Evangelieprediking in de moderne samenleving (1)


In enkele artikelen wil ik het boek van dr.S.Paas bespreken, dat hij in 2001 publiceerde (inmiddels al een derde druk) onder de titel Jezus als Heer in een plat landmet de ondertitel Op zoek naar een Nederlands evangelie Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer.
Een belangrijk boek en bijzonder actueel. Het gaat immers om de evangelieprediking in onze moderne samenleving. In zijn inleiding noemt hij als het doel van zijn boek dat hij in het licht wik stellen hoe de belijdenis dat Jezus Heer is in ons land moet worden verkondigd en uitgebeeld. Hij schreef zijn boek vanuit de praktijk van evangelisatieconsulent van de Christelijke Gereformeerde kerken en gemeentestichter in Amsterdam. Hij schreef diverse boeken over missionair-gemeente-zijn. Hij doet op dit moment als lector aan de Christelijke Hogeschool Ede onderzoek op het gebied van gemeenteopbouw en is begonnen aan zijn leeropdracht aan de Theologische Universiteit Kampen. Zijn boek moet gezien worden als het programma van dat onderwijs aan aanstaande predikanten

Actualiteit


We kunnen de boodschap van dit boek niet los denken van de theologische standpunten en opvattingen van dr.Paas. Hij is oudtestamenticus en is in 1998 gepromoveerd op het proefschrift Schepping en oordeel, Een onderzoek naar scheppingsvoorstellingen bij enkele profeten uit de achtste eeuw voor Christus. Zijn opvattingen die hij in die dissertatie neerlegde, werden binnen de Gereformeerde kerken vrijgemaakt actueel toen hij benoemd werd als docent aan de Theologische Universiteit Kampen. Hij is er sinds januari dit jaar bezig met het opzetten van een masterstudie missionaire gemeente, een terrein waarop hij zijn sporen heeft verdiend.

Op wat hij in zijn proefschrift geschreven heeft is van uit de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt ernstige kritiek gekomen, die enkele predikanten zelfs aanleiding gaf om tegen zijn benoeming bezwaar te maken.
Zij zijn van oordeel dat de opvattingen van Paas niet Schriftgetrouw zijn, zelfs Schriftkritisch.
In zijn proefschrift staat dat de uittocht van het volk Israël uit Egypte, beschreven in Exodus, een ´theologische reflectie´ is en wel ‘waarschijnlijk´ is. Verder zou het eerste hoofdstuk van de Bijbel bij hem 'slechts' een theologische vertelling zijn. De predikanten laken in hun kritiek verder zijn visie dat de Israëlieten bij het ontstaan van het beeld van God beïnvloed zijn door godsvoorstellingen van hen omringende volken. De Bijbel is bij Paas niet in veilige handen, oordelen deze predikanten.
Dit alles gaat over fundamentele zaken. Deze benoeming en de handhaving ervan tegenover de ingebrachte bezwaren is bepalend voor de koers van de Gereformeerde kerken vrijgemaakt in de toekomst.
Dat blijkt verder ook uit zijn boek dat we nu bespreken.

Wetenschap - geen geloofsbelijdenis


Dr.Paas heeft zich tegenover de kritiek verdedigd in een uitvoerig interview in het NEDERLANDS DAGBLAD van 16 maart 2009.
Hij legt er de nadruk op dat hij in zijn dissertatie geen theologische maar godsdiensthistorische uitspraken gedaan heeft. Deze wetenschap beschrijft het ontstaan van religies en hoe ze elkaar onderling beïnvloeden. “Voor een forum van kritische vakgenoten, die beslist niet orthodox-gereformeerd zijn, heb ik juist verdedigd dat de uittocht uit Egypte historisch waarschijnlijk is. Zij gaan uit van het tegendeel. Dat deed ik vanuit apologetische motieven.
Iedereen die wel eens met evangelisatie of apologetiek bezig is geweest, weet hoe dat werkt. Je zoekt aansluiting bij uitgangspunten die voor anderen onbetwistbaar zijn en van daaruit probeer je hun denken te veranderen”.
Zijn proefschrift mag daarom volgens hem ook niet gezien worden als een persoonlijke geloofsbelijdenis. Over zijn uitspraak dat het godsbeeld van de Israëlieten - zij geloven in Jahwe, de God van de Bijbel - daarvan een afsplitsing zou zijn zegt hij dat dit helemaal geen theologische uitspraak is.
“Dat is hetzelfde als die zendeling in Suriname die inboorlingen hoort spreken over een god die de grote kanovaarder wordt genoemd. Die kan daarbij aansluiten en zeggen dat er maar één grote Kanovaarder is. Heel gebruikelijk in de zending”.

