Sorry, u moet JavaScript inschakelen om de website te mogen bezoeken.
-A A +A

“Geen aardse macht begeren wij ...”

Jaargang: 
2
Datum: 
19 nov. 2008
Nummer: 
41
Schrijver: 
Ad.J. Koekkoek
ID:
417
Rubriek: 


Een aantal weken geleden was het Hervormingsdag. Bij die gelegenheid is ongetwijfeld weer het Lutherlied, ons gezang 34, vele malen aangeheven. De versie die vroeger in ons kerkboek stond, bevatte de regel die we als titel hierboven plaatsten. En ook: “Delf vrouw en kind’ren ’t graf, neem goed en bloed ons af ...” Maar hoe ook geformuleerd, de vraag mag worden gesteld hoe dicht bij ons deze dingen staan. Menen we het, als we bijvoorbeeld zingen dat we geen aardse macht begeren?
Dit is het soort vragen dat prof. B. Reitsma aan de orde stelde in zijn inaugurele rede, eerder dit jaar. Het afzien van aardse macht en de bereidheid tot lijden komen daarin nadrukkelijk aan de orde. Hij sprak toen over De kerk in de context van de islam: macht of minderheid? In dit derde en laatste artikel naar aanleiding van zijn rede willen we iets zeggen over de conclusies waartoe hij is gekomen.
Reitsma heeft naar deze conclusies toegewerkt via een bespreking van de Apocalyps van Pseudo-Methodius uit de zevende eeuw en van een tekst uit het Evangelie naar Johannes. Hierbij weegt dit Schriftwoord, Johannes 18:36, voor hem het zwaarst. Maar een vorige keer kwamen we al tot de slotsom dat Reitsma jammer genoeg bij zijn uitleg van deze tekst de rijkdom van Gods Openbaring niet laat meeklinken. Met als gevolg dat hij Gods eeuwig koningschap en het aardse, geschapen koninkrijk van God dat Christus kwam herstellen, met elkaar vereenzelvigt. Het kan niet anders of dat werkt door in de conclusies waarmee hij zijn rede afsloot.
Dat blijkt al meteen als we lezen dat Reitsma’s voornaamste conclusie is gebaseerd op het uitgangspunt “dat de heerschappij van God over de wereld niet verbonden kan worden met geweld”. Hier wreekt zich de smalle basis van zijn exegese. Want wie zijn Bijbel kent, weet immers dat de heerschappij van God over de wereld wel degelijk verbonden is met geweld. Terwijl anderzijds de gelovigen, die deel hebben gekregen aan het koninkrijk van God dat Jezus kwam verkondigen, juist geen geweld mogen gebruiken. Deze twee strijden niet met elkaar. Wanneer we ze maar op hun eigen plaats laten staan.

De HEER alleen regeert

De heerschappij van God over deze wereld is verbonden met geweld. Maar voor een goed begrip is het dan wel nodig, “geweld” van zijn negatieve bijklank te ontdoen. Geweld is uitoefening van macht of kracht, en dat kan op heel zinvolle wijze gebeuren. Het is in één of andere vorm nodig om gezag te kunnen handhaven. Daarmee ontkennen we niet dat misbruik van macht in de menselijke natuur ligt, en op alle niveaus voorkomt. Denk aan het zogeheten ‘zinloos geweld’ op straat. Maar geweld als uitoefening van macht - geen misbruik van macht - is een volkomen legitieme zaak.
Kijk maar eens naar het Oude Testament. Op bijna elke bladzij wordt gesproken over Gods heerschappij over de wereld. Hierbij maakt Hij gebruik van natuurgeweld, maar ook van het geweld van aardse machten, bijvoorbeeld om zijn volk te tuchtigen. Zijn toorn, zijn Verbondswraak, zijn ondenkbaar zonder geweld. Maar we kunnen ook denken aan zijn bestraffing van de volken die zich misgaan tegenover het volk van zijn verkiezing. Hun misbruik van geweld wordt door de Here afgestraft ... door middel van geweld.
In het Nieuwe Testament is het al niet anders. Ook nu in deze bedeling alle macht aan Christus is, is er geen geweld in de wereld waaraan Hij geen grenzen stelt en dat niet past in zijn bestuur. Lees het boek Openbaring er maar op na. Het geweld van de wereldmachten vormt het kader waarbinnen het geschapen Koninkrijk van God – o wonder! – tot ontplooiing komt. En wij worden opgeroepen om deze machten als instrumenten van Gods wereldregering te eren.
In Lukas 2 vinden we daar een voorbeeld van. Daar wordt uitvoerig het machtige netwerk van de Romeinse wereldmacht beschreven waarbinnen de geboorte plaats vindt van de Koning der koningen en de Heer der heren. Tegelijk: Jozef en Maria erkennen de machten die over hen gesteld zijn en geven gehoor aan het bevel van keizer Augustus. Denk ook aan Romeinen 13, waar we lezen dat de overheden in Gods dienst staan, en dat zij het zwaard dragen om de goeden te beschermen en de bozen te straffen. Zij maken terecht aanspraak op onze gehoorzaamheid, om Gods wil.
We willen dit ook illustreren aan een voorbeeld uit de kerkgeschiedenis. We sluiten hiermee aan bij wat Reitsma in één van zijn conclusies naar voren brengt onder het kopje “Kritisch ten aanzien van een kruistocht mentaliteit.”
Hier wijst hij erop dat de islam in Europa nog al eens tegenover een christendom kwam te staan dat met wapens heeft geprobeerd zijn bestaan te garanderen of ook te versterken. Waar mogelijk heeft de kerk ook geprobeerd haar machtsgebied uit te breiden. “De vraag is of de kerk er daardoor nog in geslaagd is het Evangelie naar moslims te communiceren als het Evangelie van het Koninkrijk dat niet van deze wereld is.” Reitsma werkt dit vrij ver uit, ook wat betreft de consequenties die het heeft wanneer we de kruistochtmentaliteit loslaten.
Nu is het zeker zo dat Gods koningschap ook hierin uitkomt, dat Hij één en andermaal de aardse machten heeft ingeschakeld om de doortocht van de islam naar West-Europa te verhinderen. Het zijn historische feiten waar wij nog steeds dankbaar voor zijn, en God de eer geven. In verband met deze aardse machten gebruikt Reitsma echter bewoordingen als ‘het christendom’ en ‘de kerk’. En dat gebeurt wel vaker. Maar wij zouden die woorden toch liever niet zo gemakkelijk gebruiken. Want de aardse machten die de islam tegenhielden, heetten wel christelijk, maar gedroegen zich helemaal niet zo christelijk. Het waren dezelfde machten die probeerden de heidense Germanen met het zwaard te bekeren, het was dezelfde kerk die in latere eeuwen Gods trouwe kinderen vervolgde. Deze aardse machten mochten alleen indirect eraan bijdragen dat het rijk van de antichrist werd neergeslagen en het koninkrijk van Jezus Christus werd bevorderd (Art. 36 NGB, oude redactie). Het koninkrijk van God zoals dat door de Woordgetrouwe kerk werd verkondigd, volgde intussen heel andere wegen.

