Het belijden van de kerk


Belijden, amen zeggen op Gods Woord, is iets heel persoonlijks. Maar tegelijk is het iets van de hele gemeente. Van heel de kerk, overal waar de Here die vergadert. Belijden is iets van die heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen.

Gemeente


Ieder jaar doen jonge broeders en zusters in het openbaar belijdenis van hun geloof. Vrijmoedig en zeker zeggen ze “amen” op de roeping van hun Here. Prachtig! Dankbare erediensten zijn het, waarin we dat mogen meemaken. Heel persoonlijk geven jonge broeders en zusters getuigenis van hun geloof in de enige weg tot behoud.
Maar al is dat persoonlijk, ze doen het niet alleen. Ze doen het niet in stilte. Nee, hardop, openbaar, voor het oor van de gemeente en al wie maar de kerkdienst bijwoont. Ze beloven aan de Here om Hem van harte lief te hebben. Maar ze doen dat in het bijzijn van getuigen.
    “U bent verschenen voor God en zijn heilige gemeente, om belijdenis af te leggen van uw geloof en zo toegang te verkrijgen tot het avondmaal van de Here Jezus Christus.” (Formulier voor de Openbare Geloofsbelijdenis, aanhef).

Voor God ...... èn zijn heilige gemeente. De gemeente hoort het getuigenis aan. En dat is goed. We geloven niet alleen persoonlijk maar in gemeenschap. In gemeenschap met onze broeders en zusters. Zo heeft de Here zijn Verbond ingericht. Niet als een band met losse individuen maar als een levende verbondsgemeenschap. Als verbondsgemeenschap, als kerk, dienen we de Here. En belijden we dus de Here. Wanneer zo’n jongere, of wie ook maar, het ja-woord doet horen, dan is dat het zelfde ja-woord dat al die broeders en zusters ook eens gesproken hebben. En in hun hart opnieuw uitspreken, samen met hen die belijdenis doen. Dat is dezelfde belofte die ook al die broeders en zusters aflegden die ons voorgingen, ons voorgeslacht. We kennen vast wel de zinsnede “we belijden met de kerk van alle eeuwen.....” die door predikanten vaak wordt gebruikt in de kerkdienst.
Zo is belijden een zaak van de hele gemeente en van alle tijden.

Gezamenlijk


Ook op een andere manier is belijden een zaak van de hele kerk. Vaak zijn de leden van de kerk geroepen om gezamenlijk te belijden. Als ze ook gezamenlijk geroepen worden. Bijvoorbeeld wanneer de kerk wordt aangevallen. Door vervolging. Of door valse leer. Dan staan niet al die leden van de kerk ieder voor zich op om met hun belijdenis die aanval tegen te gaan. Nee, dan doen de kerkleden dat gezamenlijk, als kerk, meestal onder de leiding van de ambtsdragers. Want het Woord is niet van losse individuen maar het is toevertrouwd aan de gemeente. De kerk moet het Woord bewaren en vasthouden.
    “En schrijf aan de engel der gemeente te Filadelfia: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel Davids heeft, die opent en niemand zal sluiten, en Hij sluit en niemand opent. Ik weet uw werken: zie, Ik heb een geopende deur voor uw aangezicht gegeven die niemand kan sluiten; want gij hebt kleine kracht, maar gij hebt mijn woord bewaard en mijn naam niet verloochend.
    ........................................
    Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten, zal ook Ik u bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken hen, die op de aarde wonen.
    Ik kom spoedig; houd vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.
    Wie overwint, hem zal Ik maken tot een zuil in de tempel mijns Gods en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de naam mijns Gods en de naam van de stad mijns Gods, het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel nederdaalt van mijn God, en mijn nieuwe naam.
    Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt.

Het Woord bewaren, vasthouden, dat is de roeping van de kerk. En wanneer dat Woord bedreigt of aangevallen wordt, wanneer gevraagd wordt om Gods naam te belijden, tegen de aanval in, dan is dat een roeping voor heel de kerk. Gezamenlijk.
We lezen het ook in I Timotheüs 3: 15:
    “Mocht ik nog uitblijven, dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid.”

    De kerk is pijler en fundament van de waarheid. De kerk bewaart het Woord. De kerk is geroepen om te belijden.


Belijdenisgeschriften


In de geschiedenis van Gods kerk is het doorlopend noodzakelijk geweest om openlijk te belijden. En gelukkig zijn door de kerk verschillende van die belijdenissen op papier gezet. Zodat ze bewaard bleven en gingen behoren tot de schat van de kerk. We mogen gerust zeggen dat dit het werk is van de Heilige Geest.
We kennen in De Gereformeerde Kerken zes van die belijdenisgeschriften. Drie “kleine” en drie “grote”. Drie “algemene” of ”oecumenische” en drie “bijzondere”. U vindt ze achter in het kerkboek. De Apostolische Geloofsbelijdenis, de Geloofsbelijdenis van Nicea, de Geloofsbelijdenis van Athanasius, de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels.
We geloven en belijden dat ze in alles het Woord van God naspreken en dat ze geschikt zijn om ons geloof naar te richten.

Mensenwerk?