Tegenover deze opstelling van Paas moeten wij opmerken dat de HEERE van ons vraagt dat wij Zijn Naam heiligen (Heidelbergse Catechismus zondag 36).
Een vroegere hoogleraar ethiek in Kampen (K.Schilder) leerde ons dat de grondregel van het leven in het verbond is: uw ja zij ja. Ons ‘ja’ op de belijdenisvragen moet in heel ons leven ons ‘ja’ blijven en dat op alle terreinen. Er is geen apart terrein waar dat ‘ja’ niet moet doorklinken. Ook niet het terrein van de wetenschap. Ook daar is van toepassing wat Groen van Prinsterer beleed: geen staatsman, maar evangeliebelijder.
De geloofwaardigheid van de Bijbel is dan ook het vooroordeel van de wetenschap. Want de wetenschap is niet een geïsoleerd terrein van de studie dat los zou staan van geloof en belijdenis, kortom van de vroomheid. Voetius zei het kernachtig: de wetenschap moet met de vroomheid verbonden zijn (scientia cum pietate conjugenda).

De missionaire gemeente


Het werk dat dr. Paas aan de Theologische Universiteit Kampen is begonnen houdt niet in dat hij een soort missiologische vooropleiding opzet voor predikanten die als zendeling worden uitgezonden, maar is bedoeld als vorming van alle studenten tot hun toekomstige taak. In het laatste jaar van hun universitaire studie krijgen zij dan als onderdeel van de masterstudie de eenjarige studie missionaire gemeente.
Immers, onder druk van de secularisatie voelen kerkelijke leiders in toenemende mate de urgentie om missionair actief te zijn, aldus Paas. “Maar ze weten vaak niet hoe. Wij gaan theologen opleiden die zending bedrijven in eigen land. De master richt zich op predikanten die hun gemeente in missionaire richting willen veranderen en op missionaire pioniers, theologen die een nieuwe gemeente willen beginnen”.

Volgens deze opvatting is Nederland een zendingsland en moet elke gemeente een missionaire gemeente zijn, dat betekent onder meer dat de prediking moet worden aangepast aan de moderne samenleving en de kerkleden geïnstrueerd worden om zo in hun dagelijks leven missionair bezig te zijn.
Daartoe moet de drempel van de kerk verlaagd worden en dat moet vooral in de prediking tot uiting komen, maar verder ook in de inrichting van de kerkdiensten. En de gemeenteleden zullen in hun dagelijks omgang met
niet-gelovigen evenzeer moeten leren af te stappen van de tot nu toe gehanteerde modellen van benadering, maar een radicaal andere weg opgaan.
Dat alles zal Paas de toekomstige predikanten gaan inprenten.
Er staat dan ook heel veel op het spel. En daarom is het nodig de argumenten voor deze nieuwe aanpak te toetsen aan Schrift en belijdenis.

Zending


Doorgaans wordt onder de zending verstaan de arbeid van de kerk om uit te gaan naar de volken die het evangelie nog niet gehoord hebben of die verder onderwezen moeten worden. Zo staat het te lezen in het zogenaamde zendingsbevel, dat de Heere Jezus Christus aan Zijn discipelen gaf, Matt.28:19:
    Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.

Maar ook het verdere onderwijs aan degenen die tot bekering zijn gekomen behoort bij dit zendingsbevel. De Heere voegde er aan toe:
    en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.

Het doel van de zending is volgens Voetius en zo is het ook altijd door de kerk verstaan: de eer van God door middel van de vergadering van Zijn kerk. Met andere woorden: kerkplanting.
Verder is een belangrijk onderdeel van die kerkplanting op het zendingsveld de belijdenisvorming en het invoeren van een kerkorde. Daarover is in de zendingsstudie in de loop van de jaren heel wat gediscussieerd en geschreven. Tegenover de vrijzinnige opvatting als zouden wij niet onze 'westerse' belijdenissen en kerkordes moeten 'exporteren', hebben de Gereformeerde Kerken er altijd aan vastgehouden dat de jonge kerken niet van voren af aan behoeven te beginnen. Onze belijdenisgeschriften zijn immers niet anders dan het naspreken van de Schrift. En ook de kerkorde is op de Schrift gegrond. Vandaar dat de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis en zelfs de Dordtse Leerregels vertaald zijn in allerlei talen en gebruikt worden op de zendingsterreinen van de Gereformeerde Kerken.
Deze gewone gereformeerde omschrijving van de zending past dus helemaal niet op de situatie in Nederland. Het is dan ook uitermate belangrijk om dit oppervlakkige en gevaarlijke spreken over Nederland als zendingsland en de gelijkschakeling van zending en evangelisatie af te wijzen.

