Geschiedenis van het kerklied en de Liedboekliederen


Hoe toetsen wij onze liederen? (2)

Geschiedenis van het kerklied na de Reformatie

De Grote Reformatie betekende in veel opzichten een radicale verandering m.b.t het zingen van het kerklied. De Latijnse zang van speciale koren in de kerkdienst werden afgeschaft en de gemeente werd zelf weer aan het zingen gezet met voor iedereen verstaanbare liederen. Luther heeft daarin veel betekend. Er kwamen Psalmen in de eigen taal. Maar Luther maakte daarnaast ook veel gezangen. Naast Schriftberijmingen ook vooral vrije liederen.

In de Gereformeerde Kerken wilde men vooral uit de Psalmen zingen.

Calvijn zei daarvan:

niemand kan zingen wat God waardig is, dan wanneer hij het van Hemzelf ontvangen heeft. 'Daarom wanneer wij hier en daar rondgegaan zijn om te zoeken, zullen wij geen betere noch geschiktere liederen vinden om te zingen, dan de Psalmen van David, die de Heilige Geest hem heeft gedicteerd. En wanneer wij deze zingen, zijn wij er toch zeker van, dat God ons de woorden in de mond legt, alsof Hijzelf in ons zingt om zijn glorie te verhogen.

De synodes van 1578 en later hebben andere gezangen dan uit de Schrift, afgewezen.

De synode van Dordrecht van 1618/1619 legde dit vast in art. 69 van de kerkorde:

In de kerken zullen alleen de 150 Psalmen, de 10 geboden, het onze Vader, de 12 artikelen van het geloof, de lof-zangen van Maria en Simeon, worden gezongen. (...)

Alle andere gezangen zal men uit de kerken weren en waar ze al enigszins zijn ingevoerd, zal men dit met de meest gepaste middelen weer beëindigen.

Eeuwenlang heeft de kerk heel bewust alleen uit de 150 Psalmen en slechts 9 gezangen gezongen. Wel werd steeds aangedrongen op meer gezangen. In het begin van de 19e eeuw is hierover voor het eerst een kerkstrijd. Oorzaak hiervan was de invoering van Evangelische gezangen in 1806. Ds. Hendrik de Cock heeft daar ernstig bezwaar tegen gemaakt. Hij zag het als een teken van de deformatie die gaande was in de kerken. Er was veel plaats voor het gevoel: Jezus als mens, als vriend, waarbij wel zijn wonden, maar niet zijn ambt als Verlosser centraal stond. Deze gezangenkwestie speelde een rol in de weg naar de Afscheiding van 1834. Daarbij keerde men weer terug naar de Psalmen en de 9 gezangen.

Uitbreiding

Toch bleef de druk om meer gezangen te zingen groot. Op de synode van Arnhem (1930) werd een uitbreiding voorgesteld met een aantal berijmde Schriftgedeelten of liederen, die zich nauw aan de Heilige Schrift aansloten, vooral bestemd voor de herdenking van het lijden en sterven van Christus, de bediening van de sacramenten, de bevestiging van ambtsdragers en huwelijksbevestigingen.

Op de synode van Middelburg (1933) werd nog eens gesteld dat we voor de gewone eredienst genoeg hebben aan de Psalmen. Want zo stelde men:

deze geven op onnavolgbare wijze weer wat er omgaat in de ziel van hen die den Heere vrezen. Het aantal gezangen werd toen uitgebreid van 9 naar 29 gezangen.

Op de synode van Kampen (1975) werden criteria voor het kerklied opgesteld en op grond daarvan verschillende Liedboekliederen afgewezen als in strijd met de Schrift!

Op de synode van Heemse (1984/1985) werd het nieuwe gereformeerde kerkboek uitgegeven waarin plaats was gemaakt voor 41 gezangen, waaronder enkele vrije liederen.

