Mogen we twijfelen? (4)


    Jak. 1: 2-4, 12-15:
    2  Houdt het voor enkel vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt,
    3  want gij weet, dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt.
    4  Maar die volharding moet volkomen doorwerken, zodat gij volkomen en onberispelijk zijt en in niets te kort schiet.
    12  Zalig is de man, die in verzoeking volhardt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben.
    13 Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking.
    14 Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte.
    15 Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort.


Volharding uitwerken


Beproevingen van de kant van de Here hebben een heerlijk doel voor de gelovigen: het uitbannen van de twijfel om zo te volharden in het geloof.
Daarom zullen we zelfs blij mogen zijn met beproevingen in ons leven. Die brengen ons immers dichter bij de Here. Die doen ons immers vluchten naar Hem die eeuwig trouw is. Die beproevingen zullen ons steeds meer doen leven in afhankelijkheid van de Here. Ze doen ons de vastheid van Gods beloften zien. Ze leren ons tegelijk steeds meer af te zien van onszelf. En ook om ons vertrouwen niet op mensen te stellen. Maar juist alleen op de Here. Hij alleen kan ons redden en doen standhouden.
Zo doet de Here ons door beproevingen heen stand te houden in het geloof. Waardoor we steeds minder twijfelen aan Zijn liefde en trouw. Ook leren we zo steeds meer verstaan dat het de Here Zelf is die ons Zijn kracht en genade wil geven om in die beproevingen te kunnen volharden tot het einde toe. Ja, tot onze dood toe, of tot het moment dat onze Here Jezus terugkomt op de wolken.
Zo wil de Here door beproefdheid onze volharding uitwerken (vers 3, 4). Zo bereikt Hij wat Hij wil zien: kinderen die ondanks hun zonden en tekortkomingen tot hun eindbestemming komen. Ze mogen met Zijn hulp en in Zijn kracht tonen dat zij werkelijk christen zijn in hun daden, zoals vers 4 aangeeft. Zij mogen zo in alle onderdelen, waar al die beproevingen op gericht zijn, de proef doorstaan. En hun denken, willen en handelen steeds meer aan de Here te onderwerpen. Ze mogen door Gods Geest geleid, een levend geloof tonen en Hem werkelijk liefhebben.

Volkomen doorwerken


Aan dát doel werkt de Here ook in ons leven als gelovigen. In Christus, door Zijn zoenoffer, mogen wij daarbij ondanks alle zonden die nog in ons zijn overgebleven, "onberispelijk" heten (vers 4). Want Christus heeft ook in onze plaats alle verzoekingen weerstaan. Zijn volmaakte gehoorzaamheid wordt ons door het geloof toegerekend.
En als we door deze ons geschonken genade die eindbestemming bereiken, dan wil God ons het eeuwige onverwelkelijk leven geven. Het leven in Zijn gemeenschap in volkomenheid, heerlijkheid en eeuwigheid. Dan mogen allen die gehoorzaam het Lam hebben gevolgd, als koningen heersen over de schepping. Volledig hersteld als beeld van God.
Vers 12: "Zalig is de man, die in verzoeking volhardt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen." We krijgen dan dus de kroon van het eeuwige leven. Een overwinningskroon of krans die Christus voor ons heeft verworven Naar dat moment heeft God ons dan Zelf geleid: Hij verkoos ons in Christus van voor de grondlegging van de wereld, naar Zijn raadsbesluit bracht Hij ons voort (vers 18). Hij nam ons in Christus tot Zijn kinderen aan. Hij schonk ons het geloof uit genade en door Zijn Geest. En nu geeft Hij ons op ons gebed steeds Zijn Geest om stand te kunnen houden. En krijgen wij door Christus’ voorspraak voortdurend de vrijmoedigheid om alles van God de Vader te vragen, wat we nodig hebben om het einddoel in ons leven te bereiken.

De kroon des levens, die Hij beloofd heeft

Wat Jacobus schrijft is niet een beschrijving van Gods weg in onze levens zonder meer, het is vooral een indringende aansporing aan ons adres. Een en al bemoediging en vermaning. Maar wel vol vertroosting: de Here belooft ons het eeuwige leven. Hij belooft ons wijsheid van boven, Zijn bijstand. Wat de Here van ons vraagt en in ons wil werken, is een actief en levend geloofsleven in afhankelijkheid van Hem. In volstrekte gehoorzaamheid aan Hem.
Hij wil dat alles wat wij op onze levensweg van Zijn kant ontmoeten ter beproeving, nu ook volkomen in ons moet doorwerken: We moeten ermee naar Hem toe!

Dàn kan het einddoel van ons leven voor ons ook een zékere belofte inhouden: de kroon des levens. Zo staat het in het slot van vers 12. Deze kroon des levens heeft God beloofd aan wie Hem liefhebben. Dat liefhebben, wat is dat anders dan volledige toewijding en gehoorzaamheid in ons leven? Het is leven met de daden van het geloof. Het is van harte houden van Gods geboden in een leven uit de vergeving van onze zonden door de Here Christus. In de vreze des Heren, dat is in kinderlijk ontzag, biddend tot de Vader.
Deze kroon des levens is door Hem weggelegd, als een vaste en zékere belofte waaraan wij niet hoeven te twijfelen. Want er is bij God geen zweem van ommekeer zegt vers 17. Hij is de bron van al het goede, Hij is ook trouw en onveranderlijk.

Het léven of de dood


Wat geeft ons dat een rust, juist ook bij moeiten! Want wij mogen daarbij zien op beloften die ons verstand te boven gaan. Als beloften van een eeuwig verbond.
Jacobus houdt de lezers en ook ons zo het léven voor, bij geloofsgehoorzaamheid in volharding. Het eeuwige leven, als de zegen van het verbond in Christus.

Maar hij houdt ons ook de dood voor, als we in de beproevingen toegeven aan de verzoeking. Als we gaan twijfelen aan Gods Woord en Zijn beloften. Als wij God ontrouw worden en twijfelen aan Zijn verbondswoord. Als we de Here Christus verloochenen, en ons heil en welvaart niet bij Hem alleen zoeken. Dan gaan we niet de wegen van God die ons beproeft, maar de weg van de satan die ons verzoekt en ons tot zonde verleidt. Dan volgen we onze eigen begeerten en doen de zonden, zeggen vers 14 en 15. Als we dáárin volharden, dan volgt de dood. Dat betekent: dan zullen we niet in heerlijke gemeenschap met de Here mogen leven, maar worden we buiten geworpen. Dat is de vloek van het verbond, die ook ons tot waarschuwing is.

Maar in de doorgaande strijd tegen alle aanvechtingen, mogen we kracht blijven putten uit Gods rijke beloften. De beproevingen gaan door. De strijd van het geloof en van de kerk wordt voortgezet. Want de Here werkt door. Hij wil komen tot het volle getal van alle uitverkorenen. Daarom werkt Hij nog steeds door middel van voortgaande beproevingen aan de loutering van mensen, die Hij tot hun eindbestemming wil brengen. Door lijden tot heerlijkheid. In een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar de zijnen zullen mogen heersen als gekroonde koningen. Als eerstelingen op de jongste dag (vers 18).
Laten we daarom niet twijfelen aan Gods beloften, aan Zijn regering en Zijn beleid, maar juist des te nadrukkelijker op Hem en Zijn beloften blijven hopen. Dan zullen ook wij eens de kroon des levens mogen ontvangen.