We zeiden al: We mogen zeggen dat dit het werk is van de Heilige Geest. Tegenwoordig, en eigenlijk altijd al, wordt vaak gezegd: belijden is slechts mensenwerk. De belijdenisgeschriften zijn slechts woorden van mensen. Nee, ze zijn mooi en waardevol, maar we kunnen ze niet aannemen als fundamenten van de kerk en kerkelijke organisaties. Want dan stel je ze gelijk met Gods Woord. Nee, we moeten terug naar Gods Woord alleen.
Slèchts mensenwerk? Terug naar Gods Woord alleen? Dat klinkt heel vroom. Maar vroom ís het niet. Ja, natuurlijk zijn de belijdenisgeschriften door mensen opgesteld. En nee, natuurlijk staan ze niet op dezelfde hoogte als Gods Woord. Maar om te spreken van slèchts mensenwerk doet aan deze geschriften, en aan het werk van de Geest geen recht.
De belijdenisgeschriften zijn een rechtstreeks gevolg van de roeping van de kerk om Gods Woord te bewaren. Ze zijn ontstaan in de strijd om de waarheid. Ze zijn als het ware “het amen der kerk” op Gods Woord. Een bekende uitleg van de Nederlandse Geloofsbelijdenis heeft ook die uitdrukking als titel gekregen.
De belijdenisgeschriften zijn ook in de strijd van de kerk door de kerken aangenomen en de eeuwen door beproefd. En nooit is gebleken of aangetoond dat ze níet Gods Woord zouden naspreken.
Daarom mogen we niet spreken over “slèchts mensenwerk”, alsof de belijdenisgeschriften niet meer zouden zijn dan interessante en waardevolle boekjes. Nee, ze zijn volledig in overeenstemming met Gods Woord, en daarom door de kerk aanvaard als officiële belijdenisgeschriften. Ze maken deel uit van de geestelijke wapenrusting die Gods kinderen nodig hebben. (We komen daar later nog op terug). Ze horen, juist omdat ze het amen van de kerk zijn op Gods Woord, tot het fundament van de kerk. En zo horen ze een plaats te hebben in de grondslag van alle kerkelijke en met de kerk verbonden organisaties, en in alle organisaties van leden van de kerk.
Mensenwerk? Werk van de Heilige Geest door mensen.

Leer


De belijdenisgeschriften horen tot het fundament van de kerk. Onopgeefbaar. Omdat ze Gods Woord naspreken. Omdat ze de leer van de Bijbel samenvatten en verdedigen. Er wordt vaak gezegd: dat zal wel, maar het gaat er toch uiteindelijk alleen maar om wat er in de Bijbel staat? Wat hebben we daarnaast dan nog nodig?
Ja, dat is op zich wel waar. Maar de vraag is dan vervolgens: en wat staat er dan in de Bijbel? Wat leert Gods Woord ons dan op dit punt? Die vraag is al zo vaak zo verschillend beantwoord. “Iedere ketter heeft zijn letter”. Talloze malen is geprobeerd in de kerk een valse, van Gods Woord afwijkende leer in te voeren, juist met een beroep op de Bijbel. Talloze malen werd Gods Woord eigenmachtig uitgelegd. Niet volgens de normen die de Here zelf in zijn Woord geeft maar op grond van menselijk verstand en menselijke gevoelens.
Daarom is het niet genoeg om te zeggen: wij staan op de grondslag van Gods Woord. Omdat voor velen dit Woord iets anders zegt.
Daarom is het bijvoorbeeld niet genoeg als in sommige Gereformeerde Kerken vrijgemaakt in feite het Avondmaal open staat voor ieder die belijdt dat hij of zij Jezus Christus kent als enige verlosser. Dat zegt niets over de eenheid in het geloof. Ook de Roomse en de Baptist zeggen dit. Ook de Darbist en de Zevende-dags-adventist spreken zo. Maar ze hebben elk hun eigen afwijkende, eigenmachtige, onbijbelse uitleg van Gods Woord.
De belijdenisgeschriften geven in het kort aan wat nu precies de leer van de Bijbel is. Waar de kerk zich aan heeft vast te houden. Tegen alle dwaling en valse leer.

Onopgeefbaar


Daarom moeten we van elkaar, als kerken en als kerkleden, vragen om niet alleen Gods Woord te aanvaarden maar ook de Gereformeerde belijdenisgeschriften.
Doen we dat niet, dan openen we opnieuw de weg voor allerlei dwaalleer. Dan geven we vrijheid en ruimte aan allerlei persoonlijke uitleggingen van de Bijbel.
In veel gereformeerde verenigingen, bijvoorbeeld schoolverenigingen, lazen we voorheen dan ook altijd in de statuten dat de vereniging als grondslag had Gods Woord en de drie formulieren van enigheid. Dat zijn de drie “bijzondere belijdenisgeschriften”. Heel eenvoudig. Duidelijk. Een sterke bewaking van de koers. Een afgrenzing tegen afdwaling en valse leer. Soms werd er, om nog duidelijker te zijn over de plaats van de belijdenisgeschriften, zoiets bijgevoegd als “zoals deze Gods Woord naspreken”. Om daarmee aan te geven wat de functie van de belijdenis is.
Tegenwoordig hebben veel organisaties in de Gereformeerde kerken vrijgemaakt dit veranderd. Dan wordt in de grondslag alleen nog Gods Woord genoemd als fundament. En de formulieren van enigheid zijn er uit verdwenen, of worden alleen nog genoemd als waardevol, maar niet horend tot de grondslag. Zo wordt de weg geopend voor vrijheid in de leer en voor openingen naar de valse oecumene.
Onze roeping is om de belijdenis, naast en in onderworpenheid en gebondenheid aan Gods Woord, te handhaven als fundament van de kerk en als grondslag voor onze organisaties.
De belijdenis van de kerk is onopgeefbaar.