Het geweld van de Geest beleden

Bij het koninkrijk van God of het koninkrijk der hemelen zoals dit door Jezus en de apostelen werd verkondigd, denken we aan het herstel van het beeld van God in de mens zoals Hij het had bedoeld. Dat betekent dat er weer mensen komen die aan Gods bedoeling beginnen te beantwoorden. Maar dan hebben we het niet over Gods eeuwig koningschap zoals dat nu wordt uitgeoefend door de Zoon, maar over het koningschap dat de mens is toebedeeld.
Wat houdt dat in? Wij houden ons aan onze belijdenis, die in Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus de Schrift naspreekt en ons promoveert tot profeten, priesters, en koningen, gezalfd door de Heilige Geest. Deze Bijbelse begrippen vinden we met wat goede wil ook in Reitsma’s conclusies wel hier en daar terug. We willen er iets over zeggen in de volgorde zoals ze bij hem naar voren komen.
Reitsma formuleert het priesterlijk aspect zo: “De macht van de gemeente van Christus is de macht van de liefde, de macht die anderen geen kwaad kan doen, maar zich vooral manifesteert als dienstbaarheid om anderen in vrijheid te stellen. Het gaat om macht zonder zwaard.” (19-20) In deze formulering horen we de klanken van de bevrijdingstheologie terug: “aards gericht, op deze wereld en haar werkelijkheid toegespitst” (Francke).
De Catechismus spreekt in dit verband primair over de dienst aan God, en dat is ook in overeenstemming met de Schrift. De liefde tot Hem wordt ons immers bevolen in het eerste en grote gebod? Pas in de tweede plaats, zij het op gelijke hoogte, komt het gebod de naaste lief te hebben als onszelf. En inderdaad, de liefde doet de naaste geen kwaad. Maar anderzijds, de beste dienst die wij de naaste kunnen bewijzen is, hem in kennis te stellen van de boodschap van bevrijding van de zondeschuld in Christus Jezus onze Here. In het besef dat onze pogingen in het horizontale vlak tot bevrijding van wie ook en waar dan ook, alleen maar lapwerk zijn.

