Mogen we twijfelen? (2)


    Jac. 1:2-4,12:
    2  Houdt het voor enkel vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt,
    3  want gij weet, dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt.
    4  Maar die volharding moet volkomen doorwerken, zodat gij volkomen en onberispelijk zijt en in niets te kort schiet. (...)
    12 Zalig is de man, die in verzoeking volhardt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben.


De vorige overdenking over Jac. 1:1-12 eindigde met het doel van beproevingen. We stelden vast dat de HERE d.m.v. beproevingen de echtheid van ons geloof wil bevestigen, en zo twijfels over Zijn beloften tegengaan. Het is goed daarover nog verder door te spreken.

Proefgebod


De HERE testte in het paradijs ook Adam en Eva. Hij stelde hen op de proef door het zogenaamde 'proef'-gebod (Gen. 2:16). Zodat ze van harte hun liefde tot Hem zouden laten blijken. Van de vrucht van de boom die in het midden van de hof staat, had God gezegd: "gij zult daarvan niet eten noch die aanraken; anders zult gij sterven." God was ook duidelijk geweest in Zijn waarschuwing bij die beproeving. Maar Adam en Eva hebben deze proef niet doorstaan. Ze begonnen te twijfelen aan het betrouwbare woord van God. Want met deze beproeving van de HERE ten goede, kwam ook de verzoeking door de satan ten kwade via het spreken van de slang. God heeft zeker wel gezegd...maar het ligt wel anders, zei de slang. En toen begon de twijfel, want door de satan werd de begeerte opgewekt om tegen Gods Woord in te gaan: en toen sloeg de zonde toe, en kwam de dood in het leven van de mens.
Na de zondeval heeft de HERE die twijfel bij de gevallen mens willen uitbannen. Hij sloot zijn verbond met het vrouwenzaad (Gen. 3:15) en later met Abraham en zijn nageslacht (Gen. 17). Dat verbond rustte op het zoenbloed van Christus, die al beloofd was. Daarin bekrachtigde de HERE Zijn vaste beloften en maakte Hij ook Zijn eisen bekend. Eisen van geloofsgehoorzaamheid opdat Abraham en zijn nageslacht zou tonen God waarlijk lief te hebben in alle omstandigheden. Dat Abraham en zijn nageslacht in tijden van voorspoed en tegenspoed Gods beloften zouden vasthouden.

Door het geloof


De HERE heeft dat direct aan Zijn kerk duidelijk gemaakt door de vader van de gelovigen, Abraham, op de proef te stellen (Gen.22). Hij deed dat door van hem te eisen dat hij Izaäk, zijn eigen kind en dus de garantie voor het nageslacht van de belofte, met zijn eigen hand zou offeren. Dat was een test op Abrahams geloof en liefde voor God. Door geloof, dat hem door de HERE geschonken werd, doorstond Abraham toen deze beproeving van de HERE en mocht hij volharden in het geloof (Hebr. 11:17).
Zo werkte en versterkte God het geloof in Abraham door de beproeving van de kant van Hem te doorstaan. Maar tegelijk ook door te blijven staan in de verzoeking van de kant van de satan die daarin mee kwam. Want dat gaat steeds samen: de beproeving van de HERE ten goede en de verzoeking van de satan ten kwade. De satan probeert bij de beproeving van de HERE, de twijfel te zaaien. De twijfel waarmee de satan aanhaakt aan de zondige begeerte van onze oude mens (Jac. 1:13,14). Die begeerte van de oude mens wil niet naar de HERE luisteren maar wil eigen wegen bewandelen. Die stem van de oude mens, moet nu door de nieuwe mens, die door Gods Geest in ons tot leven mag komen, het zwijgen worden opgelegd: we moeten de twijfel aangaande Gods Woord uitbannen. Alleen uitgaan van wat de HERE ons belooft en dan ook willen doen wat Hij van ons vraagt. Als we dat in het geloof aanvaarden, dan bewerkt de HERE Zelf dat we de proef kunnen doorstaan. Abrahams geloof werd zelfs zó door God versterkt, dat hij in die situatie overwoog dat de HERE bij machte was Izaäk uit de doden op te wekken (Hebr. 11:18).