Vanaf de synode van Ommen (1993) besloot men mee te doen met de grote liturgische stroming in andere kerken. Dat leidde tot de introductie van 121 Liedboekliederen op de synode van GS Zuidhorn. Deze besluiten zijn door onze synode van Mariënberg 2005 weer verworpen. Intussen is er vanaf 2013 een nieuw Liedboek met meer dan 1000 liederen, waarin ook veel uit het oude Liedboek van 1973 is opgenomen.

Criteria voor onze liederen in de eredienst

We sluiten ons graag aan bij de regels van de synoden van Hattem en Kampen.

Deze regels betreffen met name berijmde Bijbelteksten.

We lopen ze even langs:.

- De tekst moet, gezien zijn aard, plaats en functie in de Schrift, in aanmerking komen voor zang in de liturgie.

- Het lied moet een waardevolle aanvulling op de Psalmen zijn en mag niet leiden tot onderwaardering van de Psalmen.

- Het lied moet zonder schade voor het geheel in gedeelten te zingen zijn.

- De berijming moet zo mogelijk van een dichterlijke kwaliteit zijn, en geen 'maakwerk'.

- De zinnen moeten zo geformuleerd zijn dat ze duidelijk spreken, waarbij het eigen karakter van de Bijbeltekst behouden blijft.

- Berijmde Schriftgedeelten moeten een getrouwe weergave van de tekst zijn waarbij de boodschap van deze tekst op verantwoorde wijze doorkomt.

Criteria voor geestelijke liederen

- Ook voor het zingen van geestelijke liederen buiten de eredienst zullen we de toets moeten aanbrengen van Schrift en Belijdenis. We zijn toch uit één stuk?

- Ons spreken en zingen moet de Heere aangenaam zijn, waarbij Hij centraal staat.

- Het gaat ook buiten de kerk om het offer aan Hem, onze redelijke eredienst. Dat vraagt zorgvuldigheid van onze woorden in spreken en zingen.

- Ook al zijn er m.b.t. de eredienst hogere eisen aan de dichterlijke vorm van het offer van onze lippen, buiten de kerk moet het ook inhoudelijk gaaf zijn.

- Wij belijden en heiligen daarin toch Zijn naam?

- Wanneer een lied niet ondubbelzinnig naar Gods Woord is, maar er dwaalleer in meekomt of erin verpakt zit, mogen we dat niet zingen.

- Elke verminking of verkorting van de boodschap van Gods Woord dient te worden vermeden.

Liedboekliederen

Het Liedboek voor de Kerken speelt nog steeds een rol van betekenis bij het aanbod van geestelijke liederen. Het Liedboek uit 1973 is niet verouderd, er zijn in het nieuwe Liedboek van 2013 alleen veel meer nieuwe liederen bijgekomen, afkomstig uit andere bundels. Dit nieuwe Liedboek wordt inmiddels al ruim gebruikt in de GKv.

Het heet te zijn 'een boek voor bidden en zingen in huis en kerk'.

Daarom is het goed hier nog eens aandacht te geven aan de belangrijkste bezwaren die op GS Zuidhorn in 2002/2003 tegen de collectie van 121 liederen zijn ingebracht, en later door GS Mariënberg 2005 zijn overgenomen (Acta art. 25Ec, pag. 42-66)

1. In 15 liederen horen we de leer van de algemene verzoening: alle mensen worden zalig; er is dan geen plaats meer voor Gods verkiezing en verwerping.

2. In 9 liederen zijn er gedachten aan een vrederijk/paradijs dat op déze aarde wordt verwacht.

3. In 6 liederen horen we de idee van een bevrijdings-theologie waarin solidariteit is met verdrukten i.p.v. de antithese tussen vrouwenzaad/kerk en slangenzaad (tussen kerk en wereld).

