De weg tot en in een huwelijk in de Here (10)


Het huwelijkse leven onder Gods zegen (1)



Voor wat we nu willen bespreken is het goed eerst kort terug te blikken op wat tot nu toe werd besproken. Man en vrouw zijn geschapen om in het huwelijk op deze aarde samen beeld van God te zijn. Daarvoor zijn ze door Gods hand samengevoegd van twee tot één vlees. Daarin zijn ze voor God wel gelijkwaardig in Christus, maar toch niet gelijk. Ze hebben ook onderscheiden taken ontvangen.

Als eenheid op elkaar betrokken


De man is het hoofd, die de leiding heeft. De vrouw is de hulp en de heerlijkheid van de man. Hij zal zijn verantwoordelijkheid moeten nemen voor de onderhouding van zijn vrouw en zijn gezin. Hij zal ook de leiding en verantwoordelijkheid moeten nemen voor de uitvoering van de opdrachten die de Here gesteld heeft aan het beeld van God zijn.
Zij is op hem gericht en vult hem aan, zij is hem daarbij onderdanig in de Here. Zij aanvaardt zijn liefdevolle leiding. Niet in slaafse houding maar als door de Here zo gewilde aanvulling, een echte wederhelft.
Samen zullen ze in hun onderlinge verhouding een afspiegeling zijn van Christus en zijn gemeente naar Ef. 5: 22-33. Dan zal de ware liefde heersen en zullen zij de zegen van de Here mogen verwachten. Samen worden ze gezegend. Samen zijn ze verantwoordelijk.

De onderscheiden toerusting en taken die de Here aan man en vrouw heeft gegeven, zullen uitkomen in hun activiteiten.
De Here wijst de man aan als eerstverantwoordelijke voor de onderhouding van het gezin. Wanneer na de zondeval de Here straft, dan wordt de man ook in zijn beroepswerk gestraft: doornen en distels en in het zweet van zijn aangezicht. De man zal met name ook in het publieke maatschappelijke leven moeten optreden (Spr. 31:23, Ps. 127:5, Ruth 4:1-12. Hij zal zich ook in onderscheiding van zijn vrouw (1 Tim. 2:12, 1 Kor. 14: 34,35), moeten voorbereiden om zo mogelijk in het bijzondere ambt in de kerk te kunnen dienen (1 Tim. 3:1)
Toch heeft hij ook een verantwoordelijke taak voor de gelovige opvoeding van zijn kinderen (Ps. 78:3; Spr. 4:1-4; Ef. 6:1,4; Kol. 3:21; 1 Tim. 3:4, 12; Tit. 1:6; Hebr. 12:9). Die zal hij niet aan zijn vrouw alleen over mogen laten.
De vrouw heeft als hoofdtaak het gezin. Zij wordt na de zondeval ook gestraft met smart bij het baren van kinderen. In het Oude Testament is haar plaats in het gezin en huishouden, gericht op man en kinderen. Maar ook in het Nieuwe Testament wordt de taak voor de vrouw door de Here aangewezen in gezin (1 Tim. 2:15, 1 Tim. 5:14; Tit. 2: 4,5). Niet als een minderwaardige maar als een prachtige taak in dienst van de Here. Zij mag daarbij ook als moeder een belangrijke rol spelen in de opvoeding van de kinderen (Ex. 20 :12; 21;15; Lev.19:3; 20:9; Deut. 5:16; 21:18-21; Ps. 128: 3; Spr. 1:8;6:20;23:22,25; 31:28; Ef. 6:2; 1 Tim. 2:15; 5:10, 14). Vanuit die gerichtheid kan ze zo nodig ook buitenshuis werken (Spr. 31; Hand. 16:14). Daarbij wordt overigens in Gods Woord vooral gewezen op werken van barmhartigheid (Luk. 8: 2,3; Hand. 9:36,39; Rom. 16:1). Zoals we al eerder hebben besproken zal haar werk buitenshuis niet ten koste mogen gaan van haar primaire taken.

Leven en werken onder Gods zegen


We willen nu aan de hand van Psalm 128 stilstaan bij de concrete invulling daarvan in het huwelijk in onze dagen. Hoe geef je die door de Here aangegeven samenleving in het huwelijk vorm? We zullen daarbij vooral letten op datgene wat de Here in het huwelijk geeft en daarom vraagt. Zijn zegen en zijn opdracht daaraan verbonden en onze verantwoordelijkheid daarvoor. Onze gehoorzaamheid aan Gods geopenbaarde wil. En vervolgens willen we aandacht geven aan Gods leiding in ons leven. Zijn verborgen wil en onze aanvaarding daarvan.

In Ps. 128: 1 en 2 staat:
    Welzalig ieder die de Here vreest, die in zijn wegen wandelt.
    Want gij zult eten de opbrengst van uw handen, welzalig, het zal u welgaan.

