Adam in het paradijs de zeggenschap ontving. Dit is het door God aan de mens in het begin verleende onderkoningschap over de schepping. Hij is geroepen om namens God te regeren, te heersen (Genesis 1:26-28).
Dus ook hier is sprake van een Koninkrijk – of koningschap - van God, maar dan in de zin van: van God ontvangen, van Hem afkomstig. Wat dat inhield, belijden we in Zondag 3 van de Heidelbergse Catechismus: "God heeft de mens goed en naar zijn evenbeeld geschapen, dat
is in ware rechtvaardigheid en heiligheid." En wat de bedoeling daarvan was, is ook duidelijk: "opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen." Maar dit aan de mens verleende koningschap is ook mèt de mens Adam verloren gegaan door de zondeval. Daarna was het Koninkrijk dat God schonk, niet meer op aarde. De mens heeft het niet aangekund. Het koningschap is de mens daarom ontnomen. Er komt een soort tussentijd, van Adam tot Christus, waarin de Here God zelf het gezag uitoefent over de aarde. Hij openbaart dit speciaal in zijn Koningschap over Israël, het uitverkoren volk waaronder Hij persoonlijk wonen wil. Maar al vanaf het paradijs werkt de Here God toe naar het herstel van het geschapen Koninkrijk van de mens door Jezus Christus, de Zoon van de mens. Deze doet wat Adam naliet: in volkomen gehoorzaamheid de weg gaan die voor Hem was uitgestippeld. Hij is niet bezweken voor de verzoeking, in welke vorm die ook tot Hem kwam. Dit was het Koninkrijk dat Jezus verkondigde, het Koninkrijk der hemelen.
Dit is dus, net als het Koninkrijk van de eerste mens, een koninkrijk dat op deze wereld thuis hoort. Het is een geschapen koninkrijk. "Der hemelen" benadrukt dat het geen koninkrijk is naar de aardse gewoonte na de zondeval, gebaseerd op vleselijke macht. In deze zin mogen we het ook opvatten wanneer Jezus tegenover Pilatus getuigt dat zijn Koninkrijk "niet van deze wereld" is. Deze beschrijving van het Koninkrijk Gods is gebaseerd op wat er onder ons eerder over werd geschreven, onder anderen door prof. S. Greydanus en ds. L.A.F. Godschalk. Naar onze mening komt hierin de rijkdom van de Schriftuurlijke openbaring goed tot haar recht. Het spreken van de Schrift over het Koninkrijk Gods wordt geplaatst in het geheel van de heilsgeschiedenis.

Een fundamenteel tekort

Tegen deze achtergrond moeten we echter bij prof. Reitsma enkele tekorten constateren. Om te beginnen ontbreekt bij hem het waardevolle onderscheid tussen het eeuwig koningschap van God en het geschapen koninkrijk dat Hij aan de mens heeft toevertrouwd. Dat blijkt op verschillende plaatsen. Zo schrijft hij dat God Zich in de openbaring van Jezus Christus pas de facto, feitelijk, als Koning manifesteert:
God komt als Koning tot zijn volk; "Hij is al Koning, de jure, maar Hij zal zich nu ook de facto als Koning manifesteren." (7, 10, 11)
Dit is natuurlijk niet vol te houden. God heeft zich wel degelijk metterdaad als Koning van zijn volk Israël gemanifesteerd. Het hele Oude Testament spreekt daarvan. We hoeven alleen maar te denken aan de vele Psalmen waarin de lof van God als Koning wordt gezongen. Ook heeft Hij als de HERE, de God van Israël, door zijn daden zijn Naam grootgemaakt. Maar zo wordt ook de opmerking begrijpelijk dat als Johannes spreekt over ‘het Koninkrijk van Christus’ dat, gezien de nauwe band tussen Jezus en God, niet anders kan zijn dan het koningschap van God zelf. (8, 11) Voor Reitsma is dat de enige mogelijkheid. Ook over het herstel dat Jezus’ optreden brengt, moet Reitsma dan wel in vage aanduidingen blijven steken. Het is moeilijk te vatten wat hij bedoelt, wanneer hij schrijft dat de heerschappij van Christus als ‘de eschatologische Koning’ over de wereld, de wereld weer terugbrengt tot haar wezen als door God geschapen. Wij menen dat de wereld ‘haar wezen als door God geschapen’ nooit is kwijtgeraakt. Maar dat Hij haar, na de schepping, nog steeds "door zijn eeuwige raad en voorzienigheid in stand houdt en regeert ...", zoals wij dat belijden in onder meer Zondag 9 van de Heidelbergse Catechismus. Hij heeft immers deze wereld lief, zelfs zozeer dat Hij zijn eniggeboren Zoon gaf om ons, en daarin de wereld, met zichzelf te verzoenen, Joh.3:16.
En daarmee komen we bij de kern van de tekorten die we bij prof. Reitsma moeten constateren: de verzoening die Christus bracht voor een wereld, verloren in schuld, blijft bij hem ongenoemd.
Dat blijkt tenslotte ook uit wat hij zegt over de verhouding tussen de kerk – de gemeente – en het Koninkrijk van God. Daarbij vergeten we niet de waardevolle aanduidingen die bij hem te vinden zijn. Terecht wijst hij erop dat de aard van ‘het Koninkrijk van Jezus’ gestalte krijgt in hen die bij Hem horen. Zij zijn het die luisteren naar zijn stem. Zij zijn de ranken in de wijnstok die vrucht dragen zolang zij in hem blijven.
Toch valt ons weer de onvolledigheid en onduidelijkheid op als we lezen: "Het Koninkrijk valt niet samen met de gemeente van Christus, maar de gemeente maakt wel deel uit van het Koninkrijk." Wij menen dat het wat anders ligt. De taak van de kerk in deze wereld is de verkondiging van de boodschap van verzoening. Het geloof wordt gewekt waar deze boodschap wordt verkondigd; het woord van de verzoening door Christus Jezus. De kerk staat daarmee in dienst van het Koninkrijk, omdat zij door de prediking de kinderen van het Koninkrijk verwekt. Zij is van het Koninkrijk de thuisbasis. We moeten dus een fundamenteel gebrek in Reitsma’s beschouwing constateren. In feite missen we bij hem in zijn spreken over het Koninkrijk van God de diepgang waarbij de verlossing en de verzoening door Christus’ bloed als centraal gegeven ter sprake komen. Een volgende keer hopen we iets te zeggen over de consequenties die Reitsma aan zijn beschouwingen verbindt.