4. De Bijbelse boodschap is op meerdere punten weggelaten, verdoezeld of afgezwakt:

- het offer van Christus als verzoening door voldoening (12);

- zonde, verbondsontrouw, antithese en goddelozen (8);

- het oordeel als tweede dood, poel des vuurs (10);

- verkiezing, verbond, leven uit de beloften (11);

- de goede strijd van het geloof (8).

5. In veel liederen zijn ongeloorloofde dichterlijke vrijheden, zoals

- zoals mystieke taal of vreemde poëzie die niet aansluit bij de Schrift (17);

- eigen beelden/verbanden van de dichter, die niet zijn terug te voeren op de Schrift (19);

- benamingen voor God die niet in Zijn Woord staan (12).

6. Sommige liederen bevatten een soort magisch denken zonder Schriftuurlijke basis: zoals bij het zingen over sacramenten (6) en heilsfeiten (11).

7. In 11 liederen met berijmde Schriftgedeelten bleek tekort gedaan aan de boodschap ervan.

Net als in de tijd van Hendrik de Cock moeten we dit zien als teken van deformatie, waarbij meer de mens en zijn gevoel centraal staan en niet God en Zijn Woord.

Zelf goed invullen?

Er is wel gezegd dat je de liederen die vanuit een verkeerde Schriftvisie of dwaalleer gemaakt zijn, toch onbevangen beoordelen moet, omdat je zelf de inhoud vanuit een gezonde leer wel goed kan invullen. Een lied dat gedicht is vanuit barthiaanse gedachten rond alverzoening, zou je in een omgeving met 'gezonde' leer, zoals in De Gereformeerde Kerken toch nog prima kunnen gebruiken. Want hier zou je dan de gezonde leer in moeten lezen. Maar dat is in feite levensgevaarlijk, want dwaalleer hoort bij de duivel. En de duivel weet juist door gebruik te maken van Schriftwoorden of geloofstaal bij je binnen te komen.

Met name zijn gevaarlijk dubbelzinnige en vage symbolische beelden, waar je je eigen voorstellings-vermogen op mag loslaten. Of een mystieke sfeer waarin je gevoel naar hogere sferen wordt gebracht. Dat speelde destijds rond 2003 al bij oudere Liedboekliederen, maar is vandaag de dag zelfs nog actueler.

Juist in onze postmoderne tijd heeft iedereen de mond vol van spiritualiteit en beleving. Hieronder volgen twee voorbeelden uit het Liedboek voor de kerken (LBVK).

'Heer van uw kerk' (Dooplied)

Lied 335 LBVK-1973 = Lied 348 LBVK-2013

In dit lied staat magische beleving op de voorgrond.

Maar ook een verkeerde kijk op wat de doop is: teken en zegel van verbondsbeloften, met een verbondseis om ze aan te nemen en eruit te leven.

Geen zegen, maar ook geen automatisme.

1 Heer van uw kerk, Gij hebt het woord genomen

en zegt ons: laat de kindren tot Mij komen,

want hunner is het koninkrijk.

Commentaar: Nee, voor 'zodanigen' is het koninkrijk.

2 Hier zijn wij dan: van U is 't jonge leven,

het moet U dankend worden weergegeven

want alles komt uit uwe hand.

Commentaar: Bij de doop geven wij ons kind niet terug, zoals de eerstgeborenen in Israël. Dit is een onjuiste voorstelling, alsof bij de doop de ouders het kind wijden aan God.

3 Reeds staat Gij klaar en komt ons vriendlijk tegen,

uw liefde vindt ons langs verborgen wegen,

eer wij U zoeken zijt Gij daar.

Commentaar: Vreemde omschrijving, 'Reeds staat Gij klaar'. Maar vooral: Gods liefde zien wij in de doop hierin dat Hij voor ons zijn Zoon heeft overgegeven; in dit lied staat alleen: 'langs verborgen wegen'.

4 Geef ons uw naam, de oude mens moet sterven,

in U zal hij een nieuw bestaan verwerven

als Gij maar voor hem in wilt staan.