De wegen van de Here betreffen heel ons leven op aarde. Ons denken, ons voelen, ons plannen maken, ons spreken, maar ook gewoon over het werk van onze handen. Het dagelijkse werk om geld te verdienen. Het dagelijkse werk in het huishouden thuis. Wie zo daarin de wegen van de Here gaat, in intieme omgang met Hem maar daarom ook in verbondsgehoorzaamheid, mag welzalig heten. Die kent het echte geluk al hier op aarde.
Er staat hier niet dat wie de Here vreest alles zomaar op een presenteerblaadje van Hem zal ontvangen. Leven in een soort eldorado zonder te hoeven werken. Nee, de Here geeft ons met zijn zegen een opdracht. Hij geeft zijn gaven met een opgave. We zullen de aarde moeten bewerken. We zullen de schepping tot ontplooiing moeten brengen. We zullen ook moeten werken voor ons eten en drinken. En voor ons dak boven het hoofd. Juist ook daarin wil de Here gediend en juist daarvoor wil Hij gedankt worden. Geen brood zonder werken.
Maar, wat belooft de Here dan? Dat het werk van wie de Here vrezen niet zonder resultaat] zal zijn. Voor de Israëlieten gold dat zij die zegen heel tastbaar zouden zien: de opbrengst zien van het dagelijks werk, waardoor ze rijkelijk mochten eten en in vrede mochten leven. Rijkelijk: een ieder mocht dan ook van zijn wijnstok en vijgeboom eten.
De zegen van de Here is dat Hij hen het goede zal geven. Dat Hij ervoor wil zorgen dat bij hen het goede wordt voortgebracht. En bij dat goede hoort dus ook ‘gewoon’ het levensonderhoud. Want dat is geen vanzelfsprekendheid. Dat is ook gave van de Here. Gave, die Hij geeft ten goede. Goede gaven. Ja, daar zullen ze voor moeten werken. Maar toch zullen ze voor die goede gaven de Here danken. Het blijven gaven van de Here. Opbrengst die de Here hen in zijn goedheid zal schenken.

Zegen in rijkdom en armoede


Maar waar zit het goede nu in? Dat ze rijk zullen zijn? Dat ze goed doorvoed zullen zijn? Ten diepste zit het daar niet in, ook niet voor de Israëlieten. Het goede zit ook al voor hen in de gemeenschap met de Here! Dat Hij voor hen zorgt. Dat Hij aan hen geeft. Wie op zijn wegen gaat, heeft het goed. Heeft het goed in de omgang met zijn God. Daar zit het echte geluk. Daartoe dient ook het voedsel en de kleding. Op zich zit in die dingen het geluk zelf niet. Het ware geluk is de gemeenschap met God. Als kind van God mag je werken en leven voor zijn aangezicht. Maar je mag dat doen in gemeenschap met Hem. Dàn, alleen dàn, gaat het je goed. Ook ons gewone leven ligt onder het beslag van het leven in Gods koninkrijk.

Maar wat de Here goed voor ons acht, betekent niet altijd aardse welvaart. Er kan wel eens de beproeving van armoede komen, terwijl je toch hard voor je brood werkt. Terwijl je toch je best doet. Of het kan zijn dat je werkloos wordt. Dat kan behoorlijk zware beproevingen opleveren. Daardoor wordt je wel weer dichter naar de Here toegetrokken. Daarom mag en moet je dan ook zeggen: welzalig zijn wij, het zal ons welgaan. Want we hebben gezien dat ook daarin de Here voor ons het goede zoekt en geeft. In armoede of ziekte werkt Hij aan ons als een Vader. Leert Hij ons om voor alles dankbaar te zijn. Om in alles Gods zegen te zien als het met dank aanvaard kan worden.

Het komt erop aan om zó in de wegen van de Here te leven, zoals Matt. 6:33a aangeeft:
    Maar zoekt eerst zijn koninkrijk en zijn gerechtigheid ...

Dat is hetzelfde als: wandelt steeds in Gods wegen en vreest Hem. Dáár komt het op aan.
Dàn zal Hij je voorzien van al het nodige. Al wat nodig is voor de dienst aan Hem. Matt 6:33b vervolgt met:
    ... en dit alles zal u bovendien geschonken worden

Dat geldt in tijden van rijkdom maar ook in tijden van armoede. Leef daarom in je huwelijk dicht bij Hem. Met je gebeden, door middel van het lezen van Gods Woord. Maar ook tijdens je werk. En zie dat je opdracht om te werken van de Here komt. Want Hij wil ook daardoor geëerd en geprezen worden. Denk nooit als je je loon ontvangt, hier heb ik recht op. Maar blijf het altijd zien als een gave die je van de Here hebt gekregen.
Een zegengave waarmee Hij ook weer gediend wil worden. Waarvoor Hij gedankt wil worden. Waarom Hij ook geloofd en geprezen wil zijn.
Leef zo met je God en Vader in heel je gewone dagelijkse leven, in het huishouden en op het werk. In ware gemeenschap met Hem. In het ware geluk dat niet ophoudt op deze aarde, maar zich uitstrekt tot in de eeuwige heerlijkheid.

Bespreekpunten


1. Bespreek Matt. 6: 31-34
- “Maakt u dan niet bezorgd” :
Welke consequenties heeft dat voor de praktijk?
Is dat wel realistisch?
- “Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit”
Hoe verdraagt zich dit met je verantwoordelijkheid voor het dagelijks
onderhoud?
- “Zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid”
Sta je dan wel met twee benen op de grond?
2. In hoeverre vindt je het nodig/belangrijk om met het door jou verdiende geld andere mensen te helpen (huwelijksformulier, Geref. Kerkboek p. 557 onderaan)?
3. Wat staat voorop: de kerk – je werk – je gezin – je hobby’s?
Licht dit toe. Hoe realiseer je het samen?
4. Hoe kijk je in het licht van punten 1-3 aan tegen het streven naar luxe
en welvaart (vergelijk ook Matt. 6: 19-24, waar de verzen 31-34 mee
samenhangen)?