De plaats van schuldbelijdenis in ons gebed


Trefwoorden: gebed; schuldbelijdenis; gebedsvolgorde; gemeenschappelijke schuldWe weten wel dat we nog altijd zonden doen, dat we doen wat we niet willen doen (vgl. Matt. 26:41). We weten ook dat we vergeving moeten en mogen vragen, zoals de Here Jezus dat in het Onze Vader ons Zelf leerde. Dit is in tegenstelling met het belijden van enkele evangelische stromingen. Ook weten wij, dat wij, vertrouwend op Gods beloften, niet vol angst hoeven te leven. Wachtend tot God tot ons komt om ons te verzekeren van zijn vergeving voor onze zonden. God is al tot ons gekomen in het verbond. We hebben ook zijn belofte van vergeving van zonden ontvangen. Hierin verschillen wij van de bevindelijke theologie. Toch hebben we hiermee lang niet alles gezegd over ons doen van schuldbelijdenis. Laten we daarover samen nadenken.

Is ons belijden oprecht?

In het dagelijks verkeer met mensen vegen we wanneer er iets fout is gegaan vaak snel ons straatje schoon. Mijn kwetsende actie was zo niet bedoeld, zeggen we dan. Het was helemaal niet mijn bedoeling dat het verwijt in mijn mailtje als vervelend werd ervaren. Wie zegt ronduit: ja, dat is fout geweest? Ja, inderdaad, ik moet bekennen dat mijn reactie niet goed is geweest? Wie bekent van zichzelf dat hij kleinzielig is? Jaloers? Bemoeiziek? Wie zal makkelijk belijden: ik ben onrein in spreken, denken en doen? Het belijden van onze schuld, onze fouten, onze zondigheid naar mensen toe gaat vaak helemaal niet vlotjes en ruimhartig. Hoe kan het dat we dat naar God wel zo gemakkelijk kunnen? Hoe oprecht is het belijden van onze schuld naar God?

Waarom schuldbelijdenis?

De belijdenis van onze zonden en onze zondigheid is van groot belang. Door de oprechte belijdenis van onze schuld voor de Here leren wij steeds beter, naar Gods wet, de diepe ellende te zien waarin wij van onszelf verkeren. Eens gemaakt om God te dienen, zijn we nu puur en alleen gericht op onszelf. De Schepper heeft deze zonde tegen de Allerhoogte Majesteit niet ongestraft willen laten. Wij hebben Gods straf in tijd en eeuwigheid verdiend!

Wij moeten bidden, zegt Ursinus in zijn verklaring van de Catechismus, om onze zaligheid, want zonder vergeving van de zonden kunnen wij niet zalig worden. Daarbij moeten wij door het regelmatig gebed herinnerd worden aan wat van de zonde in ons leven is overgebleven

Het is wel opvallend dat de belijdenis voor God van onze zondige aard, ons vaak vlot afgaat. Het is tot iets vanzelfsprekends geworden; het is erin gesleten. Maar, het belijden van onze eigen zonde moet geen sleur zijn; de schuldbelijdenis moet ons niet lekker vlotjes afgaan. We moeten goed beseffen dat een andere weg tot de troon van God achter Christus aan, er niet is. We zijn soms zo gemakkelijk, tot in ons bidden toe, alsof we het recht hebben om met de Here om te gaan, terwijl we niet goed nadenken hoe we voor de Here verschijnen.

Dit zondebesef ligt ten grondslag aan de ootmoedige houding voor de Here, als belangrijke grondhouding. We staan namelijk niet op gelijke hoogte. We zijn wel opgenomen in de verbondsgemeenschap, maar dat is niet op basis van onze goede eigenschappen. Dat het verbond is ontstaan en voortbestaat is te danken aan Gods genade; Gods ontfermende liefde. Want Hij kan en wil als een Vader voor ons zorgen (zie Ps. 103).

Persoonlijk gebed

Het belijden van onze schuld kan worden tot een sleur, tot een formule. Zoals het lezen van de wet in de eredienst kan worden tot een sleur. Voelen wij ons schuldig? Erkennen wij de nood in ons leven? Kunt u uw zonden aanwijzen? Of blijft het bij een algemene zonde-erkenning, zonder dat we ons van kwaad bewust zijn?

Vraag dan in uw gebed ook om ontdekking van zonde. Om een scherp geweten en een helder oog, zodat we in ons eigen vlees snijden en de zonden wegdoen. De Here zal dan laten zien: eigenwilligheid, ijdel gebruik van Gods Naam, egoïsme, hebzucht, slechte begeerten, hoogmoed, onmatigheid etc. etc. De Here moet ons Zelf daarvoor de oog openen, door zijn genade en door zijn ontferming. Maar dan moeten wij die ook zoeken. Vergelijk het met iemand die van de zon wil genieten. Diegene moet de zon opzoeken en in het zonlicht gaan staan. Zo moeten wij in onze gebeden ons persoonlijk leven brengen in het licht van Gods aangezicht. Hem in ons leven toelaten, zijn Woord en zijn beloften. Schuld belijden betekent ook: de deuren van ons leven openen en Hem toegang verlenen. HERE, doorgrondt mij en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten (vgl. Ps. 139).

De plaats

Prof. H.J. Schilder heeft in zijn boek Het kerkschip biedt behouden vaart naar aanleiding van de gebeden van de apostelen in Handelingen 1 en 4 opgemerkt dat niet elk gebed per se een belijdenis van schuld moet bevatten. Wanneer de apostelen bidden (Hand. 1) wanneer zij op het punt staan een vervanger voor Judas te kiezen, wordt helemaal niet gesproken over hun onwaardigheid of hun zonden. Wanneer de apostelen bidden (Hand. 4) nadat Petrus en Paulus zijn vrijgelaten, wordt in het gebed niet gesproken over de kleinheid van zondige mensen ten opzichte van hun Schepper. Hieruit blijkt, zo schrijft prof. Schilder, dat de biddenden de zaak niet bekijken vanaf de kant van de apostelen. Niet hun lot is het voornaamste! Niet wat zij beleefd hebben, staat centraal. Maar de eer en lof van God moet centraal staan!