Zo wil de HERE ook steeds òns geloof door beproevingen versterken. Daardoor mogen we zien dat Hij met ons bezig is, zodat ook wij Zijn beloften vaster omarmen en dichter bij Hem gaan leven in liefde tot Hem. Dat mag ook ons vreugde geven! En te zien zijn aan vruchten van geloof in onze daden.
Het is dan ook alleen met het oog van dit geloof dat wij in de moeilijke omstandigheden waarin de HERE ons plaatst en waarmee Hij ons beproeft, Zijn Vaderhand opmerken. De Vaderhand waarmee Hij ons tuchtigt, kastijdt en beproeft, zodat wij door de moeiten heen onze geloofsvolharding als Gods genadegave mogen opmerken (Hebr. 12:5-11).

Blijvende beproevingen


De omstandigheden waarin de gemeenten leefden, waaraan Jacobus zijn brief richtte, waren bijzonder moeilijk. Er was verdrukking en vervolging in de maatschappij. Armoede en smaad ter wille van de naam van hun Here Jezus Christus, hoofdstuk 5. Er waren verleidingen en verlokkingen om met de wereld mee te doen, hoofdstuk 4. Maar er waren ook intern beproevingen. We lezen over twisten, tweespalt en lasterpraat in de kerk, hoofdstuk 3 en 4. Ook van ziekten en zonden in de gemeente, hoofdstuk 5. In al deze situaties werden ze beproefd door de HERE, om hen dichter naar Hem en Zijn Woord toe te trekken. Waardoor de echtheid van hun geloof zou blijken, en de volharding in het geloof.

Dat mag ook voor ons gelden in de huidige tijd waarin we als kerken verkeren. We moeten in de situatie van een klein overblijfsel, waarin we terecht zijn gekomen door reformatie heen, niet wanhopen aan Gods beloften. De HERE beproeft ons daarmee en wil ons zo leren dat wij het van Hem alleen verwachten. Niet maar één keer, maar blijvend verwachten. Ook als er intern moeite en verdriet is, mogen we daardoor niet twijfelen aan Gods handelen. Of als anderen ons voorbijgaan. We zullen ons ook dan moeten vastklampen aan Gods verbondsbeloften en van harte Zijn wegen willen gaan. En die elkaar voorhouden.
Waar het ware geloof is, is dus geen plaats voor twijfel aan Gods spreken en handelen. Want twijfel aan Gods Woord en Zijn beloften in tijden van moeite en zorgen, komt voort uit òngeloof.

Enkel vreugde


Het is heel belangrijk dat we dat blijven vasthouden. Want de HERE zal ons blijven beproeven. Hij zal ermee doorgaan opdat de nieuwe mens in ons de strijd blijft aanbinden met de oude mens. Het leven naar de Geest moet in ons steeds meer de overhand krijgen. Er mag in die worsteling geen pauze, geen stilstand komen. Steeds weer zullen daarom nieuwe beproevingen op onze weg komen, zodat die volharding volkomen kan doorwerken (vers. 4).
Jacobus zegt dan ook in vers 2, dat de beproevingen velerlei zijn, eigenlijk staat er 'veelkleurig'. Het zijn beproevingen die steeds van aard kunnen verschillen. Dan weer komen ze voor op het gebied van de leer, dan weer op het gebied van het leven naar Gods Woord. De ene keer zijn het verdrukkingen en vervolgingen, dan weer verlokkingen en verleidingen. Kerken kunnen te groot zijn geweest, nu zijn ze weer erg klein. Ook dat kan een beproeving zijn.
We "vallen" daarin, in die beproevingen. Letterlijk staat in vers 2: we vallen midden in die beproevingen. We worden erdoor omringd. Al die verschillende beproevingen, ze blijven op ons afkomen. Als we dàt met het oog van het geloof zien, dan mag daarvoor zelfs vreugde zijn. Vreugde omdat daaruit blijkt dat de HERE met ons bezig is in onze worsteling om naar het einddoel te komen (vers 4). Om zo in vreze en beven onze behoudenis bewerken. Met Gods hulp en in Zijn kracht. Dan mag er geen plaats zijn voor twijfel aan de betrouwbaarheid van Gods Woord. Ook niet voor de vraag of Gods beloften wel voor ons zijn, als we tenminste van harte in God en Zijn Woord geloven.
Door de beproevingen heen worden we ook van dat laatste steeds zekerder.