Het geweld van de overheid erkend

In een volgende conclusie zet Reitsma “vraagtekens bij Christelijke politiek”. We zouden kunnen zeggen dat hij hier het koninklijk ambt van de christen aan de orde stelt.
Hiermee raakt hij aan de actuele politieke situatie, met een regering die wordt gesteund door twee partijen die door velen met ‘het christendom’ en ‘de kerk’ worden vereenzelvigd. Terwijl een derde ‘christelijke partij’, de SGP, openlijk worstelt met de strekking van het ‘onverkorte’ Artikel 36 uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
Reitsma merkt in dit verband terecht op dat, wanneer vanuit christelijke principes een bepaalde politieke en maatschappelijke koers wordt uitgezet, daar de bereidheid bij hoort, die koers te verdedigen, desnoods met geweld. Hij voegt er aan toe: “Wanneer echter het rijk van Christus vóór alles gekenmerkt wordt door de afwezigheid van geweld, dan is ‘christelijke’ politiek een contradictio in terminis”, dan ligt in die woorden een tegenstelling opgesloten. “Die spanning moet onvermijdelijk leiden tot een relativering van politiek en macht. Als een christen al politiek actief is, hetzij in een politieke partij, hetzij door gebruik te maken van het stemrecht, dan is dat met terughoudendheid. Het is iets, dat met de voorlopigheid van het bestaan te maken heeft. Als het dan al mogelijk is, dan is het voor mij zeer de vraag of dat in een ‘christelijke’ politieke partij kan.” (21)
Nu geldt voor de christen inderdaad dat hij alle geweld moet schuwen, voor zover het zijn persoonlijke belangen betreft. In de Catechismus gaat het bij het koninklijk ambt erom dat wij in dit leven in Gods kracht strijden tegen de duivel en de zonde. Onze wapens daarbij zijn niet van staal. Die zouden geen nut hebben. Zij zijn geestelijk van aard: het zwaard van de Geest. Wij mogen er naar uitzien dat wij na dit leven in eeuwigheid met Christus over alle schepselen mogen regeren.
Terecht wijst Reitsma daarom op het kwaad dat het christelijk geloof wordt vereenzelvigd met de aardse machten, ook al vormen zij het beschermende schild waaronder de kerk tot bloei is gekomen. Het christelijk geloof kan en mag zich niet vereenzelvigen met het streven naar aardse heerschappij op westerse wijze. Het neemt er afstand van wanneer ‘christelijke’ landen in de wereld met geweld de ‘democratie’ willen opleggen.
Aan de andere kant menen wij dat Reitsma hier niet ontkomt aan een doperse houding tegenover de overheid. Te weinig komt bij hem naar voren dat de christen het geweld, de machtsuitoefening van de overheid, moet respecteren wanneer het wordt toegepast door de wettige overheden. De Schrift roept daar telkens toe op, Rom.13, Titus 2, 1 Petrus 2. Daarom kan hij ook vrijmoedig de overheid dienen bij de politie of in het leger, en dan ook als overheidspersoon zelf geweld gebruiken.

De kleine kudde

Toch ziet Reitsma nog wel degelijk een taak in de samenleving voor “de gemeente van Christus”. Dat komt bij hem aan de orde in een conclusie onder het kopje “de profetische gemeente”, en we kunnen zeggen dat hier het profetisch ambt van de christen aan de orde komt. Hier schrijft hij onder meer: “Dat het Evangelie geweldloos is, betekent nog niet dat het a-politiek is. (...) De wijze waarop dit gestalte krijgt, is echter niet de weg van de christelijke politiek of aardse macht, maar van het profetisch getuigenis.” We laten nu maar rusten hoe dit verder wordt uitgewerkt. De geest van de moderne theologie is nooit ver weg. We laten liever meteen de catechismus aan het woord, die het profetisch ambt kortweg typeert als de bereidheid Gods naam te belijden. En dit profetisch getuigenis moet worden gehoord overal waar zich de gelovige manifesteert. Daarom kan de Woordgetrouwe kerk via haar leden nog wel degelijk een invloed ten goede uitoefenen in de samenleving, zonder zich met de ‘machthebbers’ te identificeren. Juist het afzien van aardse macht en belangen maakt ruimte voor het profetisch getuigenis, zoals Reitsma terecht opmerkt. De geschiedenis van het Gereformeerd Politiek Verbond kan laten zien hoe de betrokkenheid bij macht en invloed door het grote(re) getal de kracht van het getuigenis afzwakt en op de duur tot vrijwel nul reduceert. Maar de Woordgetrouwen zullen altijd bereid moeten zijn de mogelijkheid aan te grijpen zich op de diverse overheidsniveaus door betrouwbare mensen te laten vertegenwoordigen en van zijn stemrecht gebruik te maken, of in politieke verenigingen bij het licht van de Schrift met elkaar door te spreken over actuele maatschappelijke en politieke vragen.
Reitsma’s leeropdracht is: De kerk in de context van de islam. Terwijl we naar hem luisterden, kwam steeds meer de kerk in de context van de huidige samenleving binnen ons gezichtsveld. En we realiseren ons meer dan ooit, hoe klein het getal is geworden van hen die vast willen houden aan het heldere getuigenis van Gods Woord en wat wij op grond daarvan leerden belijden. Is daarom een ‘minderheidstheologie’ nodig, zoals Reitsma in één van zijn conclusies stelt? Wij denken van niet. Hoe vaak spreekt de Schrift niet over de rest, het overblijfsel, de getuigende profeten die neergeslagen worden. Laat ons dat genoeg zijn en ons bijlichten op onze weg in de samenleving van vandaag. “Wees niet bevreesd, gij klein kuddeke! Want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven.” (Lucas 12:32)