Dat is toch ook de opbouw van het Onze Vader. Wij bidden eerst om de heiliging van Gods Naam (1e bede) en dat zijn Koninkrijk spoedig komt (2e bede); dat wij ons laten gebruiken in de bouw van dit koninkrijk (3e bede) en of de Here ons daarbij alles wil geven wat nodig is (4e bede). Daarna volgt de bede om vergeving.

Ons spreken tot de Here behoeft niet per se een schuldbelijdenis te bevatten, voordat het God aangenaam is. Ook is een vaste volgorde niet aangewezen. Wel moeten we er telkens weer goede notie van nemen dat het in ons spreken tot Hem maar niet moet gaan om onze gewondheid, ons lijden, onze moeiten zonder meer. Want we moeten de oorzaak van die honger en kommer goed voor ogen hebben, namelijk dat wij expres, moedwillig, op ingeving van de duivel, tegen de Allerhoogste Majesteit van God gezondigd hebben. Dat is onze grote nood, wij hebben gezondigd tegen de Almachtige en Eeuwige goede God! We hebben Hem niet geëerd!

De Here wil ons bijstand zenden!

Wellicht herkent u het. Er is iets in uw leven, waarmee u maar omtobde. U kon er niet van slapen; het belemmerde u in uw functioneren. U kwam er niet uit. Totdat u het niet langer uithield, er met een ander over praatte. Weet u nog hoe bevrijdend dat werkte? Is dat niet wat de Here vraagt in de levende verbondsomgang met Hem? Bekend maken wat ons dwars zit? Wat verkeerd is in ons openlijk uitspreken? Dat we ons hart mogen uitstorten en hulp en bijstand van hem mogen verwachten? Hij kan en wil immers genezen? Hij kan en wil verlossen.

David heeft ervaren wat het betekende toen hij zijn zonden niet beleed. Toen ik zweeg, verteerden al mijn krachten, zegt David in Psalm 32. Maar, toen hij zijn schuld beleed, toen veranderde alles:

mijn zonde maakte ik U bekend; mijn ongerechtigheid verborg ik niet; ik zei: Ik zal de HERE mijn overtredingen belijden, en Gij vergaaft de schuld van mijn zonde. Gij zijt mij een verberging.

Gemeenschappelijke zonden

In onze persoonlijk gebed is het niet genoeg om rekenschap te geven van de meest recente zonden. Denk aan de bekende boetpsalm van David (Ps. 51). David herkent en erkent zijn zonde, na de beschuldigende vinger van de profeet. Het is een psalm die we zingen bij het Avondmaal of na voorlezing van de Wet. In deze psalm blijft David niet staan bij zijn zonde met Batseba, maar hij gaat terug naar het begin: in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen; in ongerechtigheid ben ik geboren. Het is niet alleen de zonde van vandaag die wij belijden; het is ook onze zondigheid, onze zondige aard, die wij erkennen voor de Here.

En daarbij, we staan niet alleen schuldig voor wat betreft onze eigen zonden. Ik kan niet zeggen dat de schuld van mijn gezin, de kerkelijke gemeente, mijn geslacht, mij niet aangaat, want ik ben een deel van dat geheel en leverde mijn bijdrage eraan. We kunnen nooit vergeten dat we lid zijn van de kerk; onderdeel uitmaken van de gemeenschap der heiligen. Let op de gebeden van Jeremia (Jer. 14:20), Nehemia (1:6) en Daniël (9:5). Het zijn niet alleen de persoonlijke zonden, maar ook de gezamenlijke schuld die door deze profeten wordt beleden. Deze profeten sluiten zichzelf bij het voorgaande geslacht in. De zonde van het volk wordt beleden, de profeten nemen zichzelf daarin mee.

Concrete en actuele vrucht!

De Here Jezus leerde ons bidden: Vader, vergeef ons onze schulden. Hij leerde ons echter niet te bidden om er beter van te worden, maar we worden er wel beter van. Dat wil zeggen, we worden er gezonder van in geestelijk opzicht. Wij waren vroeger duisternis, omdat wij eigen wegen zijn gegaan. Maar door Gods Geest, die ons te hulp komt bij ons gebed, gaan wij wandelen als kinderen van het licht. De zon van Gods genade en ontferming breidt zich over ons uit, wanneer wij de Here bidden om zijn genade en Geest en Hij ons die geeft op ons voortdurend gebed (vgl. HC v&a 45).

In ons gebed mogen wij onze zonden en onze zondigheid uitspreken, om vergeving vragen en om de vaardigmaking door de Geest tot goede werken. Bij dat gebed weet de gelovige dat zijn gebed veel kracht heeft, omdat hij door het geloof is ingelijfd bij de Christus en daarom vrijmoedig mag vragen. Hij mag vrijmoedig bij de Here aankloppen en hij zal krijgen wat hij nodig heeft, op zijn gebed. De gelovige mag tot de Here gaan in het besef dat een oprecht offer tot de Here een verbroken geest is en dat de Here een verbroken en verbrijzeld hart niet veracht.

Ach, is het geschrevene eigenlijk niet allemaal gesneden koek? Zijn het algemene waarheden, die elke actuele betekenis missen? Toets dan uw leven aan Gods Woord en maak de algemene waarheden tot een concrete, actuele vrucht in uw verbondsomgang met de Here, onze God.