Commentaar: De Heere roept ons bij onze naam en Hij zet ons op zijn naam.

5 Het water wacht en 't kind ontvangt uw zegen,

Gij spreekt het aan, het heeft een naam gekregen

en niemand rukt het uit uw macht.

Commentaar: 'het water wacht': magische taal. De doop is niet een zegen, dat is evangelisch. Het is een zegel van Gods beloften. 'Niemand rukt': dat kan hier nog niet gezegd worden; er is bij de doop de eis van geloof; pas bij geloof geldt dit (de schapen die de stem van de Heere volgen, Joh. 10), anders is er verbondsautomatisme.

6 Uw teken spreekt, Gij wilt zijn Heiland wezen,

het is gedoopt, begraven en herrezen

in Vader, Zoon en Heilige Geest.

Commentaar: Nee wij bidden bij de doop: laat het begraven worden en opstaan; er is geen automatisme.

7 Uw mild gelaat blijft over 't kind gebogen;

het wordt voor U geboren en getogen,

vervult zijn wegen naar uw raad.

Commentaar: Wij bidden: Laat het zijn wegen vervullen, anders automatisme.

8 En laat de mond der kindren, die we U wijden,

eens, zelf ontwaakt, met ons uw naam belijden:

wij leven vast in uw verbond.

Commentaar: Wij wijden niet bij de doop; Christus zegt daar: je bent van Mij.

9 Er is gedoopt! Wij allen zijn verbonden,

het voorgeslacht, de ouders, die hier stonden,

de ganse kerk in een geloof.

Commentaar: Wij zijn met de dopeling verbonden in Gods verbond.

Samenvattend: Het kenmerkende van de kinderdoop is dat een kindje het teken èn zegel van het verbond krijgt. God laat zijn eigendomsrecht zien op Zijn verbondskinderen en zegt 'Jij bent van mij', met de eis om dat te geloven.

Het is geen kwestie van zegen, wijden en automatisme, zoals dit lied suggereert.

Het is gevaarlijk om dit onschriftuurlijk gedachtegoed in te zingen.

'Geef vrede, Heer, geef vrede'

Lied 285 LBVK-1973 = Lied 1010 LBVK-2013

Dit lied ademt de sfeer van horizontalisme, van algemene verzoening en pacifisme. Ik volsta met de meest in het oog springende passages aan te wijzen.

1 Geef vrede, Heer, geef vrede, de wereld wil slechts strijd.

Al wordt het recht beleden, de sterkste wint het pleit.

Het onrecht heerst op aarde, de leugen triomfeert,

ontluistert elke waarde, o red ons sterke Heer.

2 Geef vrede, Heer, geef vrede, de aarde wacht zo lang,

er wordt zo veel geleden, de mensen zijn zo bang,

de toekomst is zo duister en ons geloof zo klein;

o Jezus Christus, luister en laat ons niet alleen!

3 Geef vrede, Heer, geef vrede, Gij die de vrede zijt,

die voor ons hebt geleden, gestreden onze strijd,

opdat wij zouden leven bevrijd van angst en pijn,

de mensen blijdschap geven en vredestichters zijn.

4 Geef vrede, Heer, geef vrede, bekeer ons felle hart.

Deel ons uw liefde mede, die onze boosheid tart,

die onze mond leert spreken en onze handen leidt.

Maak ons een levend teken: uw vrede wint de strijd!

De antithese tussen vrouwenzaad (kerk) en slangenzaad (wereld) ontbreekt. In plaats daarvan is er tegenstelling tussen verdrukten en machtigen.

Er wordt niet opgeroepen tot een bekering van onze zonde tot Christus, maar solidariteit met de verdrukten wordt gevraagd. Er is geen plaats voor een bevrijding door Christus' lijden van zonde en dood, maar een vrede die de aardse strijd wint.

De Gereformeerde Kerken hebben terecht afstand genomen van deze liederen.