Evangelisatie


Het bijzondere van evangelisatie is dat er ter plaatse of in de naaste omgeving een kerk aanwezig is en dat de evangelieprediking aan mensen buiten de kerk ten doel heeft dat zij zich overeenkomstig het gebod van de HEERE bij Zijn kerk voegen. Dat staat heel duidelijk in artikel 26 van de kerkorde:
De evangelisatie moet er op gericht zijn dat zij die God niet kennen of van Hem en zijn dienst vervreemd zijn, zich door belijdenis van het geloof naar de gereformeerde leer voegen bij de gemeente van Christus. De kerkeraden zullen erop toezien dat vanuit deze doelstelling gewerkt wordt. Evangelisatie is dus evangelieprediking en oproepen om zich bij de kerk te voegen. Het verkeerde uitgangspunt om Nederland als zendingsland te zien werkt door in de beschouwingen van Paas met betrekking tot de benadering van buitenkerkelijken, de inrichting van de kerkdiensten, heel de prediking, de ethiek - kortom, in allerlei fundamentele zaken van het kerk zijn.

In welke taal?


Het spreekt vanzelf dat evangelieprediking moet plaatsvinden in de taal die de hoorders spreken en verstaan.
Op het zendingsveld zal de zendeling dan ook de taal moeten gebruiken die ter plaatse gesproken wordt: het Indonesisch of Portugees of Koreaans enzovoort. Een aparte vraag was of het evangelie gebracht moet worden in de plaatselijke verschillende dialecten, zoals die bijvoorbeeld op Irian Barat in allerlei verschillende dorpen gesproken worden of in een algemene taal, zoals het Indonesisch. In Nederland is het een aparte vraag of er in het Gronings of Fries of Twents gepreekt moet worden.
Wij moeten ervan uitgaan dat de kerkleden in de wereld getuigen moeten zijn en dat zij tot dat getuigenis toegerust worden in de kerk.
Toen ik in 1955 als dominee in Australië begon, waren de eerste emigrantengemeenten pas geïnstitueerd. Er werd die eerste tijd nog in het Nederlands gepreekt, gecatechiseerd, vergaderd, huisbezoek gedaan of geschreven. Maar van meet af aan begrepen wij dat wij als kerk een taak in de wereld hadden en dat wij in de samenleving het evangelie moesten uitdragen in ons persoonlijke leven en door middel van de kerkdiensten. Daarom moesten wij toen zo spoedig mogelijk overschakelen van het Nederlands naar het Engels. Dat vroeg wel offers, maar alleen zo konden wij de algemene christelijke kerk ter plaatse zijn in plaats van een Nederlandse kerk.
Als het er dus om gaat vandaag het evangelie uit te dragen, dan zal dat in onze situatie moeten gebeuren in gewoon verstaanbaar Nederlands. Weliswaar zijn er dan Bijbelse begrippen en woorden, zoals zonde, genade, bekering, verzoening, heiliging en nog meer, die wij moeten uitleggen.
Als het dus gaat om de taal van de evangelieprediking is alles wel duidelijk. Maar het gaat Paas om iets heel anders. Hij gebruikt daarvoor het woord inculturatie. Dat wil zeggen: de kerk moet in de benadering van ongelovigen afstappen van haar eigen ’cultuur’ (taal, inrichting van de kerkdiensten, ethische normen enz.) en zich aansluiten bij de 'cultuur' van de buitenkerkelijken.
Dat bepaalt zijn opvatting van een missionaire gemeente, die hij de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt wil indragen door middel van zijn onderwijs aan aanstaande predikanten. Maar daarmee legt hij dynamiet onder de fundamenten van de kerk en dat zal, nog meer dan nu al het geval is, niet alleen ‘Kampen’, maar ook de kerken haar gereformeerd, Schriftuurlijk karakter ontnemen.
Daarover D.V. in een volgend artikel.